Belanghebbende exploiteert een woonzorgcentrum met drie verdiepingen, bestaande uit eenpersoonskamers en gezamenlijke woonkamers met keukens, bestemd voor dementerende ouderen die er duurzaam verblijven. De heffingsambtenaar legde aanslagen onroerendezaakbelasting (OZB) op als niet-woning, omdat hij oordeelde dat het woonzorgcentrum niet in hoofdzaak tot woning dient.
Het geschil spitste zich toe op de vraag of de gezamenlijke woonkamers en keukens tot woning dienen. Het Hof nam het geschiktheidscriterium als maatstaf en oordeelde dat deze ruimten, gezien hun inrichting en voorzieningen, geschikt zijn om duurzaam voor menselijke bewoning te dienen en daarmee tot woning behoren.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwierp het middel dat stelde dat het bestemmingscriterium moest worden toegepast. De Hoge Raad benadrukte dat voor de OZB-heffing het geschiktheidscriterium geldt en dat het feitelijke gebruik minder relevant is. Het beroep in cassatie werd ongegrond verklaard en het College van B&W Dordrecht werd veroordeeld tot betaling van de proceskosten.