ECLI:NL:RBOVE:2026:1266

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
10 maart 2026
Publicatiedatum
10 maart 2026
Zaaknummer
11837084 \ CV EXPL 25-2400
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:230m BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betalingsovereenkomst regiebasis schilderwerk met gedeeltelijke vernietiging wegens informatieplichtschending

Eiser, een schilderbedrijf, en gedaagden sloten een overeenkomst voor schilderwerkzaamheden op regiebasis. Eiser factureerde €5.718,14 voor 84 gewerkte uren en materiaalkosten, maar gedaagden betaalden niet en betwistten het aantal uren en de kosten.

De kantonrechter oordeelde dat eiser onvoldoende specificaties over de uren had verstrekt en dat eiser de consument niet correct had geïnformeerd over de prijsopbouw, in strijd met artikel 6:230m BW. Daarom werd de betalingsverplichting voor de uren met 20% verminderd.

Verder werd vastgesteld dat het uurtarief €52 inclusief btw was en dat materiaalkosten niet inbegrepen waren. Het aantal uren werd vastgesteld op 64, waarbij rekening werd gehouden met beide vennoten die werkzaamheden verrichtten. Gedaagden werden veroordeeld tot betaling van €3.619,42 plus incassokosten en wettelijke rente. Proceskosten werden eveneens aan eiser toegewezen.

Uitkomst: Gedaagden worden veroordeeld tot betaling van €3.619,42 plus incassokosten, wettelijke rente en proceskosten met gedeeltelijke vermindering van de betalingsverplichting wegens schending informatieplicht.

Uitspraak

RECHTBANKOVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Enschede
Zaaknummer: 11837084 \ CV EXPL 25-2400
Vonnis van 10 maart 2026
in de zaak van
de vennootschap onder firma,
[eiser],
gevestigd te [vestigingsplaats],
eisende partij, hierna te noemen: [eiser],
gemachtigde: mr. L.M. Scherphof,
tegen

1.[gedaagde 1],

2.
[gedaagde 2],
beiden wonende te [woonplaats],
gedaagde partijen, hierna samen in enkelvoud te noemen: [gedaagden],
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding;
- de conclusie van antwoord;
- de mondelinge behandeling van 16 januari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De zaak in het kort

[eiser] en [gedaagden] hebben een overeenkomst gesloten, waarbij is afgesproken dat [eiser] op regiebasis (schilder)werkzaamheden voor [gedaagden] uitvoert. [eiser] heeft werkzaamheden verricht en vervolgens een factuur aan [gedaagden] gestuurd. [gedaagden] heeft de factuur niet betaald. De kantonrechter komt tot de conclusie dat [gedaagden] een bedrag van € 3.619,42 met bijkomende kosten aan [eiser] moet betalen. Er is namelijk voldoende vast komen te staan dat [eiser] 64 uren in de woning van [gedaagden] heeft gewerkt. [gedaagden] moet naast de gewerkte uren, ook de materiaalkosten betalen.

3.De feiten

3.1.
[eiser] is een schilderbedrijf dat gedreven wordt door twee vennoten, vader en zoon [naam]. De werkzaamheden worden door hen samen uitgevoerd.
3.2.
Op 23 januari 2025 hebben [naam] senior en [gedaagden] een overeenkomst gesloten, waarbij werd afgesproken dat op regiebasis (schilder)werkzaamheden voor [gedaagden] zullen worden uitgevoerd.
3.3.
Nadat [eiser] de schilderwerkzaamheden heeft uitgevoerd, heeft zij een factuur ter hoogte van € 5.718,14 aan [gedaagden] gestuurd:
[Afbeelding]
3.4.
[gedaagden] heeft deze factuur niet betaald en heeft onder meer het volgende laten weten in zijn e-mail van 24 juni 2025:
‘(…) Zoals nu meerdere malen aangegeven blijven wij bij ons verhaal en dan kan meneer [naam] mooi een eigen verhaal er van maken maar nogmaals ze zijn in totaal 40 uur bij ons geweest en niet 80 uur en er is niks afgesproken per persoon want hier waren we uiteraard niet akkoord mee gegaan! De heer [naam] Heeft het in de 40 uur werkzaamheden die hij bij ons heeft gewerkt hier ook niks van besproken of geuit of duidelijk gemaakt! (…)’

4.Het geschil

De vordering
4.1.
[eiser] vordert - samengevat – veroordeling van [gedaagden] tot betaling van een bedrag van € 5.718,14, vermeerderd met wettelijke rente en veroordeling van [gedaagden] tot betaling van de incassokosten van € 660,92 en de proceskosten.
4.2.
[eiser] legt aan het gevorderde ten grondslag dat partijen zijn overeengekomen dat [eiser] op basis van regie (schilder)werkzaamheden uitvoert waarvoor [eiser] uiteindelijk een bedrag van € 5.718,14 heeft gefactureerd. Partijen zijn daarbij overeengekomen dat een uurtarief zou gelden van € 52,00 exclusief btw. [eiser] heeft 84 [1] uren werkzaamheden in de woning verricht. Ook moet [gedaagden] naast de gewerkte uren de materialen betalen.
Het verweer
4.3.
[gedaagden] betwist dat [eiser] in totaal 82 c.q. 84 uren heeft gewerkt; volgens [gedaagden] is er slechts zo’n 26 uur in de woning gewerkt. Ook heeft [gedaagden] geen toestemming gegeven voor het inschakelen van een tweede medewerker van [eiser]. Het overeengekomen uurtarief zou inclusief btw en inclusief materiaalkosten zijn.

5.De beoordeling

5.1.
De kantonrechter moet in deze zaak beoordelen in hoeverre [gedaagden] de factuur van [eiser] van 4 maart 2025 moet betalen. Partijen hebben ervoor gekozen om een overeenkomst te sluiten zonder afspraken op papier te zetten. Dit betekent dat de kantonrechter een beslissing moet nemen op grond van de verklaringen van partijen en de schriftelijke communicatie die partijen achteraf over en weer hebben gevoerd. Daarbij geldt dat – nu [eiser] betaling vordert van verrichte werkzaamheden– zij voldoende moet stellen en bij betwisting moet onderbouwen, welke afspraken zijn gemaakt.
Ambtshalve toetsing
5.2.
De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 12 november 2021 overwogen dat (1) de rechter in zaken met consumenten ambtshalve moet onderzoeken of aan bepaalde essentiële informatieplichten is voldaan en (2) dat de rechter een sanctie moet toepassen als sprake is van een voldoende ernstige schending van deze informatieplichten. [2]
5.3.
In deze zaak gaat het over de betaling van een factuur door [gedaagden] als consument. De kantonrechter stelt vast dat partijen de overeenkomst van opdracht buiten de verkoopruimte in gelijktijdige persoonlijke aanwezigheid hebben gesloten, waardoor [eiser] moet voldoen aan de (pre)contractuele informatieplichten van artikel 6:230m Burgerlijk Wetboek (BW).
5.4.
Op grond van genoemd artikel dient de ondernemer de consument te informeren over de manier waarop de totaalprijs van de te verrichten dienst tot stand komt. Het moet voor de consument kort gezegd duidelijk zijn welke kosten hij in totaal ongeveer kan verwachten. Hoewel [gedaagden] aanvoert dat [eiser] een richtprijs van € 2.500,00 tot € 3.000,00 zou hebben gegeven, wordt dit door [eiser] betwist en is ook nergens uit gebleken dat er een richtprijs is gegeven. Nu [eiser] zelf stelt dat zij geen richtprijs heeft afgegeven, komt de kantonrechter dan ook tot de conclusie dat [eiser] één van de informatieplichten van artikel 6:230m BW heeft geschonden.
5.5.
Gelet op het vorenstaande dient de kantonrechter een sanctie toe te passen die voldoende doeltreffend en afschrikwekkend is. De kantonrechter zal daarom op grond van de hiervoor vastgestelde schending de overeenkomst met toepassing van de Richtlijn Sanctiemodel informatieplichten gedeeltelijk vernietigen in die zin dat de betalingsverplichting voor de consument voor wat betreft de gewerkte uren wordt verminderd met 20%.
Uurtarief inclusief btw of exclusief btw
5.6.
Partijen zijn verdeeld over de vraag of het overeengekomen uurtarief voor uitvoering van de werkzaamheden op regiebasis ter hoogte van € 52,00 per uur, een prijs is inclusief of exclusief btw. Volgens [eiser] zijn partijen een uurtarief van € 52,00 exclusief btw overeengekomen. [gedaagden] voert op zijn beurt aan dat er een uurtarief van € 52,00 inclusief btw is overeengekomen.
5.7.
Op grond van de wet dient een ondernemer de consument altijd te informeren over zijn uurtarief inclusief btw. Ook dit volgt uit artikel 6:230m BW waarin is geregeld welke informatie de ondernemer aan de consument dient te geven en waarin is bepaald dat het gaat om de prijs met inbegrip van alle belastingen. Dit betekent dat hierna zal worden uitgegaan van een uurtarief van € 52,00 inclusief btw.
Materiaalkosten
5.8.
Partijen zijn ook verdeeld over de vraag of in het overeengekomen uurtarief de materiaalkosten zijn inbegrepen. [gedaagden] stelt dat dit wel het geval is, terwijl [eiser] zich op het standpunt stelt dat de materiaalkosten geen onderdeel zijn van het afgesproken uurtarief.
5.9.
De kantonrechter is het eens met de stelling van [eiser] dat het afspreken van een uurtarief inclusief materiaalkosten zeer ongebruikelijk is bij een regie-overeenkomst. Dat deze afspraak tussen partijen zou zijn gemaakt, is nergens uit gebleken. Ook is niet gebleken dat [gedaagden] eerder dan op 19 juni 2025 het standpunt heeft ingenomen dat de materiaalkosten zijn inbegrepen in het uurtarief, terwijl de factuur van 4 maart 2025 is en partijen al veel eerder discussieerden over de hoogte van de factuur. Omdat sprake is van een ongebruikelijke afspraak, ligt het in dit geval op de weg van [gedaagden] om zijn stelling nader te onderbouwen. [gedaagden] heeft zijn stelling onvoldoende onderbouwd en wordt deze gepasseerd. Daarom moet [gedaagden] de materiaalkosten van € 957,02 inclusief btw betalen.
Het aantal gewerkte uren
5.10.
Partijen hebben ook een geschil over het aantal door [eiser] in rekening gebrachte uren. [eiser] stelt dat er in totaal 84 uren in de woning van [gedaagden] is gewerkt. Deze werkzaamheden zijn verricht door beide vennoten van [eiser]. [eiser] stelt dat één van de vennoten op maandag in de tweede week van februari is gestart met de werkzaamheden en de rest van de week hebben beide vennoten samen werkzaamheden verricht. Ook hebben beide vennoten de maandag in de derde week van februari nog enkele uren werk verricht.
5.11.
[gedaagden] betwist dat [eiser] 84 uren in de woning heeft gewerkt; er is door [eiser] slechts zo’n 26 uur in de woning gewerkt. Volgens [gedaagden] hoeft hij de uren die de tweede vennoot in de woning heeft gewerkt niet te betalen; er is namelijk niet afgesproken dat er twee personen werkzaamheden zouden verrichten.
5.12.
De kantonrechter overweegt dat bij een regie-overeenkomst de opdrachtnemer inzichtelijk dient te maken welke kosten zijn gemaakt. [eiser] heeft in de factuur, naast de gebruikte materialen en de daarbij behorende prijs, enkel het aantal uren vermeld dat is gewerkt, te weten 84 uren. Uit de correspondentie die vervolgens volgt, blijkt dat partijen het niet eens zijn over de in rekening gebrachte uren. Het had in ieder geval op dat moment op de weg van [eiser] gelegen om haar urenbonnen aan [gedaagden] over te leggen en deze ook in de procedure in te brengen. [eiser] heeft tijdens de mondelinge behandeling meegedeeld dat ‘ze in principe iedere dag bijhouden, maar dat de uren niet naar de klant zijn gespecificeerd’, maar niet valt in te zien waarom deze specificatie dan niet door [eiser], die met een professionele gemachtigde procedeert, is overgelegd. De omstandigheid dat [gedaagden] in het e-mailbericht van 17 juni 2025 heeft vermeld dat [eiser] 40 uren heeft gewerkt bij hem, is daartoe, gelet op verdere discussie, niet afdoende. Het is immers [eiser] als opdrachtnemer die de redelijkheid van de prijs bij een regie-overeenkomst dient te onderbouwen.
5.13.
De kantonrechter zal op basis van de ingebrachte stukken en het verhandelde tijdens de mondelinge behandeling het aantal gewerkte uren als volgt vaststellen.
De hiervoor al genoemde vermelding in het emailbericht van 17 juni 2025 wordt als uitgangspunt genomen en op basis hiervan gaat de kantonrechter er vanuit dat in ieder geval één vennoot van [eiser] gedurende 40 uren heeft gewerkt bij [gedaagden] Uit de mededelingen van partijen blijkt verder dat de andere vennoot pas op de tweede werkdag is meegekomen. Verder is voldoende aannemelijk geworden dat de maandag van de tweede week de salontafels zijn afgelakt. Dat deze daarvoor licht geschuurd dienen te worden, hoort daarbij. Het ligt niet in de rede dat daaraan met twee personen is gewerkt. Ten aanzien van het halen van materialen dat volgens [eiser] gebeurd is in de periodes dat [eiser] volgens [gedaagden] tussendoor langere tijd van het werk afwezig is geweest, is de kantonrechter van oordeel dat ook deze werkzaamheden niet met twee personen hoeft te gebeuren. Dat kan in ieder geval niet als zodanig in rekening worden gebracht. Dit betekent dat naast de 40 gewerkte uren voor de ene vennoot nog een aantal van (4 dagen x 6 uren per dag =) 24 gewerkte uren voor de andere vennoot redelijk wordt geacht. De kantonrechter gaat niet mee in de stelling van [gedaagden] dat slechts van één schilder de uren in rekening kunnen worden gebracht: partijen hebben een uurtarief afgesproken zodat, als slechts één van de vennoten alle werkzaamheden had moeten uitvoeren, de werkzaamheden meer dagen in beslag zouden hebben genomen.
5.14.
Het voorgaande betekent dat [eiser] voor het aantal gewerkte uren € 52,00 inclusief btw keer 64 uren in rekening mocht brengen, ofwel in totaal € 3.328,00. Vanwege de hiervoor onder rechtsoverweging 5.5. vermelde vermindering zal een bedrag van € 2.662,40 voor de gewerkte uren worden toegewezen.
Conclusie hoofdsom
5.15.
[gedaagden] moet dus een bedrag van € 2.662,40 + € 957,02 = € 3.619,42 inclusief btw betalen.
Wettelijke rente en incassokosten
5.16.
[eiser] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat er incassowerkzaamheden zijn verricht. De incassokosten worden conform het BIK-besluit gematigd tot een bedrag van € 486,94, passend bij de toegewezen hoofdsom.
5.17.
[gedaagden] had de hoofdsom conform de 14-dagenbrief uiterlijk op 2 juli 2025 moeten betalen. Nu [gedaagden] de hoofdsom niet tijdig heeft betaald, zal de kantonrechter de gevorderde wettelijke rente vanaf 3 juli 2025 over de toegewezen hoofdsom toewijzen.
Proceskosten
5.18.
[gedaagden] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen passend bij de toegewezen hoofdsom. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
147,77
- griffierecht
514,00
- salaris gemachtigde
576,00
(2 punten × € 288,00)
- nakosten
144,00
Totaal
1.381,77

6.De beslissing

De kantonrechter:
6.1.
veroordeelt [gedaagden] tot betaling van een bedrag van € 4.106,36 (de hoofdsom en incassokosten) aan [eiser], vermeerderd met de wettelijke rente over € 3.619,42 vanaf 3 juli 2025 tot de dag van algehele betaling;
6.2.
veroordeelt [gedaagden] in de proceskosten van € 1.381,77, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [gedaagden] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [gedaagden] ook de kosten van betekening betalen;
6.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.M.S. Kuipers en in het openbaar uitgesproken op
10 maart 2026.

Voetnoten

1.In de factuur worden 84 uren vermeld, in de dagvaarding 82. Het laatstgenoemde aantal uren is een vergissing, zo is tijdens de mondelinge behandeling meegedeeld.
2.HR 12 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1677.