ECLI:NL:RBOVE:2026:157

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
16 januari 2026
Publicatiedatum
15 januari 2026
Zaaknummer
ak_25_1759
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14 EVRMArt. 1 Twaalfde Protocol EVRMArt. 26 Internationaal Verdrag inzake Burgerlijke en politieke rechtenArt. 9 AOW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep op toekenning AOW-pensioen voor gehuwden ondanks gelijkheidsbeginsel

Eiser, gehuwd en woonachtig met zijn echtgenote die de AOW-leeftijd nog niet heeft bereikt, maakte bezwaar tegen de toekenning van een AOW-pensioen voor gehuwden door de SVB. Hij stelde dat hem een ongehuwdenpensioen moest worden toegekend omdat hij alle lasten alleen draagt en zijn echtgenote geen inkomen heeft.

De rechtbank stelde vast dat eiser onder bewind is gesteld en ondanks het ontbreken van instemming van de bewindvoerder, het beroep ontvankelijk is omdat het griffierecht is betaald en de bewindvoerder het bewind wil opheffen. De rechtbank beoordeelde vervolgens de toekenning van het gehuwdenpensioen aan de hand van de AOW-wetgeving.

De rechtbank oordeelde dat de SVB terecht het gehuwdenpensioen heeft toegekend omdat eiser gehuwd is en niet duurzaam gescheiden leeft. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalde omdat het onderscheid tussen gehuwden en ongehuwden een objectieve en redelijke rechtvaardiging kent, namelijk het kostenvoordeel van samenwonen. Ook het vervallen van de partnertoeslag voor nieuwe gevallen na 2015 en het ontbreken van inkomen bij de echtgenote rechtvaardigen de toekenning.

De rechtbank concludeerde dat het bestreden besluit in stand blijft en verklaarde het beroep ongegrond. Er is geen aanleiding tot vergoeding van proceskosten of terugbetaling van griffierecht.

Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de toekenning van een AOW-pensioen voor gehuwden is ongegrond verklaard en het besluit van de SVB blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Almelo
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/1759

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], eiser,

en

de Raad van Bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (SVB),

gemachtigde: mr. E.M. Mulder.

Procesverloop

1.1
Bij besluit van 11 februari 2025 heeft de SVB eiser meegedeeld dat hij met ingang van 24 januari 2025 op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) een pensioen voor gehuwden ontvangt.
1.2
Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 25 juni 2025 op het bezwaar van eiser is de SVB bij dit besluit gebleven.
1.3
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De SVB heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4
De rechtbank heeft het beroep op 15 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft eiser deelgenomen. De SVB is met berichtgeving niet verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

Bewindvoering
2.1
De rechtbank heeft vastgesteld dat eiser onder bewind is gesteld. Als bewindvoerder is aangesteld [naam 1], h.o.d.n. Profez JeWeVe. De rechtbank heeft de bewindvoerder op 29 september 2025 verzocht mee te delen of hij instemt met het door eiser ingestelde beroep en of hij betrokken wil worden bij de beroepsprocedure. De bewindvoerder heeft op 3 oktober 2025 meegedeeld dat hij niet instemt met het door eiser ingestelde beroep, omdat hij het niet eens is met de inhoud van het verzoek. Hij heeft al enkele maanden geen contact meer met eiser en heeft de kantonrechter verzocht het bewind op te heffen.
2.2
De rechtbank ziet ondanks de berichtgeving van de bewindvoerder aanleiding eiser te ontvangen in zijn beroep. Daartoe overweegt de rechtbank dat het griffierecht is betaald, zodat moet worden aangenomen dat de bewindvoerder in zoverre met deze procedure heeft ingestemd. Daarnaast heeft de bewindvoerder onlangs blijkbaar aanleiding gezien de kantonrechter te verzoeken het bewind op te heffen. Gelet hierop ziet de rechtbank geen aanleiding eiser de toegang tot de rechter de ontzeggen.
De AOW-uitkering
3. De rechtbank beoordeelt of de SVB eiser met ingang van 24 januari 2025 terecht op grond van de AOW een gehuwdenpensioen heeft toegekend. Zij doet dat aan de hand van wat eiser in beroep heeft aangevoerd, de zogenoemde beroepsgronden.
4. Eiser stelt dat hem een ongehuwdenpensioen moet worden toegekend, omdat op hem dezelfde situatie van toepassing is als voor een alleenstaande. Eiser draagt alle lasten alleen, aangezien zijn echtgenote niet werkt. Eiser wil dan ook gelijk worden behandeld. Eiser heeft aangegeven dat de SVB het eigenlijk met hem eens was, maar niet anders kon beslissen, omdat de SVB was gebonden aan de opgestelde wet en er geen precedent door hen kon worden gegeven. Die mogelijkheid de overheid terug te verwijzen naar de tekentafel ligt bij de rechtbank en niet bij de SVB.
5. Uit de gedingstukken blijkt dat eiser, geboren op 24 januari 1958, sinds 10 september 2003 gehuwd is met I. dos Santos Barata, geboren op 8 oktober 1970. Zij heeft de AOW-leeftijd dus nog niet bereikt. Eiser heeft verklaard dat hij met zijn huwelijkspartner in één huis woont en dat zij ook als gehuwden samenleven.
6. De rechtbank stelt vast dat de SVB eiser in overeenstemming met de bepalingen van de AOW een AOW-pensioen voor een gehuwde heeft toegekend. Eiser is immers gehuwd en leeft niet duurzaam gescheiden van zijn echtgenote. Dit is in de wetgeving dwingend bepaald.
Het gelijkheidsbeginsel
7. Eiser heeft een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel. Hij betwist het onderscheid tussen gehuwden en ongehuwden. Dit slaagt niet. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.
7.1
Het gelijkheidsbeginsel dat is neergelegd in onder meer artikel 14 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 1 van Pro het Twaalfde Protocol bij het EVRM en in artikel 26 van Pro het Internationaal Verdrag inzake Burgerlijke en politieke rechten houdt in dat gelijke gevallen gelijk moeten worden behandeld.
7.2
Zo al kan worden aangenomen dat sprake is van ongelijke behandeling van vergelijkbare gevallen, dan bestaat in dit geval voor het gemaakte onderscheid een objectieve en redelijke rechtvaardiging. [1] Daarvoor is het volgende redengevend.
7.3
Bij de invoering van de AOW is de hoogte van het ouderdomspensioen voor gehuwden en ongehuwden punt van aandacht geweest. Gesteld is dat de AOW slechts een bodem beoogt te verschaffen voor de oudedagsvoorziening. Daarbij is overwogen dat de kosten van levensonderhoud van een echtpaar geringer zijn dan die van twee ongehuwden. In verband daarmee is het aan een gezin toekomend ouderdomspensioen lager gesteld dan het dubbele van het basispensioen. [2] Bij wijziging van de AOW is dit uitgangspunt herhaald: “Bij de hoogte van de uitkering wordt, anders dan bij een geïndividualiseerd systeem, rekening gehouden met de besparende werking van het gezamenlijk voeren van een huishouding ten opzichte van het voeren van een eenpersoonshuishouding”. [3] De wetgever heeft aan gehuwden een bodemvoorziening willen bieden waarmee zij, gegeven het kostenvoordeel bij verondersteld samenwonen, konden worden geacht in hun levensonderhoud te voorzien. Het onderscheid tussen de categorieën is dus gelegen in het kostenvoordeel van het samenwonen, dat destijds nauw samenhing met het al dan niet gehuwd zijn. Dat strookt met het feit dat de gehuwdennorm thans ook geldt voor ongehuwd samenwonenden en dat de ongehuwdennorm ook geldt voor gehuwden die duurzaam gescheiden leven. Niet gezegd kan worden dat het doel dat de wetgever met dit onderscheid voor ogen stond niet gerechtvaardigd is en dat het middel niet passend en noodzakelijk is. Het onderscheid tussen gehuwden en ongehuwden is een geschikt middel om rekening te houden met de kostenvoordelen.
De partnertoeslag
8. Dat eiser door zijn pensioengerechtigde leeftijd, die na 1 januari 2015 ligt, niet in aanmerking komt voor de partnertoeslag én dat de echtgenote van eiser geen inkomen heeft, maakt het vorenstaande niet anders. Met betrekking tot dit punt wordt als volgt overwogen.
8.1
In de periode tot 2015 ondervonden gehuwden slechts beperkte gevolgen van de 50% norm. Zo lang slechts een van de partners pensioengerechtigd was en de andere nog niet, kon naast het ouderdomspensioen van 50% een – inkomens getoetste – partnertoeslag worden toegekend van maximaal 50%. De echtgenote van eiser is jonger dan eiser. Gedurende de periode dat zij de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt kan eiser, anders dan voorheen, niet meer in aanmerking komen voor een partnertoeslag, die voorheen het ouderdomspensioen kon aanvullen tot 100%.
8.2
Met betrekking tot de partnertoeslag en het vervallen daarvan voor “nieuwe gevallen” na 1 januari 2015 heeft de Centrale Raad van Beroep in zijn uitspraak van 24 juli 2015 ECLI:NL:CRVB:2015:2597, het volgende overwogen:
“De AOW zoals die in 1957 in werking trad, was voor gehuwden gebaseerd op het kostwinnersprincipe. Echtgenoten van kostwinners waren, indien zij in Nederland woonden, in de regel van rechtswege verzekerd voor de AOW, maar betaalden – als ze geen premieplichtige arbeid verrichtten of andere inkomsten hadden – geen premies. Zolang een huwelijk duurde kwamen de rechten van beide echtgenoten tot uitbetaling via een pensioentoekenning aan de kostwinner. De kostwinner was in de regel een man, zodat het kostwinnersprincipe leidde tot indirect onderscheid naar geslacht. In de loop van de tijd won de gedachte veld dat dit onderscheid niet (meer) gerechtvaardigd was. Daarom, en om te voldoen aan Richtlijn nr. 79/7/EEG, is bij Wet van 6 december 1984 (Stb. 622) per 1 april 1985 in de AOW een stelsel opgenomen dat voorziet in een individueel ouderdomspensioen voor iedere gehuwde pensioengerechtigde van ten hoogste 50% van het nettominimumloon. Gehuwde pensioengerechtigden met een partner die de pensioengerechtigde leeftijd nog niet hadden bereikt, kregen daarnaast recht op een partnertoeslag die ten hoogste gelijk is aan 50% van nettominimumloon en waarop een korting in mindering wordt gebracht indien het inkomen van de jongere partner daartoe aanleiding geeft. Bij Wet van 21 december 1995 (Stb. 1995, 696) is in artikel 8 van Pro de AOW opgenomen dat de mogelijkheid om in aanmerking te komen voor een partnertoeslag geheel vervalt voor ‘nieuwe’ gevallen: pensioengerechtigden met een jongere partner die na 31 december 2014 recht krijgen op een ouderdomspensioen. Als rechtvaardiging voor dit onderscheid naar geboortecohort is de voortschrijdende individualisering aangevoerd en het gegeven dat voor jongere generaties het aanvullend pensioen in betekenis toeneemt. [4]
8.3
De gronden van eiser richten zich niet primair tegen het vervallen van de partnertoeslag. Hij wijst er wel op dat zijn echtgenote geen inkomsten heeft. Met betrekking tot dit punt wordt als volgt overwogen. Dat in het ouderdomspensioen van eiser geen rekening wordt gehouden met het ontbreken van een inkomen van zijn echtgenote is een uitvloeisel van de in 8.2 weergegeven, in de vorige eeuw gemaakte, keuze het recht op ouderdomspensioen te individualiseren. De voortschrijdende individualisering van het ouderdomspensioen met ingang van 1 januari 2015 doet niet af aan de conclusie dat het doel van artikel 9 van Pro de AOW – rekening houden met kostenvoordelen – gerechtvaardigd is en dat het middel – onderscheid tussen gehuwden en personen met een gezamenlijke huishouding enerzijds en ongehuwden en duurzaam gescheiden levenden anderzijds – passend en noodzakelijk is. Dat de echtgenote van eiser geen inkomen heeft, doet hier niet aan af omdat de jongere partner wordt geacht voor zijn of haar eigen inkomen te zorgen. Voor de situatie dat er niet voor is gekozen of de mogelijkheid ontbrak om maatregelen te nemen met het oog op het in de toekomst vervallen van de partnertoets – in dit geval met het oog op de periode gelegen tussen het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd door eiser en het ontstaan van een eigen ouderdomspensioen voor zijn echtgenote – is de Aanvullende Inkomensvoorziening Ouderen (AIO) in het leven geroepen.
8.4
Met betrekking tot het feit dat de individualisering in de AOW niet zo ver is doorgevoerd dat de leefsituatie ten tijde van het ontvangen van de uitkering geen invloed heeft op de uitkering, wordt gewezen op het arrest [naam 2]. Artikel 14 van Pro het EVRM vereist niet dat zodanig uitgewerkte regelingen worden getroffen dat voor de toepassing van elke afzonderlijke regeling elke onevenwichtigheid in elke denkbare situatie wordt voorkomen. [5] Hieruit kan worden afgeleid dat het de wetgever vrij staat een tussenweg te zoeken tussen de uitgangspunten van individualisering en kostenvoordelen.

Conclusie en gevolgen

9. Uit 3 tot en met 8.4 volgt dat de SVB eiser met ingang van 24 januari 2025 terecht op grond van de AOW een gehuwdenpensioen heeft toegekend.
10. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
11. Omdat het beroep ongegrond is, is er geen aanleiding om het UWV te veroordelen tot vergoeding van proceskosten. Ook krijgt eiser het griffierecht niet terug.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Koster, rechter, in aanwezigheid van W. Veldman, griffier. Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hoger beroepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vergelijk de uitspraak van 1 februari 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:345.
2.Kamerstukken II 1954/55, 4009, nr 3, blz. 31.
3.Kamerstukken II 1991/92, 22 772, nr 3, blz. 4.
4.Kamerstukken II 1994/95, 24 258, nr 3, blz. 9 en 10.
5.Zie de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2016:1070 en het arrest van het EHRM van 16 maart 2010, [naam 2], nr. 42184/05, par. 62.