Belanghebbende, eigenaar van een woonzorgcomplex in aanbouw bestaande uit 105 appartementen en gemeenschappelijke ruimtes, maakte bezwaar tegen de door de heffingsambtenaar opgelegde OZB-aanslag die was gebaseerd op het niet-woningtarief.
De rechtbank beoordeelde dat volgens de geldende rechtspraak en artikel 220a, tweede lid, van de Gemeentewet een onroerende zaak als woning moet worden aangemerkt indien ten minste 70% van de waarde kan worden toegerekend aan woondoeleinden. De heffingsambtenaar erkende dat dit bij het woonzorgcomplex het geval was.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde de uitspraak op bezwaar en paste met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht zelf het tarief aan naar dat van een woning. Tevens werd de heffingsambtenaar veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan belanghebbende.
De uitspraak bevestigt dat woningen in aanbouw als woning moeten worden belast en benadrukt het belang van correcte waardetoerekening bij de OZB-heffing.