Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten
“(…) Perspectief is een krachtig geneesmiddel: als onderdeel van die vervolggesprekken kan dan ook de re-integratie gepland worden. (…)”
“(…) een perspectiefvol gesprek om te kunnen re-integreren, wat is daarvoor nodig? (…)”Daarop heeft de gemachtigde van werknemer ten behoeve van een vervolggesprek op 12 september 2019 per e-mail van diezelfde datum een lijst toegestuurd met tien punten. In de aanhef wordt vermeld:
“ik vind dit geen manier van met mekaar omgaan. Dus mijn vertrouwen is weg. (…) mijn mededeling is dat ik er geen vertrouwen meer heb dat het goed gaat komen tussen ons. (…)”In het gesprek zegt Leidinggevende werknemer aan dat, indien het niet lukt om in de mediation een oplossing te vinden, hij werkzaamheden bij werknemer zal weghalen en dat re-integratie in de eigen functie dan niet meer aan de orde is.
“(…) Daar gaat mijn voorkeur ook naar uit omdat ik oprechte twijfels heb of terugkeer in je eigen functie mogelijk is, niet alleen vanwege de bij jou bestaande beperkingen maar ook vanwege het niet-opgeloste arbeidsconflict en de vertrouwensbreuk. Als manager en leidinggevende is een soepele samenwerking en vertrouwensband met mij als IRM -er van essentieel belang. (…)”
“(…) Ik doe dit omdat ik duidelijk wil maken dat het arbeidsconflict en de vertrouwensbreuk die wij hebben voor mij serieus zijn en omdat ik met je in gesprek wil over de toekomst. (…) Daar hoort wat mij betreft ook bij dat we kijken naar herplaatsings-mogelijkheden. Ik wijs je dan ook op een vacature als teamleider vergunningen bij VTH (…) Ik zal je medewerkers zelf verder informeren. (…)”Ruim een uur later heeft Leidinggevende het team bericht dat werknemer is vrijgesteld van werk. In reactie op de vrijstelling heeft werknemer op 9 november 2020 aan Leidinggevende bericht dat geen sprake is van een arbeidsconflict laat staan van een vertrouwensbreuk.
3.Procesverloop
4.Juridisch kader
‘verstoorde arbeidsverhouding, zodanig dat van de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.’De ontslaggronden uit art. 7:669 lid 3 BW Pro zijn ontleend aan het vóór de inwerkingtreding van de Wet werk en zekerheid (Wwz) geldende Ontslagbesluit en de daarop gebaseerde Beleidsregels Ontslagtaak UWV. [12] In de pre-Wwz regelgeving werd in dit verband nog gesproken van een
‘ernstig en duurzaam’verstoorde arbeidsverhouding. Hoewel de huidige wettekst deze vereisten niet noemt, volgt uit de memorie van toelichting dat deze criteria in beginsel ook onder de Wwz gelden: [13]
‘ernstig en duurzaam’, in art. 7:669 BW Pro tot uitdrukking komen in de frase
‘zodanig dat van de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren’.Met deze toevoeging is uit het oogpunt van werknemersbescherming de beoordeling van de vraag of sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding, onttrokken aan de louter subjectieve ervaring van de werkgever, zo schrijft Van Kempen in een artikel over de g-grond. [14] In de feitenrechtspraak wordt de vraag of voortzetting van de arbeidsovereenkomst in redelijkheid van de werkgever mag worden gevergd, beoordeeld mede in samenhang met de omvang van de organisatie. Hoe groter de organisatie, hoe meer er van een werkgever op dit vlak zal mogen worden gevergd. [15] Ook kan in dit verband relevant zijn wat de aard van de verstoring in de arbeidsrelatie is. Het maakt immers nogal verschil uit of er een verstoring is met één leidinggevende binnen een grote organisatie met meerdere afdelingen, of met een of meerdere leden van een MT in de top van een organisatie waarin de werknemer werkzaam is. [16] In de literatuur is de vraag of voortzetting van de arbeidsovereenkomst al dan niet van de werkgever kan worden gevergd, ook wel in verband gebracht met de mate waarin aan één van beide partijen een verwijt valt te maken ten aanzien van de ontstane verstoring in de arbeidsrelatie. [17]
‘minder duurzaam verstoorde’arbeidsverhouding. Het duurzaamheidscriterium kan dus soepeler worden getoetst wanneer de verstoring van de arbeidsverhouding zo ernstig is, dat dit een einde van de arbeidsovereenkomst rechtvaardigt.
verticaleverhoudingen onder de reikwijdte van de g-grond valt. [20] Daarmee wordt bedoeld dat de g-grond (in elk geval) ziet op de verstoring tussen een werknemer en diens leidinggevende, tot wie de werknemer zich in een ondergeschikte positie bevindt. [21] Dit hangt ermee samen dat in die ondergeschikte relatie de voor de arbeidsovereenkomst kenmerkende gezagsverhouding tot uitdrukking komt. Dit is in lijn met wat hierover was opgenomen in de voorheen geldende Beleidsregels Ontslagtaak UWV: [22]
gezagsverhouding. (…) Van belang is dus of werknemers in een hiërarchische verhouding tot elkaar staan. Daarin kan sprake zijn van een verstoorde arbeidsrelatie. Als gevolg van de hiërarchische verhouding kan deze verstoring in de onderlinge relatie aangemerkt worden als een verstoorde arbeidsrelatie tussen werkgever en werknemer. De leidinggevende geldt dan feitelijk als ‘werkgever’.”
‘herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn, al dan niet met behulp van scholing, in een andere passende functie niet mogelijk is of niet in de rede ligt’.Uit de toevoeging van de woorden
‘binnen een redelijke termijn’volgt dat de mogelijkheid van herplaatsing van een werknemer niet alleen moet worden bezien aan de hand van vacatures die er al bij een werkgever
zijn, maar ook de vacatures die er
mogelijkerwijs binnen afzienbare termijn komen. [26]
‘aansluit bij de opleiding, ervaring en capaciteiten van de werknemer’. In art. 10 lid 1 Ontslagregeling Pro is verduidelijkt dat voor de duur van de redelijke termijn als bedoeld in art. 7:669 lid 1 BW Pro wordt aangesloten bij de wettelijke opzegtermijn van art. 7:672 BW Pro. Hiermee komt tot uitdrukking dat de zorgplicht van de werkgever jegens de werknemer toeneemt naarmate het dienstverband een langere looptijd heeft (en dus een langere opzegtermijn van toepassing is). [27]
‘op de dag waarop wordt beslist op het verzoek om toestemming voor de opzegging of ontbinding van de arbeidsovereenkomst’. [28] Dit heeft tot gevolg dat de werkgever in het kader van het herplaatsingsonderzoek ook rekening moet houden met functies die beschikbaar zijn in de periode die gelegen is in de periode ná de datum van de rechterlijke uitspraak. Die periode is qua duur gelijk aan de wettelijke opzegtermijn. De werkgever die een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst wil doen, moet dus aannemelijk maken dat herplaatsing binnen een redelijke termijn ná de ontbindingsdatum niet mogelijk is, waardoor ook rekening zal moeten worden gehouden met de te schatten duur van de procedure bij de kantonrechter. [29]
op dat momentfuncties beschikbaar zullen komen binnen de termijn bedoeld in art. 10 lid 4 Ontslagregeling Pro. In de praktijk zal de rechter zich bij deze beoordeling baseren op wat hierover in het processtukken naar voren is gekomen, aangevuld met de informatie die tijdens de mondelinge behandeling naar voren is gekomen. [30]
‘niet in de rede ligt’.In art. 7:669 lid 1 BW Pro is verduidelijkt dat herplaatsing in elk geval niet in de rede ligt indien sprake is van verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer als bedoeld in art. 7:669 lid 3 sub e BW Pro. Bij de parlementaire behandeling van de Wet werk en zekerheid (Wwz) is verder opgemerkt dat herplaatsing evenmin in de rede ligt bij ontslag vanwege illegaliteit of het feit dat de werknemer gedetineerd is. [31]
duurzame arbeidsrelaties en activerende arbeidsmarktinstituties die [de basis vormen] voor investeringen in de inzetbaarheid en wendbaarheid van werknemers op de arbeidsmarkt en de kans op onvrijwillig ontslag [reduceren].’ [34]
SIEP-beschikking heeft de Hoge Raad overwogen dat het bij de beantwoording van de vraag of herplaatsing al dan niet in de rede ligt, gaat om hetgeen in de gegeven omstandigheden in redelijkheid van de werkgever kan worden gevergd. Het gaat dus niet om een resultaatsverplichting. [35] De Hoge Raad overwoog in de
SIEP-beschikking verder dat het bij de beantwoording van de vraag of herplaatsing in de rede ligt, niet enkel gaat om omstandigheden die niet-herplaatsing vanzelfsprekend doen zijn, maar dat daarbij ook redelijkheidsargumenten een rol kunnen spelen. Daarmee wordt de werkgever een zekere beoordelingsruimte gelaten, aldus de Hoge Raad. [36] In de literatuur wordt aangenomen dat bij de beoordeling van de herplaatsingsinspanningen van de werkgever, onder meer van belang kan zijn hoe de werknemer zich in het kader van het herplaatsingsonderzoek opstelt. [37]
tot nu toe’ ‘
nog onvoldoende invulling heeft gegeven aan haar verplichting om in overleg met [werknemer] te onderzoeken of, en - zo ja – welke, mogelijk passende vacatures en herplaatsingsmogelijkheden beschikbaar zijn en binnen redelijke termijn beschikbaar komen, en of voor een herplaatsing in een van die functies scholing nodig is’. Na deze constatering heeft de kantonrechter de gemeente in de gelegenheid gesteld ‘
dit onderzoek de komende maanden in goede samenwerking met [werknemer] alsnog actief en voortvarend uit te voeren’ (zie ook onder 3.2). Vervolgens heeft de kantonrechter bij eindbeschikking geoordeeld dat de gemeente,
‘het geheel van haar inspanningen in de maanden maart tot en met mei 2021 in ogenschouw genomen’,voldaan heeft aan
‘hetgeen in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs va haar gevergd kon worden’(rov. 1.4 eindbeschikking). De kantonrechter heeft daarop de arbeidsovereenkomst ontbonden (rov. 1.7 eindbeschikking).
‘het verzoek’slechts kan inwilligen
‘indien aan de voorwaarden voor opzegging (…) is voldaan’(mijn onderstrepingen):
slechts inwilligen indienaan de voorwaarden voor opzegging van de arbeidsovereenkomst, bedoeld in artikel 669,
is voldaanen er geen opzegverboden als bedoeld in artikel 670 of Pro met deze opzegverboden naar aard en strekking vergelijkbare opzegverboden in een ander wettelijk voorschrift gelden.”
het verzoekaan de daarvoor geldende voorwaarden moet voldoen.
ten tijde van haar uitspraak(
ex nunctoetsing). Dat betekent – als algemeen uitgangspunt – dat ook feiten en omstandigheden die naar voren zijn gebracht ná de inleidende dagvaarding of het inleidend verzoekschrift, door de rechter moeten worden meegenomen; uiteraard begrensd door de eisen van de goede procesorde (met name het beginsel van hoor en wederhoor).
‘(…) op basis van hetgeen bekend is bij de behandeling van het verzoek, en eventueel nog ter zitting bekend wordt.’ [39]
Victoria-beschikking van de Hoge Raad. [40] Daarin oordeelde de Hoge Raad dat als de kantonrechter de arbeidsovereenkomst heeft
ontbonden(als de arbeidsovereenkomst níet is ontbonden geldt in hoger beroep de gebruikelijke
ex nunctoetsing), de vraag of de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer dan wel van de werkgever, naar zijn aard moet worden beantwoord
aan de hand van feiten en omstandigheden die zich hebben voorgedaantot het moment waarop de arbeidsovereenkomst door de kantonrechter is ontbonden(mijn onderstreping). Het toetsingsmoment voor het hof valt in zo’n geval dus samen met het toetsingsmoment voor de kantonrechter, namelijk het moment waarop de arbeidsovereenkomst is ontbonden – het moment van de uitspraak van de kantonrechter dus. De desbetreffende overweging uit de
Victoria-beschikking ziet op de beoordeling van ernstig verwijtbaarheid handelen of nalaten van werkgever of werknemer, maar het ligt in de rede dat dit ook geldt voor het herplaatsingsvereiste.
rechtsgrondvan haar ontbindingsverzoek aan te vullen.
ex nunctoetsing op zichzelf niet in de weg hoeft te staan aan een dergelijke instructie door de rechter. Ook als de rechter de werkgever in de gelegenheid stelt om aanvullend herplaatsingsonderzoek te verrichten, blijft immers sprake van een
ex nunctoetsing.
hebben aangevoerdom tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst te kunnen komen.
terug te kijkennaar de feiten en omstandigheden die zich hebben voorgedaan vóórdat het verzoek werd ingediend. Dat geldt allereerst voor de feiten en omstandigheden die ten grondslag zijn gelegd aan de ontslaggrond: kan daarop de conclusie worden gebaseerd dat sprake is van (bijvoorbeeld) een verstoorde arbeidsverhouding? Daarbij zal in het algemeen geabstraheerd worden van feiten en omstandigheden die zich hebben voorgedaan ná het indienen van het ontbindingsverzoek. Zo zal de omstandigheid dat ná het indienen van het verzoek de verhoudingen nog meer (of: inderdaad) verstoord zijn geraakt, niet aan de werknemer kunnen worden tegengeworpen. Het indienen van een ontbindingsverzoek zal immers bijna per definitie leiden tot een verstoorde arbeidsverhouding, zodat op die manier, dus
doorhet indienen van een ontbindingsverzoek, zou kunnen worden aangestuurd op een ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Het terugkijken geldt ook voor de beoordeling van het herplaatsingsonderzoek (zie ook onder 4.14-4.16): heeft de werkgever de inspanning geleverd die in de gegeven omstandigheden in redelijkheid van hem kon worden gevergd? Daarbij gaat het m.i. om de inspanningen voor herplaatsing van de werknemer die de werkgever heeft gedaan in de periode vóór het indienen van het ontbindingsverzoek (zij het dat de werkgever in dat kader vooruit moet kijken tot een korte periode na de rechterlijke uitspraak, zie onder 4.11-4.12). In feite beoordeelt de rechter hiermee of de werkgever tijdens het dienstverband van de werknemer op dit punt aan zijn
zorgplichtheeft voldaan. [43] Als de rechter, terugkijkend, tot het oordeel komt dat dat niet het geval is, dan zal het ontbindingsverzoek moeten worden afgewezen. Vergelijk ook de parlementaire geschiedenis: [44]
‘niet geheel voldragen dossier’alsnog tijdens de procedure te repareren. Als de werkgever het niet eens is met de afwijzing van het ontbindingsverzoek, kan hij eventueel hoger beroep instellen en daar de gebreken trachten te repareren. In die situatie zal het hof in hoger beroep immers
ex nunctoetsen of nu wél aan de wettelijke vereisten is voldaan. Dat volgt uit de al genoemde
Victoria-beschikking. [45]
‘plausibel’klinkt. [46] Ook Van Herwerden is kritisch en schrijft dat de herplaatsingsplicht
‘geen formaliteit is’en serieuze inspanningen van de werkgever vereist: ‘
Als deze inspanningen niet voldoende zijn, kan dit niet later tijdens de ontbindingsprocedure worden gerepareerd.’ [47]
New Hairstyle-beschikking dat de rechter de billijke vergoeding dient te bepalen op een wijze die, en op het niveau dat, aansluit bij de uitzonderlijke omstandigheden van het geval. De rechter dient in de motivering van zijn oordeel inzicht te geven in de omstandigheden die tot de beslissing over de hoogte van de billijke vergoeding hebben geleid. [51] Verder heeft de Hoge Raad in
New Hairstyleoverwogen dat het stelsel van de Wwz zich niet ertegen verzet dat bij het bepalen van de omvang van de billijke vergoeding rekening wordt gehouden met de gevolgen van het ontslag. [52]
New Hairstyle-beschikking gegeven gezichtspunten bij de vaststelling van de hoogte van de billijke vergoeding van art. 7:683 lid 3 BW Pro worden toegepast. [54]
Blue Circle-beschikking dat de rechter inzicht dient te geven in de omstandigheden die tot de beslissing over de hoogte van die vergoeding hebben geleid. Het oordeel over de hoogte van de vergoeding moet begrijpelijk zijn, mede in het licht van het debat dat partijen over de vergoeding hebben gevoerd. [55]
5.Bespreking van het principaal cassatiemiddel
Subsubonderdeel 1-Ibwerkt dit uit aan de hand van een opsomming van 23 stellingen/passages uit processtukken van de gemeente, waaruit zou blijken dat de gemeente een beroep heeft gedaan op een verstoorde arbeidsrelatie in de vorm van
‘een optelsom van factoren, derhalve van een cumulatief proces’. Het hof heeft dat volgens de subsubonderdelen miskend. Zo nodig had het hof ambtshalve de rechtsgronden aanvullend, de regel moeten toepassen dat een voldragen g-grond ook gelegen kan zijn in een cumulatie van gedragingen van de werknemer. Verder wordt geklaagd dat het hof eveneens onder aanvulling van de rechtsgronden had moeten aannemen dat werknemer in strijd met art. 7:611 BW Pro (goed werknemerschap) heeft gehandeld. Subsubonderdelen 1-Ia en 1-Ib lenen zich voor gezamenlijke bespreking.
‘op grond van de navolgende overwegingen’geoordeeld wordt dat de verstoring niet ernstig en duurzaam is.
essentiëlestellingen door het hof onbesproken zouden zijn gelaten.
werknemer,zodat de klacht faalt bij gebrek aan belang. Dit betekent dat ook subsubonderdeel 1-1c faalt.
‘maar tegen moet kunnen’en daar beter over had moeten communiceren, zodat de gemeente naar een oplossing had kunnen zoeken. Het subsubonderdeel klaagt (wederom) dat het hof ten onrechte is uitgegaan van een onvolledige feitenvaststelling. Verder klaagt het subsubonderdeel dat het hof uit het feit dat werknemer en Leidinggevende na 19 mei 2020 nog met elkaar hebben samengewerkt om aan de re-integratieverplichtingen te kunnen voldoen, ten onrechte heeft afgeleid dat geen sprake was van een ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsverhouding. Daarmee heeft het hof volgens het subsubonderdeel miskend dat van een leidinggevende (mede met het oog op art. 7:611 BW Pro) een professionele en zakelijke houding wordt verwacht en dat er ook met inachtneming daarvan een grens is aan wat er van een leidinggevende verwacht mag worden.
‘zeer moeizaam’verliep, is niet onbegrijpelijk en is voor het overige een oordeel dat is voorbehouden aan de feitenrechter. In zoverre faalt de klacht dus.
‘hooguit ongelukkig’is.
‘maar tegen moet kunnen’dat een werknemer in strijd met art. 7:611 BW Pro handelt.
‘er maar tegen moet kunnen’dat een werknemer in strijd met art. 7:611 BW Pro handelt. Het hof oordeelt überhaupt niet dat werknemer de grenzen van art. 7:611 BW Pro zou hebben overschreden. Het hof benadrukt enkel dat van een werkgever een professionele opstelling mag worden verlangd, ook wanneer zij een vertrouwensbreuk ervaart. Dit betekent dat de hierop gerichte klachten in subsubonderdelen 1-IIc en 1-IIe falen.
‘bij elke druppel’meldt dat de arbeidsrelatie verslechtert.
‘elke’druppel moet worden gemeld in het kader van een verstoorde arbeidsverhouding. Het hof overweegt slechts dat het heeft waargenomen dat Leidinggevende kennelijk was geraakt door een aantal gebeurtenissen, waarna het hof vaststelt dat Leidinggevende dit niet altijd met werknemer heeft gedeeld. [60] Dit betekent dat de klacht faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag.
subonderdeel 1-III, [61] waarin wordt betoogd dat Leidinggevende moet worden vereenzelvigd met de gemeente als werkgever, zodat een ernstige en duurzame verstoring van de arbeidsrelatie met Leidinggevende heeft te gelden als een ernstige en duurzame verstoring met de gemeente als werkgever. Voorts klaagt ook
subsubonderdeel 1-IVc(onder verwijzing naar subonderdeel 1-III) dat het hof van een onjuiste rechtsopvatting is uitgaan door te oordelen dat het enkele feit dat Leidinggevende de verstoring als ernstig heeft ervaren, onvoldoende is voor het aannemen van een voldragen g-grond.
ervaart, is daartoe op zichzelf niet voldoende. De werkgever zal immers aannemelijk moeten maken dat voortzetting van de arbeidsrelatie redelijkerwijs niet van hem kan worden gevergd. Hiermee is ter bescherming van werknemersbelangen beoogd om de subjectieve beleving van een verstoring door de werkgever niet reeds doorslaggevend te laten zijn. Het aannemelijk maken van een verstoorde arbeidsverhouding vraagt dus méér dan een verwijzing naar de (niet-objectiveerbare) beleving van één persoon (zie hiervoor onder 4.6).
subsubonderdelen 1-IVe en 1-IVf– dat wanneer een werkgever expliciet aangeeft dat sprake is van een verstoorde arbeidsrelatie, mag worden verwacht dat ook de werknemer zich inspant om de verhoudingen te normaliseren. Een ontkennende houding werkt juist in de hand dat de verstoring en vertrouwenscrisis een duurzaam karakter krijgen, aldus de subsubonderdelen. Het hof heeft dit in rov. 4.18-4.25 miskend, althans zou het hof geen inzicht hebben gegeven in zijn gedachtegang, dan wel zou het oordeel van het hof onbegrijpelijk, althans niet toereikend zijn gemotiveerd.
gedurende het re-integratietrajecteen andere plek voor werknemer binnen de gemeente had moeten zoeken, berusten de klachten op een onjuiste lezing van de beschikking. Het hof overweegt immers niet dat de gemeente daar ten tijde van de re-integratie toe had moeten overgaan. Het hof overweegt slechts dat de gemeente
na de hersteldmelding van werknemerniet zonder meer tot non-actiefstelling had mogen overgaan, maar (op dat moment; dus
nade hersteldmelding) alternatieven had moeten verkennen. Het hof heeft terecht stilgestaan bij de mogelijkheden die de gemeente had kunnen verkennen binnen de organisatie, voordat kon worden geoordeeld dat voortzetting van de arbeidsrelatie in redelijkheid niet van de gemeente kon worden gevergd. Dit betekent dat ook de overige klachten in de subsubonderdelen 1-IVa tot en met 1-IVd falen.
subonderdeel 1-V, waarin wordt gesteld dat indien een van de voorgaande sub(sub)onderdelen slaagt, rov. 3.4, 4.25, 4.19, 4.32-4.41, 4.43 en het dictum evenmin in stand kunnen blijven. Nu alle hiervoor besproken klachten falen, faalt ook de voortbouwklacht.
‘hoge functie’als werknemer, zodat het oordeel dat herplaatsing niet in de rede lag volgens het subsubonderdeel in stand kan blijven.
niet herplaatsbaaris. Zou dit het geval zijn, dan zou dit betekenen dat herplaatsing bij een voldragen g-grond nooit aan de orde kunnen zijn. Dat is echter niet hoe het wettelijke systeem in elkaar zit. In art. 7:699 lid 1 BW Pro is immers niet vermeld, zoals dat wel is bepaald ten aanzien van de e-grond, dat herplaatsing ingeval van een verstoorde arbeidsverhouding in elk geval niet in de rede ligt (zie hiervoor onder 4.14).
subsubonderdelen 2-Ib, 2-IVb, 2-IVcen
subonderdelen 2-V en 2-VIstellen aan de orde dat het hof (onder meer in rov. 4.31) zou hebben miskend dat de gemeente een zekere mate van beoordelingsruimte heeft in het kader van het herplaatsingsvereiste. Geklaagd wordt dat het hof heeft miskend dat de gemeente een beoordelingsvrijheid heeft waar het gaat om de vraag of herplaatsing al dan niet in de rede ligt en bij de beoordeling of sprake is van een passende functie. De klachten lenen zich grotendeels voor gezamenlijke bespreking.
‘Billijke vergoeding in plaats van herstel’.Deze rechtsoverweging luidt als volgt:
‘Niet voldaan aan het herplaatsingsvereiste van artikel 7:669 lid 1 BW Pro’(rov. 4.26-4.31). Dit betekent dat de overwegingen in rov. 4.45 geen onderdeel uitmaken van ‘s hofs oordeel over het herplaatsingsvereiste. De klachten in subsubonderdelen 2-IVb, 2-IVc, 2-V en 2-VI falen dan ook vanwege gebrek aan feitelijke grondslag. Overigens heeft subsubonderdeel 2-IVb betrekking op het aanvullend herplaatsingsonderzoek dat in opdracht van de kantonrechter heeft plaatsgevonden. Zoals gezegd, heeft het hof dat aanvullend onderzoek terecht buiten beschouwing gelaten, zodat dit subsubonderdeel ook om die reden niet kan slagen.
subonderdeel 2-IIen
subsubonderdeel 2-IIIbheeft het hof miskend dat voor de vraag of herplaatsing in de rede lag (rov. 4.31) en de vraag aan welke eisen een herplaatsingsonderzoek moet voldoen (rov. 3.4, 4.26-4.30), ook de (proces)houding van de werknemer van belang is. De gemeente stelt dat werknemer gedurende de procedure uitsluitend heeft ingezet op terugkeer in haar oude functie en bepleit dat het hof hier rekening mee had moeten houden bij de beoordeling van wat in het kader van de herplaatsing in redelijkheid van de gemeente mocht worden verwacht. Verder wordt gesteld dat de aard en omvang van de inspanningen van de gemeente van vóór de tussenbeschikking van de kantonrechter, op de (proces)houding van werknemer waren afgestemd. Betoogd wordt dat hiermee bij de beoordeling van de herplaatsingsinspanningen rekening moet worden gehouden, zodat het oordeel van het hof dat het herplaatsingsonderzoek vóór de tussenbeschikking van de kantonrechter onvoldoende zou zijn, onjuist is.
primairheeft ingezet op terugkeer in haar eigen functie, kan haar niet worden tegengeworpen. Het staat een werknemer immers vrij verweer te voeren tegen een dreigend ontslag. [62] Het hof heeft voor het overige kennelijk geen aanleiding gezien om de (proces)houding van werknemer in haar nadeel te betrekken in zijn oordeel over de vraag of herplaatsing al dan niet in de rede lag of wat er van de gemeente mocht worden verwacht in het kader van de herplaatsing. Dat oordeel is zeker niet onbegrijpelijk. Dit betekent dat beide sub(sub)onderdelen falen.
SIEP-beschikking (zie hiervoor onder 4.16).
ServiceNow-beschikking dat het oordeel van het hof dat bij het bepalen van de billijke vergoeding een relevant verschil bestaat tussen gevallen waarin een werknemer langer en minder lang in dienst is, niet onbegrijpelijk is. [63] En in de
Blue Circle-beschikking overwoog de Hoge Raad uitdrukkelijk dat de duur van het dienstverband een relevant gezichtspunt is. [64] Evident is dat de duur van het dienstverband samenhangt met de door de werknemer opgebouwde anciënniteit, waarmee de opgebouwde anciënniteit onmiskenbaar een relevant gezichtspunt is. Dat de hoogte van de transitievergoeding afhankelijk is van de duur van het dienstverband, brengt niet mee dat de anciënniteit van de werknemer daarmee volledig ‘verdisconteerd’ is in de transitievergoeding en dus geen rol meer kan spelen bij het bepalen van de hoogte van de billijke vergoeding.
‘hardnekkige’ontkennende houding van werknemer ertoe heeft geleid dat de toestand tussen partijen onhoudbaar is geworden.
welmogelijk was geweest. Zoals hiervoor (onder 5.15-5.42) is toegelicht, is dit oordeel niet onbegrijpelijk. Voor zover wordt geklaagd dat het oordeel van het hof over de te verwachten duur van het dienstverband onbegrijpelijk zou zijn, stuit de klacht hierop af.
hoehet hof rekening houdt met het feit dat onzeker is of de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd wordt verlengd. Volgens het subsubonderdeel valt dit niet af te leiden uit het totaalbedrag van € 42.488,61 bruto, waarvan het hof overigens ook niet duidelijk maakt of dit een bruto of netto bedrag is, zo klaagt het subsubonderdeel.
New Hairstyle,waaronder de vraag of werknemer inmiddels ander werk heeft gevonden, met de inkomsten die werknemer daaruit geniet, en met de (andere) inkomsten die zij in redelijkheid in de toekomst kan verwerven (zie ook hiervoor onder 4.39). [69] Het hof kan hier vanzelfsprekend hooguit een schatting van maken. Met de overweging dat bij de berekening van de billijke vergoeding rekening is gehouden met het feit dat onzeker is of de nieuwe arbeidsovereenkomst na ommekomst van de bepaalde tijd zou worden verlengd, heeft het hof voldoende inzicht geboden in zijn gedachtegang. Dit betekent dat de klacht faalt.
geenpensioen opbouwt. Dat het hof het volledige bedrag aan gevorderde en beweerdelijk gemiste pensioenopbouw toewijst, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting en is in het licht van het voorgaande onbegrijpelijk, aldus het subsubonderdeel.
dathiermee rekening is gehouden, is volgens het subsubonderdeel onvoldoende.
Subsubonderdelen 3-Vb en 3Vcklagen vervolgens dat niet duidelijk is hoe het hof – rekening houdende met de aan werknemer toegekende transitievergoeding – tot een bedrag van € 110.000 bruto aan billijke vergoeding is gekomen.
hoehet hof bij het bepalen van de hoogte van de billijke vergoeding rekening heeft gehouden met de transitievergoeding, ligt het bepaald voor de hand om aan te nemen dat de transitievergoeding een verlagend effect op de hoogte van de billijke vergoeding heeft gehad. Als ervan wordt uitgegaan dat de transitievergoeding van € 51.080,- bruto
volledig [76] is afgetrokken van het (hiervoor onder 5.81 door de gemeente genoemde) bedrag van € 81.850,33 bruto aan inkomens- en pensioenschade van werknemer, dan resteert een bedrag van € 30.770,33 bruto. Aangezien het hof een bedrag van € 110.000,- aan billijke vergoeding heeft toegekend, is er geen andere conclusie mogelijk dan dat het hof de bijkomende vergoeding in verband met het verwijtbaar handelen van de gemeente heeft begroot op (maximaal) € 79.229,67 bruto. [77] Gelet op de (zeer uitvoerige) overwegingen van het hof over het verwijtbare handelen en nalaten van de gemeente (rov. 4.38-4.45), bezien in het licht van het langdurende dienstverband van werknemer en haar goede staat van dienst, is dit geen onbegrijpelijke uitkomst. Ook is de totale billijke vergoeding hiermee voldoende inzichtelijk gemotiveerd (zie ook hiervoor onder 4.40). Dit betekent dat de subsubonderdelen 3-Va, 3-Vb en 3-Vc falen.