ECLI:NL:RBOVE:2026:1150

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
4 maart 2026
Publicatiedatum
4 maart 2026
Zaaknummer
ak_25_1431
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 WjsgArt. 29 WjsgArt. 30 WjsgArt. 31 WjsgArt. 32 Wjsg
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag Verklaring Omtrent het Gedrag wegens zedenveroordeling voor vrijwilligersfunctie

Eiser heeft op 18 september 2024 een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) aangevraagd voor een vrijwilligersfunctie bij een voetbalvereniging. De staatssecretaris heeft deze aanvraag afgewezen op grond van een onherroepelijke veroordeling van eiser voor feitelijke aanranding van de eerbaarheid, waarbij het verscherpt toetsingskader van toepassing is vanwege de aard van de functie en het contact met minderjarigen.

De rechtbank stelt vast dat de staatssecretaris de aanvraag terecht heeft beoordeeld aan de hand van de beleidsregels VOG-NP-RP 2024 en het verscherpt toetsingskader, dat alleen bij evident disproportionele weigering een VOG kan worden afgegeven. De rechtbank oordeelt dat de staatssecretaris de belangenafweging zorgvuldig heeft gemaakt, waarbij de bescherming van de samenleving zwaarder weegt dan het persoonlijke belang van eiser.

Eiser voerde aan dat de strafoplegging door het gerechtshof en zijn persoonlijke omstandigheden een VOG rechtvaardigen, maar de rechtbank benadrukt dat het bestuursrechtelijk toetsingskader verschilt van het strafrechtelijk oordeel. De rechtbank concludeert dat de weigering van de VOG niet evident disproportioneel is en verklaart het beroep ongegrond.

Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep af en bevestigt de afwijzing van de VOG-aanvraag wegens een onherroepelijke zedenveroordeling en toepassing van het verscherpt toetsingskader.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/1431

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen:

[eiser], uit [woonplaats], eiser, hierna: [eiser]

(gemachtigde: mr. P.A. Groenhuis)
en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder, hierna: de staatssecretaris
(gemachtigde: mr. S. van Wielink).

Samenvatting

Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van [eiser] voor een Verklaring Omtrent het Gedrag (hierna: VOG). [eiser] heeft deze VOG aangevraagd voor de functie van vrijwilliger bij een voetbalvereniging. De staatssecretaris heeft de aanvraag afgewezen omdat [eiser] onherroepelijk is veroordeeld voor een zedenmisdrijf en een verscherpt toetsingskader geldt, zodat een VOG afgewezen moet worden tenzij dat disproportioneel is. Daarvan is volgens de staatssecretaris geen sprake. De rechtbank oordeelt dat de staatssecretaris inderdaad tot die conclusie heeft kunnen komen. Het beroep is daarom ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

1. [eiser] heeft een VOG aangevraagd op 18 september 2024. De staatssecretaris heeft de aanvraag van [eiser] afgewezen met het besluit van 28 november 2024.
1.1.
Met het bestreden besluit van 8 april 2025 op het bezwaar van [eiser] is de staatssecretaris bij deze afwijzing gebleven.
1.2.
[eiser] heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.3.
De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 13 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiser], zijn gemachtigde en de gemachtigde van de staatssecretaris.

Beoordeling door de rechtbank

Aanleiding en achtergrond
2. [eiser] heeft op 18 september 2024 bij de staatssecretaris een VOG aangevraagd voor de functie van vrijwilliger bij de [vereniging]. Op deze functie is het algemene screeningsprofiel met de volgende risicogebieden van toepassing:
- informatie (bevoegdheid hebben tot het raadplegen en/of bewerken van systemen; met
gevoelige/vertrouwelijke informatie omgaan);
- geld (met contante en/of girale gelden en/of (digitale) waardepapieren omgaan);
- personen (belast zijn met de zorg voor minderjarigen).
2.1.
De staatssecretaris heeft de aanvraag van [eiser] getoetst aan de artikelen 28 tot en met 39 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens, het Besluit justitiële en strafvorderlijke gegevens en het beleid dat is neergelegd in de Beleidsregels VOG-NP-RP 2024 [1] (hierna: de beleidsregels).
2.2.
De staatssecretaris heeft gekeken in het Justitieel Documentatie Systeem. Hierin staan over [eiser] justitiële gegevens met betrekking tot een zedendelict geregistreerd. [eiser] is op 17 februari 2023 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld wegens feitelijke aanranding van de eerbaarheid tot een voorwaardelijke taakstraf voor de duur van 40 uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 20 dagen hechtenis, met een proeftijd van 1 jaar. Daarnaast is de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toegewezen.
Het bestreden besluit
3. De staatssecretaris heeft aan de afwijzing van de VOG ten grondslag gelegd dat het verscherpt toetsingskader van toepassing is op [eiser], omdat hij veroordeeld is voor feitelijke aanranding van de eerbaarheid en hij aan het werk wil als vrijwilliger bij de [vereniging], waarbij hij tijdens de werkzaamheden te maken heeft met kwetsbare en/of minderjarige personen die van hem afhankelijk zijn. Bij het verscherpt toetsingskader krijgt iemand alleen een VOG als het weigeren van de aanvraag evident disproportioneel is. Volgens de staatssecretaris is de weigering van een VOG aan [eiser] niet evident disproportioneel. De staatssecretaris heeft hierbij van belang geacht dat [eiser], gelet op de veroordeling van 17 februari 2023, volgens de rechter de lichamelijke integriteit van het slachtoffer heeft geschonden en de grenzen van de wet heeft overschreden en dat het slachtoffer blijkens het arrest nadelige gevolgen heeft ervaren. Ook is betrokken dat een seksueel misdrijf voor onrust in de samenleving zorgt en dat deze onrust erger is en langer duurt dan onrust na andere delicten. De staatssecretaris heeft de bescherming van de samenleving zwaarder laten wegen dan het persoonlijke belang van [eiser]. Naar de mening van de staatssecretaris betekent de omstandigheid dat een voorwaardelijke taakstraf is opgelegd niet dat automatisch sprake moet zijn van een afgifte van een VOG. Een VOG-beoordeling blijft altijd maatwerk, ook in het geval van een lichte straf. Verder heeft de staatssecretaris betrokken dat in dit geval de VOG nodig is voor een hobby. Dit belang is niet voldoende zwaarwegend, afgezet tegen het belang van de samenleving. De staatssecretaris heeft ten slotte, bij beslissing op bezwaar, meegewogen dat opnieuw melding is gedaan bij de politie van seksueel grensoverschrijdend gedrag door [eiser] jegens een vrouw.
De beroepsgronden
4. [eiser] is het niet eens met de weigering van de VOG door de staatssecretaris. Hij stelt zich op het standpunt dat de weigering van zijn VOG onredelijk is en wijst er daartoe voornamelijk op dat het gerechtshof bij de strafoplegging heeft betrokken dat hij de mogelijkheid moet krijgen om zijn toekomstige leven verder vorm te geven en dat de afdoening van de strafzaak een VOG zo min mogelijk in de weg moet staan. Ook moet volgens [eiser] in zijn voordeel meewegen dat uit de strafoplegging door het gerechtshof volgt dat geen sprake is van een ernstig misdrijf dat een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer ten gevolge heeft gehad en dat de opgelegde voorwaardelijke taakstraf een indicatie vormt van de beperkte ernst en strafwaardigheid van het feit. Verder heeft het gerechtshof in de inhoud van het dossier geen aanleiding gevonden om uit te gaan van herhalingsgevaar, was sprake van slechts voorwaardelijk opzet en ontbreekt recidive. Mede gelet op de persoonlijke omstandigheden van [eiser], die behoefte heeft aan structuur en een toekomst in het betaald voetbal overweegt, is weigering van de VOG onredelijk, aldus [eiser].
Overwegingen van de rechtbank
5. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat de staatssecretaris op goede gronden aan de beoordeling van de aanvraag van [eiser] het verscherpte toetsingskader, zoals beschreven in paragraaf 3.1.4.2. van de beleidsregels, ten grondslag heeft gelegd.
6. Uit paragraaf 3.1.4.2. van de beleidsregels volgt dat bij seksuele misdrijven als bedoeld in deze beleidsregels slechts zeer beperkte ruimte bestaat om op basis van het subjectieve criterium alsnog over te gaan tot de afgifte van een VOG wanneer sprake is van een functie met een gezags- of afhankelijkheidsrelatie en een belemmering wordt aangenomen voor een behoorlijke uitoefening van de functie/taak/bezigheid. De VOG kan in deze gevallen enkel worden afgegeven indien de weigering van de VOG evident disproportioneel is. Of de weigering evident disproportioneel is, wordt beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval.
7. Het geschil is aldus beperkt tot de vraag of de staatssecretaris een juiste beoordeling heeft uitgevoerd op basis van dit toetsingskader.
8. De rechtbank overweegt gelet op dit toetsingskader allereerst dat het niet gaat om de vraag of de weigering van de VOG
onredelijkis, maar of de weigering
evident disproportioneelis. Verder hebben de strafrechter en de staatssecretaris verschillende beoordelingskaders [2] . Het al dan niet weigeren van een aanvraag voor een VOG betreft geen strafrechtelijke, maar een bestuursrechtelijke bevoegdheid met een eigen beoordelingskader. Het gerechtshof gaat dus niet over de afgifte van een VOG en heeft daarover ook niet beslist. De staatssecretaris heeft bij zijn beoordeling wel de overwegingen van het gerechtshof meegewogen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de staatssecretaris in de overwegingen van het gerechtshof geen grond hoeven zien voor een andere belangenafweging dan hij heeft gemaakt. De staatsecretaris heeft bij de beoordeling in redelijkheid kunnen betrekken dat [eiser] veroordeeld is voor een seksueel misdrijf en dat een seksueel misdrijf voor onrust in de samenleving zorgt en dat deze onrust erger is en langer duurt dan onrust na andere delicten. De staatsecretaris heeft verder in aanmerking kunnen nemen dat het slachtoffer blijkens het arrest negatieve gevolgen heeft ervaren. [eiser] heeft ter zitting weliswaar betoogd dat het delict niet zo'n invloed heeft gehad op het slachtoffer, maar dit volgt niet uit het arrest van het gerechtshof. In het arrest van het gerechtshof is namelijk juist overwogen dat algemeen bekend is dat slachtoffers van zedenmisdrijven daar nog lange tijd nadelige gevolgen van kunnen ondervinden en dat daar in dit geval ook sprake van is, omdat het slachtoffer een stage in het buitenland heeft moeten afbreken omdat zij met paniekaanvallen te maken kreeg en zij niet meer dezelfde enthousiaste persoon is die zij voorheen was. De staatssecretaris heeft naar het oordeel van de rechtbank in de aangedragen persoonlijke omstandigheden van [eiser] geen aanleiding hoeven zien om, ondanks de risico’s voor de samenleving, toch de gevraagde VOG te verlenen. Hierbij heeft de staatssecretaris van belang kunnen achten dat het om een VOG voor een hobby gaat en dat dit een onvoldoende zwaarwegend belang is, afgezet tegen het belang van de samenleving. Ter zitting heeft [eiser] toegevoegd dat hij zijn activiteiten als vrijwillige voetbaltrainer ook ziet als een stap om in de toekomst mogelijk als betaald trainer aan de slag te gaan. Daarnaast is ter zitting toegelicht dat het bekleden van de functie als voetbaltrainer zal voorkomen dat [eiser] zijn netwerk bij de voetclub kwijtraakt op het moment dat hij te oud wordt om zelf te voetballen. Deze omstandigheden heeft de staatssecretaris niet hoeven betrekken bij het hier bestreden besluit, nu dit ziet op toekomstige onzekere omstandigheden en deze niet eerder naar voren zijn gebracht.
9. Het voorgaande betekent dat niet is gebleken van omstandigheden die de weigering van de VOG voor [eiser] evident disproportioneel maken. De staatssecretaris heeft de VOG kunnen weigeren.
10. De rechtbank merkt nog op dat de staatssecretaris in zijn verweerschrift heeft toegelicht dat de nieuwe melding bij de politie niet de grondslag is van de weigering van de VOG. De rechtbank heeft deze nieuwe melding dan ook buiten beschouwing gelaten bij de beoordeling en acht de weigering van de staatssecretaris ook dan voldoende gemotiveerd.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit van 8 april 2025 in stand blijft en dat [eiser] geen VOG krijgt.
11.1.
Omdat het beroep ongegrond is, krijgt [eiser] het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Rozeboom, rechter, in aanwezigheid van mr. H. Richart, griffier. Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Gepubliceerd in de Staatscourant van 1 juli 2024, nr. 18554.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 13 juli 2022 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, ECLI:NL:RVS:2022:1971.