ECLI:NL:RBOVE:2026:1097

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
27 februari 2026
Publicatiedatum
3 maart 2026
Zaaknummer
ak_25_2520
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 7:12 AwbArt. 8:72 AwbArt. 8:106 AwbArt. 17 PW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herziening en terugvordering bijstandsuitkering wegens inlichtingenplicht deels onterecht

Eiseres ontving een bijstandsuitkering en het college herzag deze over de periode 1 juni 2021 tot en met 31 augustus 2024, met terugvordering van €18.896,- en een boete van €570,- wegens vermeende schending van de inlichtingenplicht.

De rechtbank beoordeelde het beroep van eiseres, dat zich richtte op de periode 28 juni 2021 tot en met 29 september 2022, waarin zij bijschrijvingen van haar moeder ontving. Eiseres stelde dat deze bedragen bedoeld waren voor gezamenlijke huishoudkosten en niet als inkomen moesten worden beschouwd.

De rechtbank concludeerde dat de meeste bijschrijvingen terecht niet als middelen werden aangemerkt, mede omdat het college op 27 juli 2021 had ingestemd met deze betalingen voor gezamenlijke kosten. Voor twee hogere bedragen in september 2022 oordeelde de rechtbank dat eiseres de inlichtingenplicht wel had geschonden.

Daarom vernietigde de rechtbank het bestreden besluit en bepaalde dat het college een nieuw besluit moet nemen met een aangepaste berekening. Tevens werd het college veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiseres.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en bepaalt dat het college een nieuw besluit moet nemen met een aangepaste berekening, waarbij de terugvordering en boete deels niet in stand blijven.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Almelo
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/2520

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres], uit [woonplaats], eiseres

(gemachtigde: mr. O. Smits),
en
het college van burgemeester en wethouders van Enschede, verweerder (het college)
(gemachtigde: D. Platter).

Samenvatting

1.1.
Deze uitspraak gaat over herziening en terugvordering van een bijstandsuitkering en het opleggen van een boete. Eiseres is het er niet mee eens dat het college haar bijstandsuitkering over de periode 1 juni 2021 tot en met 31 augustus 2024 heeft herzien, een bedrag van € 18.896,- heeft teruggevorderd en haar een boete van € 570,- heeft opgelegd. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of de herziening en terugvordering van de bijstandsuitkering van eiseres en de opgelegde boete terecht zijn.
1.2.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de herziening, de terugvordering en de boete niet in stand kunnen blijven. Eiseres krijgt deels gelijk en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2.1.
Met een besluit van 28 januari 2025 heeft het college de bijstandsuitkering van eiseres over de periode 1 juni 2021 tot en met 31 augustus 2024 herzien en bij haar de in die periode te veel ontvangen bijstandsuitkering tot een bedrag van € 18.896,- teruggevorderd. Met het besluit van 13 maart 2025 heeft het college aan eiseres een boete van € 570,- opgelegd.
Met het bestreden besluit van 4 september 2025 op het bezwaar van eiseres is het college bij die besluiten gebleven.
2.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 13 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de rechtbank

Feiten
3.1.
Eiseres woont samen met haar moeder. Ze ontvangt sinds 6 december 2011 een bijstandsuitkering naar de norm voor een alleenstaande en gebaseerd op het feit dat zij kosten kan delen met haar moeder.
3.2.
Uit een rechtmatigheidsonderzoek kwam naar voren dat op de bankrekening van eiseres giften worden gestort. Naar aanleiding daarvan heeft het college met een brief van
3 september 2024 gegevens bij eiseres opgevraagd. Eiseres heeft informatie verstrekt. Daarop heeft op 26 september 2024 tijdens een huisbezoek een gesprek met eiseres plaatsgevonden. Daarna heeft het college met brieven van 5, 13 en 19 november 2024 nog meer gegevens bij eiseres opgevraagd. Eiseres heeft deze verstrekt. Daarop hebben twee medewerkers van het college eiseres op 29 november 2024 nogmaals bezocht en met haar gesproken. Op basis van de resultaten van dit onderzoek is de besluitvorming gevolgd, zoals vermeld onder ‘Procesverloop’.
Standpunten van partijen
Standpunt college
4.1.
Het college heeft de bijstandsuitkering van eiseres over de periode 1 juni 2021 tot en met 31 augustus 2024 herzien en bij haar de in die periode te veel ontvangen bijstand tot een bedrag van € 18.896,- teruggevorderd, omdat eiseres de inlichtingenplicht heeft geschonden. Eiseres heeft niet bij het college gemeld dat zij in de periode 28 juni 2021 tot en met
30 augustus 2024 giften van haar familie heeft ontvangen. Het college ziet in wat eiseres heeft aangevoerd geen dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Volgens het college kon eiseres voldoen aan haar inlichtingenplicht en is geen sprake van onzorgvuldigheden in het onderzoek of trage besluitvorming. Het college heeft een belangenafweging gemaakt en daarin ook geen aanleiding gezien de terugvordering te verlagen.
4.2.
Het college heeft aan eiseres vanwege het schenden van de inlichtingenplicht ook een boete van € 570,- opgelegd. Het college vindt deze boete terecht. Het college heeft een belangenafweging gemaakt.
Standpunt eiseres
5. Eiseres stelt zich op het standpunt dat de herziening, de terugvordering en de boete, voor zover ze zien op de periode van 28 juni 2021 tot en met 29 september 2022, niet terecht zijn. Het beroep richt zich niet op de rest van de periode 1 juni 2021 tot en met 31 augustus 2024. Eiseres onderbouwt haar standpunt met de volgende argumenten.
5.1.
In de periode 28 juni 2021 tot en met 29 september 2022 is sprake van bijschrijvingen op de bankrekening van eiseres afkomstig van haar moeder. Het college heeft deze ten onrechte als inkomsten aangemerkt. De moeder van eiseres stortte structureel geld op de bankrekening van eiseres, zodat eiseres voor zichzelf en voor haar moeder alle boodschappen en zaken voor het huishouden kon kopen. Verder betaalde eiseres alle kosten voor de zorg van hun gezamenlijke katten. Moeder stortte daarom de helft van dit bedrag op de bankrekening van eiseres. Volgens eiseres blijkt dit uit de bankafschriften. Eiseres verwijst naar een uitspraak van de rechtbank Noord-Holland. [1]
5.2.
Eiseres wijst erop dat het college andere bedragen die afkomstig waren van haar moeder niet heeft meegenomen in de terugvordering. Zij concludeert hieruit dat ook het college van mening is dat bijschrijvingen van de moeder van eiseres niet moeten worden meegenomen in de terugvordering.
5.3.
Tijdens de zitting heeft eiseres gewezen op een gespreksverslag van 29 november 2024. Daaruit zou kunnen worden afgeleid dat op 27 juli 2021 met medewerkers van het college is besproken dat betalingen van haar moeder geen problemen zouden opleveren.
Toetsingskader
6. De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Herziening en terugvordering
7.1.
De beroepsgronden van eiseres zijn niet gericht tegen de boete. Verder zien de beroepsgronden alleen op de periode 28 juni 2021 tot en met 29 september 2022. De rechtbank zal dan ook beoordelen of de herziening en terugvordering van de bijstandsuitkering van eiseres over die periode terecht zijn.
7.2.
Het college is er in het bestreden besluit vanuit gegaan dat eiseres in de periode
28 juni 2021 tot en met 29 september 2022 giften van haar halfbroer heeft ontvangen. Volgens eiseres ging het niet om geld van haar halfbroer, maar om bedragen die ze van haar moeder kreeg. Tijdens de zitting heeft het college erkend dat deze stelling van eiseres juist is.
7.3.
Dit betekent dat het bestreden besluit is gebaseerd op een onjuiste feitelijke grondslag. Dit leidt ertoe dat het beroep gegrond is en het bestreden besluit vernietigd dient te worden.
7.4.
Vervolgens gaat de rechtbank na of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen blijven. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.
7.5.
Niet meer in geschil is dat eiseres in de periode 28 juni 2021 tot en met
29 september 2022 bijschrijvingen van haar moeder heeft ontvangen, met wie zij kostendeler is. In geschil is of het college deze bijschrijvingen terecht als middelen in aanmerking heeft genomen.
7.6.
Bedragen die contant zijn gestort en bedragen die zijn overgemaakt door derden op een bankrekening van een bijstandontvanger worden in beginsel beschouwd als in aanmerking te nemen middelen in de zin van artikel 31, eerste lid, van de PW. Als deze betalingen een terugkerend of periodiek karakter hebben, door de betrokkene kunnen worden aangewend voor de algemeen noodzakelijke bestaanskosten en zien op een periode waarover een beroep op bijstand wordt gedaan, is ook sprake van inkomsten als bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de PW. Dit is vaste rechtspraak. [2] In deze uitspraak heeft de Centrale Raad van Beroep (CRvB) ook overwogen dat het begrip ‘middelen’ in verband met het aanvullend karakter van de bijstand ruim gedefinieerd is. Tot de middelen worden in beginsel alle inkomens- en vermogensbestanddelen gerekend die kunnen worden gebruikt voor de noodzakelijke kosten van het bestaan. Dit volgt uit artikel 31, eerste lid, van de PW. Bijschrijvingen op een bankrekening vallen daaronder.
7.7.
Het college heeft zich in het verweerschrift en tijdens de zitting op het standpunt gesteld dat ook de bedragen van de moeder van eiseres als in aanmerking te nemen middelen moeten worden beschouwd. Het college heeft gewezen op de omvang van de bedragen, het ontbreken van een administratie en het feit dat eiseres het geld voor zichzelf kon gebruiken.
7.8.
Eiseres heeft tijdens de zitting echter overtuigend toegelicht dat de bedragen die eiseres in de genoemde periode van haar moeder ontving moeten worden beschouwd als bedoeld voor gezamenlijke kosten van de huishouding en dat uit de bankafschriften kan worden opgemaakt dat de meeste bijschrijvingen daarvoor ook zijn gebruikt. Zo blijkt dat de moeder van eiseres op 28 juni 2021 € 350,- heeft overgemaakt voor een wasmachine en dat eiseres kort daarna een aankoop heeft gedaan bij een elektrospeciaalzaak. Ook is op de bankafschriften te zien dat de moeder van eiseres op 27 september 2021 € 424,95 aan eiseres heeft overgemaakt en dat zij op diezelfde dag € 564,82 heeft betaald aan een dierenkliniek. Uit de bankafschriften kan ook worden afgeleid dat eiseres op
18 en 19 november 2021 geld van haar moeder heeft besteed bij een winkel waar laptops e.d. te koop zijn.
7.9.
Bovendien blijkt uit de stukken dat medewerkers van het college op 27 juli 2021 contact hebben gehad met eiseres over bijschrijvingen van haar moeder. Toen heeft het college er bewust mee ingestemd dat dit betalingen zijn van de moeder van eiseres voor gedeelde kosten bij aanschaf van inboedel en zijn ze niet als in aanmerking te nemen middelen beschouwd. Daaruit mocht eiseres afleiden dat het niet nodig was om alle bedragen die zij van haar moeder ontving en die zij gebruikte voor gezamenlijke kosten bij het college te melden.
7.10.
Dit alles leidt de rechtbank tot het oordeel dat eiseres, voor zover het gaat om de meeste bijschrijvingen van haar moeder in de periode 28 juni 2021 tot en met
29 september 2022, de inlichtingenplicht niet heeft geschonden. Gelet op de hoogte van de bedragen in samenhang met het feit dat het geld is gebruikt voor de gezamenlijke huishouding, de verzorging van de katten en de aanschaf van huishoudelijke artikelen hoefde eiseres deze bijschrijvingen niet bij het college te melden. Dit geldt te meer nu eiseres uit de contacten op 27 juli 2021 mocht afleiden dat zij het college niet hoefde te informeren over bedragen die zij van haar moeder ontving voor hun gezamenlijke kosten.
7.11.
Uit de bankafschriften blijkt verder dat de moeder van eiseres op 21 september 2022
€ 900,- en op 29 september 2022 € 1000,- heeft overgemaakt aan eiseres. De rechtbank is van oordeel dat eiseres, voor zover het gaat om deze bedragen, de inlichtingenplicht wel heeft geschonden. Deze bedragen zijn aanmerkelijk hoger dan de andere bedragen, die eiseres van haar moeder heeft ontvangen en eiseres heeft tijdens de zitting erkend dat uit de bankafschriften ook niet blijkt dat die voor gezamenlijke uitgaven zijn gebruikt. Eiseres had het college over de ontvangst van deze bedragen wel moeten informeren en zij heeft dat niet gedaan. In zoverre heeft het college terecht gesteld dat eiseres de op haar rustende inlichtingenplicht heeft geschonden.
7.12.
Slotsom is dat de herziening van de bijstandsuitkering van eiseres over de periode
28 juni 2021 tot en met 29 september 2022, de terugvordering van € 18.896,- en daarmee ook de boete van € 570,- niet in stand kunnen blijven. Het college zal een nadere berekening moeten maken op basis van deze beslissing.

Conclusie en gevolgen

8.1.
Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit betekent dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid en niet goed is gemotiveerd. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen over de herziening, de terugvordering en de boete. Dit omdat het college hiervoor nog nadere berekeningen dient te maken.
8.2.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat het college een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft het college hiervoor zes weken. Deze termijn gaat op grond van artikel 8:106 van Pro de Awb pas lopen als de termijn om hoger beroep in te stellen is verstreken of, als hoger beroep wordt ingesteld, als daarop is beslist.
8.3.
Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten.
Het college moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder is niet gebleken van kosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 4 september 2025;
- draagt het college op binnen zes weken na de dag nadat de termijn om hoger beroep in te stellen ongebruikt is verstreken, of als hoger beroep wordt ingesteld, na de dag nadat daarop is beslist, een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 53,- aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.T. de Kwaasteniet, rechter, in aanwezigheid van
mr. A.A.H. Beenen-Oskam, griffier. Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hoger beroepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels en beleidsregels

Algemene wet bestuursrecht (Awb)
Artikel 3:2 van Pro de Awb bepaalt dat bij de voorbereiding van een besluit het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen moet vergaren.
Artikel 7:12, eerste lid, van de Awb bepaalt dat de beslissing op het bezwaar dient te berusten op een deugdelijke motivering, die bij de bekendmaking van de beslissing wordt vermeld. Daarbij wordt, indien ingevolge artikel 7:3 van Pro het horen is afgezien, tevens aangegeven op welke grond dat is geschied.
Artikel 8:72, vierde lid, van de Awb bepaalt dat de bestuursrechter, indien toepassing van het derde lid niet mogelijk is, het bestuursorgaan kan opdragen een nieuw besluit te nemen of een andere handeling te verrichten met inachtneming van zijn aanwijzingen. Daarbij kan hij:
a. bepalen dat wettelijke voorschriften over de voorbereiding van het nieuwe besluit of de andere handeling geheel of gedeeltelijk buiten toepassing blijven;
b. het bestuursorgaan een termijn stellen voor het nemen van het nieuwe besluit of het verrichten van de andere handeling.
Artikel 8:106, eerste lid, van de Awb bepaalt dat de werking van een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken of, indien hoger beroep is ingesteld, op het hoger beroep is beslist, indien:
a. de uitspraak betreft een besluit als bedoeld in artikel 9 van Pro de bij deze wet behorende Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak, of
b. tegen de uitspraak hoger beroep kan worden ingesteld bij een gerechtshof.
Participatiewet (PW)
Artikel 17, eerste lid, van de PW bepaalt dat de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling moet doen van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand. Deze verplichting geldt niet indien die feiten en omstandigheden door het college kunnen worden vastgesteld op grond van bij wettelijk voorschrift als authentiek aangemerkte gegevens of kunnen worden verkregen uit bij ministeriële regeling aan te wijzen administraties. Bij ministeriële regeling wordt bepaald voor welke gegevens de tweede zin van toepassing is.
Artikel 18a, eerste lid, van de PW bepaalt dat het college een bestuurlijke boete oplegt van ten hoogste het benadelingsbedrag wegens het niet of niet behoorlijk nakomen door de belanghebbende van de verplichting, bedoeld in de artikelen 17, eerste lid, of 36b, vierde lid, of de verplichtingen, bedoeld in artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen. Indien de feiten en omstandigheden, bedoeld in de artikelen 17, eerste lid, of 36b, vierde lid, en artikel 30c, derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen niet of niet behoorlijk zijn medegedeeld of de gegevens en bewijsstukken, bedoeld in artikel 30c, tweede lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen niet of niet behoorlijk zijn verstrekt en deze overtredingen opzettelijk zijn begaan, bedraagt de bestuurlijke boete ten hoogste het bedrag van de vijfde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht. Indien de feiten en omstandigheden, bedoeld in de artikelen 17, eerste lid, of 36b, vierde lid, en artikel 30c, derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen niet of niet behoorlijk zijn medegedeeld of de gegevens en bewijsstukken, bedoeld in artikel 30c, tweede lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen niet of niet behoorlijk zijn verstrekt en deze overtredingen niet opzettelijk zijn begaan, bedraagt de bestuurlijke boete ten hoogste het bedrag van de derde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht.
Artikel 18a, tweede lid, van de PW bepaalt dat in dit artikel onder benadelingsbedrag wordt verstaan het bedrag dat als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in de artikelen 17, eerste lid, of 36b, vierde lid, of de verplichtingen, bedoeld in artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan bijstand of studietoeslag als bedoeld in artikel 36b is ontvangen.
Artikel 18a, zevende lid, van de PW bepaalt dat het college kan afzien van het opleggen van een bestuurlijke boete indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
Artikel 31, eerste lid, van de PW bepaalt dat tot de middelen alle vermogens- en inkomensbestanddelen worden gerekend waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Tot de middelen worden mede gerekend de middelen die ten behoeve van het levensonderhoud van de belanghebbende door een niet in de bijstand begrepen persoon worden ontvangen. In elk geval behoort tot de middelen de ten aanzien van de alleenstaande of het gezin toepasselijke heffingskorting, bedoeld in hoofdstuk 8 van de Wet inkomstenbelasting 2001.
Artikel 31, tweede lid, onderdeel m, van de PW bepaalt dat niet tot de middelen van de belanghebbende worden gerekend giften en andere dan de in onderdeel l bedoelde vergoedingen voor materiële en immateriële schade voorzover deze naar het oordeel van het college uit een oogpunt van bijstandsverlening verantwoord zijn.
Artikel 54, derde lid, van de PW bepaalt dat het college een besluit tot toekenning van bijstand moet herzien of intrekken, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, of artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand. Onverminderd het elders in deze wet bepaalde terzake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van bijstand kan het college een besluit tot toekenning van bijstand herzien of intrekken, indien anderszins de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.
Artikel 58, eerste lid, van de PW bepaalt dat het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend de kosten van bijstand moet terugvorderen voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, of de verplichtingen, bedoeld in artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.
Artikel 58, achtste lid, van de PW bepaalt dat indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn het college kan besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.
Beleidsregels giften en schadevergoedingen Participatiewet gemeente Enschede 2024 (beleidsregels)
Artikel 2, eerste lid, van de Beleidsregels giften en schadevergoedingen Participatiewet gemeente Enschede 2024 (Beleidsregels)bepaalt dat alle giften samen (zowel in geld als in natura) worden vrijgelaten tot € 1.200,00 per uitkering per kalenderjaar. Blijft het totaalbedrag van giften in een kalenderjaar onder de € 1.200,00 dan wordt dat wat overblijft niet meegenomen naar een volgend jaar.
Artikel 2, tweede lid, van de Beleidsregels bepaalt dat ingeval giften in de vorm van geld het vrijlatingsbedrag van € 1.200,00 overstijgen het meerdere als inkomen wordt gekort op de uitkering. Voor zover dit meerdere niet in zijn geheel verrekend kan worden met de maanduitkering wordt het overige deel aan het vermogen toegerekend.
Artikel 5, eerste lid, van de Beleidsregels bepaalt dat zolang het totaalbedrag aan giften in een kalenderjaar per uitkering onder de € 1.200,00 blijft, de belanghebbende de giften niet bij het college hoeft te melden. Zodra het totaalbedrag in een kalenderjaar per uitkering meer dan € 1.200,00 bedraagt, geldt de inlichtingenplicht van artikel 17 van Pro de Participatiewet.

Voetnoten

1.Zie rechtbank Noord-Holland 9 december 2021, ECLI:NL:RBNHO:2021:12667.
2.Zie Centrale Raad van Beroep (CRvB) 14 januari 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:158.