Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2026:1662

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
30 maart 2026
Publicatiedatum
30 maart 2026
Zaaknummer
24_3178
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:12 AwbArt. 6:20 AwbArt. 8:32 AwbArt. 8:72 AwbArt. 9 Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond wegens onvoldoende onderbouwing arbeidsongeschiktheidspercentage en ongeschiktheid voor functie productiemedewerker textiel

Eiseres maakte bezwaar tegen het door het UWV vastgestelde arbeidsongeschiktheidspercentage van 72,86% per 30 oktober 2023, stellende dat onvoldoende rekening was gehouden met haar gezondheidsklachten en dat zij niet in staat was de functies te verrichten waarop de berekening was gebaseerd.

De rechtbank oordeelde dat de verzekeringsgeneeskundige beoordeling zorgvuldig was uitgevoerd en dat de beperkingen in de functionele mogelijkhedenlijst (FML) adequaat waren vastgesteld. De urenbeperking van maximaal 6 uur per dag en 30 uur per week werd niet verder beperkt op preventieve gronden.

De arbeidskundige beoordeling wees uit dat twee functies niet langer passend waren, waaronder productiemedewerker textiel, geen kleding. De rechtbank stelde vast dat deze functie fysiek te zwaar was vanwege tillen en dragen, en onvoldoende rekening hield met de beperkingen van eiseres. Omdat hierdoor niet voldaan werd aan de eis van ten minste drie verschillende functies met elk drie arbeidsplaatsen, was de schatting van het arbeidsongeschiktheidspercentage onvoldoende onderbouwd.

De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en droeg het UWV op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen, rekening houdend met deze uitspraak. Tevens werd het UWV veroordeeld tot betaling van griffierecht en proceskosten aan eiseres.

Uitkomst: Het beroep van eiseres is gegrond verklaard en het UWV-besluit vernietigd vanwege onvoldoende onderbouwing van het arbeidsongeschiktheidspercentage en ongeschiktheid voor de functie productiemedewerker textiel.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 24/3178

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. A. van den Os),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen(UWV),
(gemachtigde: W. Prins).

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde belanghebbende] uit [vestigingsplaats] ,

(gemachtigde: [verzekeringsarts 1]).

Samenvatting

Deze uitspraak gaat over het beroep van eiseres tegen de mate van arbeidsongeschiktheid van eiseres van 72,86% op grond van de Wet WIA. Volgens eiseres is onvoldoende rekening gehouden met haar gezondheidsklachten. Ook stelt zij dat ze niet in staat om de functies, waarmee het arbeidsongeschiktheidspercentage is berekend, te verrichten.
De rechtbank is van oordeel dat het beroep van eiseres gegrond is, omdat zij niet in staat kan worden geacht om de functie productiemedewerker textiel, geen kleding te verrichten. Daarom moet het UWV opnieuw beslissing op het bezwaar en daarbij rekening houden met wat in deze uitspraak is geoordeeld.
Leeswijzer
Dit is een uitspraak die bestaat uit verschillende onderdelen, omdat het gaat over een verzekeringsgeneeskundige en een arbeidskundige beoordeling van het UWV. Ook is het zo dat deze beroepsprocedure niet is begonnen met een beroep tegen de beslissing op bezwaar, maar tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar. Daarnaast heeft de rechtbank het onderzoek na de zitting heeft heropend en vragen aan de arbeidsdeskundige gesteld over
de functie productiemedewerker textiel, geen kleding.
Daarom staat onder Inleiding staat het procesverloop vermeld. Onder 2 en 3 staan de standpunten van eiseres en het UWV. Vanaf 4.3 oordeelt de rechtbank over de verzekeringsgeneeskundige beoordeling. De arbeidskundige beoordeling staat in de overwegingen vanaf 4.9. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Inleiding

1. Eiseres is voor het laatst werkzaam geweest als [functie] bij [derde belanghebbende] , voor gemiddeld 36,78 uur per week. Op 14 juni 2021 heeft zij zich ziekgemeld. Na een wachttijd van 104 weken is met ingang van 30 oktober 2023 tot en met 13 augustus 2025 een loongerelateerde WGA-uitkering [1] aan haar toegekend op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Dit staat in de beslissing van 22 december 2023. De mate van arbeidsongeschiktheid is daarbij vastgesteld op 72,86%.
1.1.
Eiseres heeft op 30 januari 2024 bezwaar gemaakt tegen de beslissing van 22 december 2023. Het UWV heeft op 15 mei 2024 de beslistermijn verdaagd naar 12 juli 2024. Op 2 juli 2024 heeft het UWV aan eiseres om toestemming gevraagd voor verdere verdaging tot een datum na de nog te plannen hoorzitting. Eiser heeft hier geen toestemming voor gegeven.
1.2.
Eiseres heeft op 15 juli 2024 het UWV in gebreke gesteld. Het UWV heeft die ingebrekestelling op 16 juli 2024 ontvangen. Eiseres heeft op 1 augustus 2024 rechtstreeks beroep ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing op bezwaar.
1.3.
De rechtbank heeft op 27 november 2024 aan partijen gevraagd om zonder zitting uitspraak te mogen doen. Eiseres heeft aangegeven dat dit akkoord is. Het UWV heeft niet gereageerd.
1.4.
Het UWV heeft op 14 januari 2025 de beslissing op bezwaar van 9 januari 2025 aan de rechtbank gestuurd. Het bezwaar van eiseres is ongegrond verklaard, waardoor de mate van arbeidsongeschiktheid van 72,86% niet is gewijzigd. De rechtbank heeft eiseres in de gelegenheid gesteld om daarop te reageren.
1.5.
Eiseres heeft in haar reactie van 12 februari 2025 aangegeven dat zij het niet eens is met de beslissing op bezwaar. Zij heeft daartoe verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige beroepsgronden ingediend.
1.6.
De rechtbank heeft op 27 februari 2025 aan partijen bericht dat het beroep tegen het uitblijven van een beslissing op bezwaar niet meer versneld wordt behandeld, omdat dat beroep mede betrekking heeft op de alsnog genomen beslissing op bezwaar. [2]
1.7.
Het UWV heeft op 22 april 2025 op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.8.
De derde partij heeft op 2 oktober 2025 een zienswijze ingediend met een rapport van bedrijfsarts en verzekeringsarts [verzekeringsarts 1].
1.9.
De rechtbank heeft het beroep op 17 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, de gemachtigde van het UWV en de gemachtigde van derde-partij.
1.10.
De rechtbank heeft op 4 november 2025 het onderzoek heropend en vragen gesteld aan het UWV over de geselecteerde functie productiemedewerker textiel, geen kleding. Het UWV heeft op 8 december 2025 gereageerd met een rapport van 4 december 2025 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep (B&B) 5 december 2025 van de arbeidsdeskundige B&B. Vervolgens heeft de rechtbank de andere partijen in de gelegenheid gesteld om daarop te reageren. Beide partijen hebben dat gedaan.
1.11.
De rechtbank heeft daarna aan partijen laten weten dat zij een extra zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Partijen hebben daarmee ingestemd. Daarna heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.
1.12.
Eiseres heeft geen toestemming gegeven om stukken die medische gegevens bevatten aan haar ex-werkgeefster toe te zenden. Daarom heeft de rechtbank de medische stukken naar de ingeschakelde gemachtigde [verzekeringsarts 1] gestuurd. [3] Ook zal de rechtbank om die reden medische terminologie in deze uitspraak zoveel mogelijk vermijden.

Standpunt van het UWV

2. Volgens het UWV is de mate van arbeidsongeschiktheid van eiseres per 30 oktober 2023 72,68%. Vanwege haar beperkingen kan zij haar oude functie niet meer verrichten, maar zij kan nog wel in staat worden geacht om de theoretische functies assemblagemedewerker elektronische producten, productiemedewerker textiel, geen kleding en huishoudelijk medewerker gebouwen te verrichten. Op basis van het middelste uurloon van deze functies kan eiseres 72,68 % minder verdienen van het loon dat zij verdiende voordat zij zich ziekmeldde. Hiervoor baseert het UWV zich op de rapporten van de verzekeringsartsen, de bijbehorende functionele mogelijkhedenlijst (FML) van 11 december 2024 en de rapporten van de arbeidsdeskundige B&B.

Standpunten van eiseres

3. Eiseres stelt dat er een verdergaande urenbeperking moet worden vastgesteld dan 6 uur per dag en 30 uur per week omdat zij ernstige vermoeidheidsklachten heeft, slecht slaapt, medicatie gebruikt en overdag moet rusten.
3.1.
Ook stelt eiseres dat de hoorzitting slechts 15 minuten heeft geduurd, waardoor het ook niet vreemd is dat de verzekeringsarts B&B bij haar geen toenemende vermoeidheid en concentratieverlies heeft waargenomen. Het medisch onderzoek was ongeveer 2 minuten, waarbij eiseres twee keer in de handen moest knijpen, voorover moest buigen en moest draaien met haar hoofd. Daarnaast is de datum in geding 30 oktober 2023, zodat het sowieso minder zegt hoe zij op 11 oktober 2024 tijdens een hoorzitting en spreekuur over is gekomen. In plaats daarvan had meer waarde gehecht moeten worden aan de medische informatie die aanwezig is en ook ziet op datum in geding. Als dat wel gedaan was dan zou de verzekeringsarts B&B ook gelezen hebben dat zij zich beter voordoet dan zij is.
3.2.
Verder stelt eiseres dat zij niet in staat is om de geselecteerde functies te verrichten.
Zo zijn de functies assemblagemedewerker en productiemedewerker textiel fysiek te zwaar, vanwege tillen en dragen, zitten, staan en boven schouderhoogte actief zijn. Ook is in deze functies sprake van visuele en auditieve afleiding, terwijl eiseres daar nu juist beperkt voor is geacht. Bij de functie productiemedewerker textiel geldt daarnaast ook dat zij in aanraking komt met stoffen en verflucht, terwijl een beperking voor stof, rook, gassen en dampen (item 3.4.1.) is vastgesteld vanwege astma.
3.3.
De functie huishoudelijk medewerker is niet passend omdat zij zelf niet in staat is om haar eigen huishouden zelfstandig te doen. Naast de auditieve en visuele prikkels wordt iemand in deze functie ook de hele werktijd geconfronteerd met patiënten, omdat het werk wordt verricht in een verpleeghuis waarbij men de hele tijd met bewoners te maken heeft. Ook zal zij per definitie met stof in aanraking komen, omdat men luchtroosters moet afstoffen. Daarbij stelt eiseres ook dat zij hierbij vanwege astma geen mondkapje kan dragen. Tijdens de coronapandemie heeft zij bijvoorbeeld daarvoor ook een vrijstelling gekregen. Hiervoor wijst zij op de bijlage bij het beroepschrift waaruit volgens eiseres blijkt dat de huisarts haar ingevulde verklaring heeft ondertekend. Ook wijst zij op de laatste brief van de longarts. Verder voert eiseres aan dat bij item 3.4.1 van deze functie staat dat men een mondkapje dient te dragen bij uitbraak van een besmettelijke ziekte (Corona,
Noro-virus). Dit zal volgens eiseres te maken hebben met het feit dat de werkzaamheden in een verzorgingshuis met kwetsbare bewoners worden verricht. Zij mijdt echter juist zoveel mogelijk plaatsen waar patiënten zijn of plekken waar de kans dat men een virus oploopt groter is omdat dat op eiseres juist ook een grote impact heeft.

Beoordeling door de rechtbank

4. De rechtbank is van oordeel dat het beroep gegrond is en licht dit als volgt toe.
4.1.
Tijdens de zitting is duidelijk geworden dat het UWV de dwangsom van € 1.442,- voor het niet tijdig beslissen op het bezwaar aan eiseres heeft vergoed. Het geschil dat de rechtbank nog moet beoordelen gaat dan ook alleen nog over de hoogte van het arbeidsongeschiktheidspercentage van 72,68% per 30 oktober 2023 (datum in geding).
4.2.
De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat een betrokkene in zijn of haar laatste werk verdiende, te vergelijken met het loon dat hij of zij kan verdienen in passende functies. Het UWV mag zijn besluiten daarover baseren op rapporten van verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen. Deze rapporten moeten wel aan een aantal voorwaarden voldoen: zij moeten op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, ze mogen geen tegenstrijdigheden bevatten en de conclusies moeten logisch volgen uit de rapporten. Het is aan eiseres om aannemelijk te maken dat de rapporten niet aan deze voorwaarden voldoen.
Verzekeringsgeneeskundige beoordeling
4.3.
In het rapport van 11 december 2024 is de behandelgeschiedenis vanaf 2015/2016 bij verschillende behandelaren vermeld. Daarnaast was de verzekeringsarts B&B aanwezig bij de hoorzitting en is aansluitend een medisch onderzoek verricht. Ook is informatie bij de huisarts opgevraagd. De huisarts heeft daarbij ook informatie van Winnockzorg en van Lentis volwassenenpsychiatrie, vestiging PsyQ Zwolle meegestuurd.
4.4.
Volgens de verzekeringsarts B&B [verzekeringsarts 2] heeft arts [verzekeringsarts 3] grotendeels voldoende fysieke beperkingen vastgesteld in de FML van 18 december 2023. Zoals voor tillen en dragen. Daarnaast is eiseres ook aangewezen op werk waarbij geen sprake is van afleiding door activiteiten van anderen en een voorspelbare werksituatie zonder veelvuldige storingen. Ook is zij aangewezen op werk zonder veelvuldige onderbrekingen, deadlines en productiepieken. Eiseres kan alleen bij eenvoudige taken een hoog handelingstempo aan. Verder gelden beperkingen voor het item emotionele problemen van anderen hanteren en voor het omgaan met conflicten. Ook is zij aangewezen op werk waarin doorgaans weinig of geen rechtstreeks contact met klanten of patiënten vereist is. Intensieve en/of langdurige contacten kan zij niet aan. Oppervlakkige contacten kunnen wel. Een leidinggevende functie is in het gehele niet mogelijk. Op energetische gronden is een urenbeperking van gemiddeld 6 uur per dag en gemiddeld 30 uur per week vastgesteld. In de toelichtingen is daarbij vermeld dat eiseres maximaal 6 uur per dag en maximaal 30 uur per week kan werken. Ook kan eiseres niet ’s avonds, ’s nachts of met onregelmatige werktijden werken. Volgens de arts blijkt uit de anamnese dat bij eiseres sprake is van een stoornis in de energiehuishouding – bij een verder licht actief activiteitenniveau – op grond van slechte nachtrust, waarbij noodzaak is voor structurele compensatie overdag.
4.5.
Volgens verzekeringsarts B&B [verzekeringsarts 2] was er wel aanleiding om de FML te wijzigen. Daarbij zijn de vastgestelde beperkingen in de rubriek ‘persoonlijk functioneren’ niet als zodanig gewijzigd, maar zijn zogenoemde verruimende toelichtingen gegeven (items 1.8.1 tot en met 1.8.5). Zo is eiseres niet geschikt voor een werksituatie waarbij de taakinhoud een diversiteit kent die niet goed van tevoren in te schatten is. Ook is zij ongeschikt voor een werksituatie waarbij de werkzaamheden op steeds wisselende werkplekken worden uitgevoerd, waarin eiseres steeds met andere personen te maken krijgt en waarbij geen sprake is van een vaste agenda, duidelijke structuur en/of waarbij er steeds veranderende prioriteiten zijn. Verder dient eiseres niet te worden blootgesteld aan veel auditieve en/of visuele prikkels zoals bijvoorbeeld bij drukke treinstations, drukke vliegvelden en/of drukke winkels. Daarnaast is een werksituatie met veelvuldige onderbrekingen door externe factoren niet geschikt, waardoor zij gedwongen zou worden om een taak te onderbreken of te beëindigen en waarbij zij zich vervolgens dient te richten op een andere deeltaak van de functie. Zij kan geen veelvuldige deadlines of productiepieken aan en is aangewezen op werk waarbij er geen sprake is van handelingen die continu in een tempo worden uitgevoerd dat beduidend hoger ligt dan het gebruikelijke handelingstempo in gangbare arbeid. Het ruim beneden gemiddeld/laag begaafd niveau op de indexen perceptueel redeneren en verbaal begrip maakt dat eiseres ook is aangewezen op vaste bekende werkwijzen.
4.6.
Volgens de verzekeringsarts B&B [verzekeringsarts 2] zijn er geen medische redenen om ook beperkingen vast te stellen voor zitten, staan of boven schouderhoogte actief zijn. De eerder vastgestelde beperking voor het hanteren van emotionele problemen van anderen is niet aannemelijk, omdat de zorg voor drie jonge kinderen niet wijst op een ernstige stoornis. Wel is een beperking vastgesteld vanwege astma, waardoor eiseres niet dient te worden blootgesteld aan stof, rook, gassen en dampen (item 3.5.1). Deze wijzigingen zijn vastgelegd in de FML van 11 december 2024.
4.7.
Met betrekking tot de urenbeperking motiveert de verzekeringsarts B&B [verzekeringsarts 2] dat uit preventief oogpunt een urenbeperking van toepassing kan zijn als iemand de neiging heeft om (eventueel vanuit de combinatie van de ernst en de aard van de aandoening) zichzelf systematisch fors te overbelasten, terwijl dit ernstige consequenties heeft voor de gezondheid. Dat is volgens de verzekeringsarts B&B [verzekeringsarts 2] bij eiseres niet zo indien rekening wordt gehouden met de vastgestelde beperkingen in de FML. Daarom zijn er geen medische redenen om op preventieve gronden een verdergaande urenbeperking vast te stellen dan maximaal 6 uur per dag en maximaal 30 uur per week.
4.8.
De rechtbank is van oordeel dat de conclusies van de verzekeringsarts B&B [verzekeringsarts 2] inzichtelijke en navolgbaar zijn. Met de gezondheidsklachten van eiseres is rekening gehouden door verschillende beperkingen in de FML vast te stellen. De beroepsgronden geven de rechtbank geen aanleiding om daaraan te twijfelen. Dat een verdergaande urenbeperking op energetische en preventieve gronden noodzakelijk is, slaagt niet. Eiseres geeft weliswaar aan dat zij ernstige klachten heeft, maar uit de medische informatie blijkt niet dat een verdergaande urenbeperking om die redenen noodzakelijk is. De beroepsgronden over de hoorzitting en spreekuur slagen ook niet. De beoordeling van verzekeringsarts B&B [verzekeringsarts 2] is niet alleen daarop gebaseerd. De hoorzitting en het spreekuur zijn een onderdeel geweest van de beoordeling. Daarnaast kunnen vermoeidheidsklachten en concentratie niet alleen op basis daarvan beoordeeld worden, omdat daarvoor vooral ook medische informatie van belang is. De rechtbank is van oordeel dat de verzekeringsarts B&B [verzekeringsarts 2] dergelijke informatie inzichtelijk bij de beoordeling betrokken heeft. Voor de hoorzitting en het medisch onderzoek was al medische informatie aanwezig en nadien is ook informatie verkregen. Hierdoor had de verzekeringsarts B&B [verzekeringsarts 2] naast het eigen onderzoek ook informatie over de gehele behandelgeschiedenis vanaf 2015/2016. De rechtbank is van oordeel dat deze informatie navolgbaar bij de beoordeling is betrokken. Daarom slagen de beroepsgronden van eiseres niet. Dit betekent dat de FML van 11 december 2024 juist is en dat de arbeidsdeskundige beoordeling daar dus op gebaseerd kan worden.
Arbeidskundige beoordeling
4.9.
De arbeidsdeskundige B&B heeft in het rapport van 27 december 2024 gemotiveerd dat twee eerder geselecteerde functies niet langer geschikt zijn, omdat die niet meer passend zijn voor eiseres. De functie productiemedewerker industrie (SBC-code 11180) is niet langer passend, omdat eiseres daarbij wordt blootgesteld aan stof (item 3.5.1). De functie samensteller kunststof en rubberproducten (SBC-code 271130) is niet langer passend omdat daarbij meerdere malen per dag 10 kg getild moet worden. De drie nog wel resterende functies zijn:
Assemblagemedewerker (SBC-code 267041)
Productiemedewerker textiel, geen kleding (SBC-code 272043)
Huishoudelijk medewerker gebouwen (SBC-code 111334)
4.10.
De rechtbank is van oordeel dat de functies assemblagemedewerker en huishoudelijk medewerker gebouwen passend zijn voor eiseres. In het rapport van 27 december 2024 en in de resultaat functiebeoordeling is dit goed gemotiveerd. Dit geldt niet voor functie productiemedewerker textiel, geen kleding. De rechtbank licht dit als volgt toe.
Productiemedewerker textiel, geen kleding SBC-code 272043
4.11.
Binnen de SBC-code 272043 zijn twee functie geselecteerd, namelijk modinette. De een voor gemiddeld 25,27 uur per week en de ander voor gemiddeld 22,80 uur per week.
4.12.
Eiseres stelt kort gezegd dat deze functies fysiek te zwaar voor haar zijn vanwege tillen, dragen, zitten, staan. Ook zijn de functies niet passend vanwege visuele en auditieve afleiding. Volgens haar is zij door de verzekeringsarts in staat geacht om ongeveer 5 kg te tillen en te dragen, maar uit de signaleringen blijkt dat 6 kg gedragen moet worden. Voor tillen geldt dat het telkens gaat om ongeveer 6 kg. Ook vanwege de frequentie zijn dit volgens eiseres ontoelaatbare overschrijdingen. In het aanvullende rapport van 5 december 2025 - na heropenen en vraagstelling over tillen en dragen – zijn ook geen goede aanvullende motivering gegeven.
4.13.
De rechtbank stelt vast dat in de FML staat dat eiseres beperkt is voor tillen en dragen. Eiseres kan ongeveer 5 kg tillen (items 4.13.2) en 5 kg dragen (item 4.14.2). Daarbij heeft arts [verzekeringsarts 3] geen toelichtingen gegeven en verzekeringsarts B&B [verzekeringsarts 2] heeft deze twee beperkingen ongewijzigd overgenomen. De belasting in de twee functies geeft bij deze items twee signaleringen:
Zware voorwerpen tillen 4.13.2
“Dagelijks tijdens meer dan 3 werkuren
tijdens 5.4 werkuren 2 maal ongeveer 6 kg achtereen (stofbanen/gordijnen, gewicht afhankelijk van soort stof).”
Zware voorwerpen dragen 4.14.2
“Dagelijks gedurende ongeveer 1 uren:
tijdens 5.4. werkuren 1 maal per uur ongeveer 1 minuut achtereen 6 kg
(Bij opvouwen en ophangen van gordijnen, enkele meters).”
4.13.1.
In de Basisinformatie CBBS (versie 6.0) is in hoofdstuk 3.3. onder paragraaf 3 vermeld:
“De betekenis van hetgeen de verzekeringsarts invult, reikt verder dan de standaardwaarde die hij op de FML invult. De verzekeringsarts geeft immers aan wat ongeveer of ten minste de mogelijkheden van cliënt zijn, terwijl een incidentele piekbelasting eveneens is toegestaan.”
4.13.2.
In hoofdstuk 6 van de Basisinformatie CBBS is in paragraaf 6.1 vermeld:
“Op de FML staat vermeld: 'Tenzij uitdrukkelijk anders vermeld, is een incidentele piekbelasting of structureel marginaal hogere belasting eveneens mogelijk boven zowel de referentiewaarde als de aangenomen beperkte functionele mogelijkheden.' De waarde van deze incidentele piekbelasting of structureel marginale hogere belasting is echter niet exact gedefinieerd. Wel worden in het algemeen functies met een belasting boven de naast hoger liggende score van de belastbaarheid geautomatiseerd verworpen. Dus functies met een piekbelasting boven de naast hoger liggende belastbaarheid zullen in het algemeen niet voorkomen na de geautomatiseerde verwerking. Dit is niet het geval voor piekbelastingen bij de referentiewaarde, daar is immers geen sprake van een naast hoger liggende score.”
en
“Bij verscheidene beoordelingspunten op de FML staan aanduidingen als 'ongeveer' of 'doorgaans'. Hierop is gebaseerd dat marginale overschrijdingen in het algemeen zijn toegestaan. De mate van deze marginale overschrijding is niet gestandaardiseerd.”
4.14.
Dat wat hiervoor staat, betekent dat indien iemand in staat wordt geacht om ongeveer
5 kg te tillen of te de dragen, er ook functies geselecteerd kunnen worden met een hogere belasting. Het is dan wel aan de arbeidsdeskundige om de signaleringen goed te motiveren. Daarbij kan overleg met een verzekeringsarts nodig zijn.
4.15.
De arbeidsdeskundige B&B heeft bij de signalering in de resultaat functiebeoordeling gemotiveerd dat beide signaleringen de belastbaarheid van eiseres niet overschrijden, omdat de verzekeringsarts heeft aangegeven dat het gaat om ongeveer 5 à 6 kg. De rechtbank volgt deze enkele motivering niet. Er geldt bij tillen weliswaar dat het gaat om ongeveer 6 kg, maar bij dragen gaat het niet om ongeveer 6 kg, maar om telkens 6 kg (1 maal per uur ongeveer 1 minuut bij opvouwen en ophangen van gordijnen, enkele meters). Eiseres heeft hier terecht op gewezen. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat bij de motivering onvoldoende rekening is gehouden met het aantal keer dat eiseres in staat wordt geacht om gordijnen te tillen en te dragen en om de combinatie daarvan.
4.16.
Het aanvullende rapport van 5 december 2025 van de arbeidsdeskundige B&B, waarin reacties van een arbeidsdeskundig analist en van verzekeringsarts B&B [verzekeringsarts 4] staan, leidt niet tot een ander oordeel. Daarin motiveert verzekeringsarts B&B [verzekeringsarts 4] dat:
‘Bij cliënt is er sprake van een somatische symptoomstoornis. Dit houdt in dat ondanks de ervaren belemmeringen c.q ervaren pijnen, er geen onderliggend lijden is aan te wijzen. Belasting zal zodoende ook geen schade aan de gezondheid berokkenen. Dit houdt in dat er geen harde reden is om fysieke beperkingen toe te kennen. Om enigszins aan de ervaren klachten van cliënt tegemoet te treden, zijn door de verzekeringsarts Bezwaar en Beroep wel beperkingen gegeven in de FML onder dynamisch handelen en statische belasting. Voor de belasting voor tillen/dragen is aangegeven dat cliënt in staat moet zijn om circa 5 kg te tillen/dragen, wat een beperkte belasting in de FML betekent. Hierbij is dan ook ruim tegemoet getreden aan de somatische symptoomstoornis. Aangezien er bij een somatische symptoomstoornis door belasting geen schade aan de gezondheid kan worden veroorzaakt en cliënt voor tillen/dragen reeds beperkt is tot circa 5 kg wordt met een belasting van 5x 1 minuut 3 kg en 1 x 1 minuut 6 kg voor dragen en met een belasting van 10 x 3 kg en 2 x 6 kg voor tillen, de belastbaarheid van cliënt niet overschreden. Immers, aangezien door belasting er geen schade in het lichaam wordt veroorzaakt, kan er ook geen overbelasting optreden bij de belasting van 5x1 minuut 3 kg en 1x1 minuut 6 kg voor dragen
en 10 x 3 kg en 2 x 6 kg voor tillen.’
4.17.
De rechtbank volgt deze nadere motivering van verzekeringsarts B&B [verzekeringsarts 4] niet, omdat deze motivering niet aansluit bij en afwijkt van de eerdere conclusies van verzekeringsarts B&B [verzekeringsarts 2] en arts [verzekeringsarts 3]. Zo heeft verzekeringsarts B&B [verzekeringsarts 2] in het rapport van 11 december 2024 geconcludeerd dat:
‘Indien cliënt zich gaat belasten conform de in primair opgestelde FML, inclusief de bij dit onderzoek in bezwaar aangenomen aanvullende beperkingen, is of zijn er geen medische reden(en) om een verdergaande urenbeperking op energetische en/of preventieve gronden aan te nemen.’
Naar het oordeel van de rechtbank wordt hierin - ondanks dat het gaat om een overweging over de urenbeperking - nadrukkelijk gewezen op de vastgestelde belasting in de FML.
Bovendien blijkt uit het rapport van arts [verzekeringsarts 3] niet dat de vastgestelde fysieke beperkingen zijn vastgesteld om enigszins aan de ervaren klachten van eiseres tegemoet te komen. In het rapport van 18 december 2023 van arts [verzekeringsarts 3] staat immers:
‘De claimklachten en daarbij in 4.2. Anamnese beschreven ervaren belemmeringen zijn passend als rechtstreeks gevolg van de diagnosen, en komen consistent voor in anamnese en dagverhaal. In dit kader zijn haar chr. pijnklachten/vermoeidheid ook voldoende plausibel als uiting van nog niet uitbehandelde burn-outklachten in combinatie met haar onderliggende dwangmatige persoonlijkheidsstoornis. Derhalve zijn er beperkingen aan te nemen (…) De fysieke belemmeringen, te weten die bij zwaardere huishoudelijke werkzaamheden, zijn terug te voeren op haar chr. pijnklachten/vermoeidheid. Op grond daarvan worden t.a.v. aanpassing aan fysieke omgevingseisen (rubriek 3) preventieve beperkingen aangenomen (zware beschermende middelen, trillingsbelasting), en t.a.v. dynamische handelingen (rubriek 4) beperkingen die beogen cliënt te vrijwaren voor fysiek (te) zwaar werk in zijn algemeenheid (duwen of trekken, tillen, en dragen).’
4.18.
De conclusie dat de vastgestelde fysieke beperkingen alleen zijn vastgesteld om enigszins aan de ervaren klachten van eiseres tegemoet te komen, volgt de rechtbank dan ook niet. Dit en dat wat hiervoor is overwogen maakt dan ook dat de functie productiemedewerker textiel, geen kleding (SBC-code 272043) niet passend is voor eiseres. Daarom moet die functie buiten beschouwing blijven.
4.19.
Op grond het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten wordt de schatting van de arbeidsongeschiktheid gebaseerd op ten minste drie verschillende functies, die ieder ten minste drie arbeidsplaatsen vertegenwoordigen. Omdat de functie productiemedewerker textiel buiten beschouwing moet blijven, staat niet vast dat eiseres op 30 oktober 2023 (datum in geding) geschikt was voor tenminste drie verschillende functies met ieder ten minste drie arbeidsplaatsen. Daardoor berust de schatting op een te smalle basis. Dit betekent dat het beroep van eiseres gegrond is en de rechtbank het bestreden besluit zal vernietigen vanwege een motiveringsgebrek.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is gegrond, omdat het bestreden besluit niet gebaseerd is op een deugdelijke arbeidskundige grondslag. Dit is in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om zelf een beslissing te nemen, omdat het UWV bij een einde wachttijd beoordeling van de WIA nog kan onderzoeken of er eventueel andere functies geselecteerd kunnen worden [4] . Daarom bepaalt de rechtbank dat het UWV een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak [5] . De rechtbank geeft het UWV hiervoor zes weken.
5.1.
Omdat het beroep gegrond is moet het UWV het griffierecht aan eiseres betalen. Het griffierecht dat eiseres heeft betaald voor het beroep tegen het niet-tijdig beslissen wordt geacht mede te zijn voldaan voor het beroep tegen het besluit van 9 januari 2025. Ook komen de proceskosten voor vergoeding in aanmerking. Het UWV moet deze kosten vergoeden. De proceskosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in totaal vast
op € 2.335,-.
5.2.
Dit totaalbedrag is berekend door 1 punt toe te kennen voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor de aanwezigheid van de gemachtigde van eiseres ter zitting met een waarde per punt van € 934,-. Voor het indienen van het beroepschrift niet-tijdig beslissen op bezwaar wordt ook 1 punt toegekend, maar verlaagd door de wegingsfactor 0,5, omdat het daarbij alleen ging over de vraag of de beslistermijn was overschreden. Verder zijn er geen kosten gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 9 januari 2025 ten aanzien van de arbeidskundig beoordeling;
- draagt het UWV op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat het UWV het griffierecht van € 51,- aan eiseres moet betalen;
- veroordeelt het UWV tot € 2.335,- aan proceskosten.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H.M. Hesseling, rechter, in aanwezigheid van
J.T. Boddeüs, griffier. Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hoger beroepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Werkhervatting Gedeeltelijk Arbeidsgeschikten.
2.Artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
3.Artikel 8:32, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
4.De rechtbank wijst in dit verband op de uitspraken van bijvoorbeeld 4 november 2003 met het kenmerk: ECLI:NL:CRVB:2003:AN9746, de uitspraak van 22 januari 2021 met kenmerk: ECLI:NL:CRVB:2021:149 en de uitspraak van 8 november 2023 met kenmerk: ECL:NL:CRVB:2023:2133.
5.Artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.