Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2026:1039

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
20 februari 2026
Publicatiedatum
26 februari 2026
Zaaknummer
12001402 \ CV EXPL 25-3984
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:610 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering loondoorbetaling wegens ontbreken arbeidsovereenkomst

In deze kortgedingprocedure vordert eiseres betaling van achterstallig salaris en loondoorbetaling wegens arbeidsongeschiktheid sinds juni 2023. Zij stelt dat zij sinds 1 april 1995 in dienst was van gedaagde en dat sprake is van een arbeidsovereenkomst.

Gedaagde betwist dit en voert aan dat de overeenkomst een gefingeerd dienstverband betreft, bedoeld als een constructie om eiseres van geld te voorzien. De rechtbank toetst of de overeenkomst voldoet aan de wettelijke definitie van een arbeidsovereenkomst, waarbij het element van gezagsverhouding centraal staat.

De rechtbank stelt vast dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat sprake is van een arbeidsovereenkomst. Er is geen bewijs van een gezagsverhouding, geen administratieve verwerking van werktijden of vakantiedagen, en geen toepassing van wettelijke voorschriften bij arbeidsongeschiktheid. De vorderingen van eiseres worden daarom afgewezen. De kosten van de procedure worden gecompenseerd.

Uitkomst: De vorderingen tot loondoorbetaling worden afgewezen omdat geen arbeidsovereenkomst is vastgesteld.

Uitspraak

RECHTBANKOVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: 12001402 \ CV EXPL 25-3984
Vonnis in kort geding van 20 februari 2026
in de zaak van
[eiseres],
te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: mr. L. Laken-Steehouwer,
tegen
[gedaagde] B.V.,
te [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. H. Scheper.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de producties van [eiseres]
- de producties van [gedaagde]
- de mondelinge behandeling van 6 februari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt
- de pleitnota van [eiseres]
- de pleitnota van [gedaagde] .

2.De feiten

2.1.
Directeur-grootaandeelhouder van [gedaagde] is [naam] , de ex-echtgenoot van [eiseres] .
2.2.
[eiseres] heeft als productie 2 een salarisspecificatie over juni 2025 overgelegd met daarop vermeld [gedaagde] als werkgever. Als datum in dienst is vermeld 1 april 1995, als salaris € 1.854,28 bruto per maand voor een arbeidsomvang van 22,19 uren per week.
2.3.
[eiseres] heeft bij brief van 23 juli 2025 het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) verzocht te bepalen dat zij met ingang van 1 april 1995 verplicht verzekerd is ingevolge de werknemersverzekeringen. Bij besluit van
4 november 2025 heeft het UWV besloten dat [eiseres] sinds 1 april 1995 niet verplicht is verzekerd voor de Werkloosheidswet (WW), Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) en Ziektewet (WW).
2.4.
Na oktober 2025 heeft [eiseres] geen salaris meer ontvangen.

3.Het geschil

3.1.
[eiseres] vordert, samengevat, veroordeling van [gedaagde] tot betaling van een bedrag van (3 × € 1.854,28 =) € 5.562,84 bruto aan achterstallig salaris over de periode november 2025 tot en met januari 2026, vermeerderd met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente, alsmede tot betaling van het salaris vanaf februari 2026 tot aan het rechtsgeldige einde van de arbeidsovereenkomst. Verder vordert zij dat [gedaagde] , op straffe van verbeurte van een dwangom, wordt veroordeeld tot verstrekking van deugdelijke salarisspecificaties vanaf juli 2025 en dat zij wordt veroordeeld tot betaling van incassokosten en proceskosten.
3.2.
Volgens [eiseres] is zij op 30 juni 2023 arbeidsongeschikt geraakt (en sindsdien gebleven) en is [gedaagde] onverminderd gehouden haar loon door te betalen. Aan deze verplichting houdt [gedaagde] zich niet, aldus [eiseres] .
3.3.
[gedaagde] voert verweer. Zij concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiseres] , met veroordeling van [eiseres] in de kosten van deze procedure.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Het spoedeisend belang vloeit voort uit de stellingen van [eiseres] .
Arbeidsovereenkomst?
4.2.
Volgens [eiseres] is voldaan aan alle elementen om de met [gedaagde] gesloten overeenkomst te kwalificeren als een arbeidsovereenkomst. [gedaagde] betwist dit. Zij heeft aangevoerd dat sprake was van een (destijds door haar accountant geadviseerde) constructie om [eiseres] te voorzien van geld, die niet kon (en kan) worden gekwalificeerd als een arbeidsovereenkomst. Er is (dus) volgens haar sprake van een zogenaamd “gefingeerd dienstverband”.
4.3.
In artikel 7:610 BW Pro is bepaald dat de arbeidsovereenkomst de overeenkomst is waarbij de ene partij, de werknemer, zich verbindt
in dienst vande andere partij, de werkgever, tegen
loongedurende zekere tijd
arbeidte verrichten. Het element “in dienst van” wordt wel aangeduid als de gezagsverhouding.
4.4.
Om te kunnen beoordelen of een overeenkomst als een arbeidsovereenkomst moet worden aangemerkt, moet door uitleg aan de hand van de Haviltexmaatstaf worden vastgesteld welke rechten en verplichtingen partijen zijn overeengekomen. Als de overeengekomen rechten en verplichtingen voldoen aan de wettelijke omschrijving van de arbeidsovereenkomst, moet de overeenkomst als zodanig worden aangemerkt. Voor deze kwalificatie is niet van belang of partijen de bedoeling hadden de overeenkomst onder de wettelijke regeling van de arbeidsovereenkomst te laten vallen. [1] Of een overeenkomst moet worden aangemerkt als arbeidsovereenkomst, hangt af van alle omstandigheden van het geval, in onderling verband bezien. [2]
4.5.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is in deze procedure – waarin voor bewijslevering (in beginsel) geen plaats is – niet voldoende aannemelijk geworden dat de tussen partijen gesloten overeenkomst moet worden aangemerkt als arbeidsovereenkomst. Weliswaar heeft [eiseres] gesteld dat zij
“structureel en omvangrijk onafgebroken (sinds
1 april 1995) arbeid heeft verricht”(volgens haar zelfs gedurende (veel) meer uren dan het verloonde aantal (48 uren per week versus 22,19 uren per week), maar daar staat tegenover dat [gedaagde] , onder verwijzing naar diverse producties, heeft aangevoerd dat [eiseres] slechts incidenteel, bijvoorbeeld bij ziekte van personeelsleden, werkzaamheden verrichtte ten behoeve van de praktijk en dat hier, om diverse redenen, een eind aan is gekomen in 2020. De stelling dat tussen [eiseres] en [gedaagde] altijd sprake is geweest van een gezagsverhouding heeft [gedaagde] eveneens gemotiveerd betwist. Zo heeft de zoon van partijen hierover schriftelijk verklaard dat [eiseres]
“altijd vrij was om te gaan en staan waar zij wilde”en heeft [gedaagde] ter zitting (onbetwist) opgemerkt dat, anders dan voor personeelsleden gold, voor [eiseres] geen vakantiedagen werden geadministreerd, zij haar tijden niet ‘klokte’ in “ [website] ” en met haar geen functioneringsgesprekken werden gevoerd en gedocumenteerd.
Tot slot geldt dat is gesteld noch gebleken dat sinds de gestelde arbeidsongeschiktheid (sinds juni 2023) op enigerlei wijze vorm is gegeven aan de door de wetgever bij arbeidsongeschiktheid wegens ziekte voorgeschreven handelwijze.
4.6.
[eiseres] heeft, desgevraagd, ter zitting laten weten haar vorderingen (alleen) te stoelen op de loondoorbetalingsverplichting van [gedaagde] . De vraag of [gedaagde] op andere gronden gehouden zou zijn de met [eiseres] gesloten overeenkomst (op grond waarvan zij gedurende vele jaren maandelijks een bedrag ontving) gestand zou moeten doen, kan dan ook onbeantwoord blijven.
4.7.
De conclusie is dat het gevorderde wordt afgewezen. In het feit dat partijen gewezen echtgenoten zijn, wordt aanleiding gezien de kosten van deze procedure te compenseren.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
wijst de vorderingen van [eiseres] af,
5.2.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. E. Horsthuis en in het openbaar uitgesproken door
mr. D.N.R. Wegerif op 20 februari 2026.

Voetnoten

1.HR 6 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1746
2.HR 24 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:443