Eiser vordert dat gedaagde 1 en gedaagde 2 onrechtmatig handelen wordt vastgesteld en zij aansprakelijk worden gesteld voor schade door het faillissement van bedrijf 1. Eiser stelt dat gedaagden het faillissement hebben veroorzaakt om concurrerende activiteiten te ontplooien in een nieuw bedrijf, en dat zij boetes verbeurd zijn wegens overtreding van de aandeelhoudersovereenkomst.
De rechtbank overweegt dat eiser onvoldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld om betalingsonwil, selectieve betaling, onrechtmatige concurrentie of het bewerkstelligen van het faillissement aan te tonen. De bewijslast blijft bij eiser, die geen bijzondere omstandigheden heeft gesteld voor omkering. Gedaagde 1 had geen persoonlijk ernstig verwijt te maken van betalingsonwil of selectieve betaling. Onrechtmatige concurrentie is niet aannemelijk, mede omdat geen non-concurrentiebeding bestond.
Ook de vordering tot boetes wegens overtreding van de aandeelhoudersovereenkomst faalt, omdat eiser onvoldoende onderbouwt dat sprake is van een duurzame samenwerking of dat vertrouwelijke informatie is misbruikt. Gedaagde 2 is geen partij bij de aandeelhoudersovereenkomst en kan niet aansprakelijk worden gehouden.
De rechtbank wijst alle vorderingen af en veroordeelt eiser in de proceskosten. Het vonnis is gewezen door mr. drs. A.M. van Diggele en op 14 januari 2026 in het openbaar uitgesproken.