ECLI:NL:CRVB:2015:2597
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.M. van der Kade
- T.L. de Vries
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Bevestiging toepassing artikel 12 AOW en korting partnertoeslag niet in strijd met Unierecht en EVRM
Appellant, geboren in 1942, verhuisde in 2003 met zijn echtgenote naar België en ontving een AOW-pensioen met partnertoeslag. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) paste vanaf augustus 2011 een korting toe op de partnertoeslag op grond van artikel 12 AOW Pro, vanwege het gezamenlijke inkomen van appellant en zijn echtgenote. Appellant maakte bezwaar tegen deze korting en voerde aan dat toepassing van artikel 12 AOW Pro in zijn situatie in strijd is met het Unierecht en het recht op bescherming van eigendom volgens artikel 1 Eerste Pro Protocol EVRM.
De Raad oordeelde dat de korting op de partnertoeslag wettelijk is voorzien en niet leidt tot verboden onderscheid op grond van geslacht of leeftijd. De regeling is gerechtvaardigd vanuit legitieme sociale beleidsdoelen, waaronder het waarborgen van de houdbaarheid van het AOW-stelsel. Verder is vastgesteld dat de inmenging in het eigendomsrecht proportioneel is en geen onevenredige last voor appellant vormt.
Appellants verzoek om prejudiciële vragen aan het HvJEU werd afgewezen omdat de uitleg van het Unierecht evident is. Ook werden zijn wrakingsverzoeken tegen de rechters afgewezen. De Raad bevestigde de eerdere uitspraak van de rechtbank Amsterdam en verklaarde het hoger beroep ongegrond, zonder toewijzing van proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de korting op de partnertoeslag op grond van artikel 12 AOW en verklaart het hoger beroep ongegrond.