Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2026:1692

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
31 maart 2026
Publicatiedatum
1 april 2026
Zaaknummer
AK_26_1022
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13b OpiumwetArt. 8:81 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen woningsluiting wegens vermeende drugshandel

De zaak betreft een verzoek om voorlopige voorziening tegen het besluit van de burgemeester van Enschede om een woning te sluiten voor drie maanden vanwege vermeende handel in GHB. De woning wordt gehuurd door verzoeker, die bezwaar maakte tegen het besluit en stelt dat er geen drugshandel plaatsvindt en dat de sluiting onevenredig is.

De politie voerde onderzoek uit naar aanleiding van meldingen over aanloop bij de woning en mogelijke drugshandel. Camerabeelden en observaties toonden korte bezoeken van verschillende personen, waaronder bekende harddrugsgebruikers. Tijdens een doorzoeking werden enkele middelen aangetroffen die mogelijk verband houden met de bereiding van GHB, maar geen GHB zelf of verkoopvoorwerpen zoals flesjes, contanten of wapens.

De voorzieningenrechter oordeelt dat de bestuurlijke rapportage onvoldoende concreet bewijs bevat om aan te nemen dat vanuit de woning drugshandel plaatsvindt. De verklaring van een getuige is te vaag en de overige meldingen en observaties zijn te onbepaald. Daarom is de burgemeester naar voorlopig oordeel niet bevoegd om de woning te sluiten op grond van artikel 13b van de Opiumwet.

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe, schorst het besluit tot sluiting totdat op het bezwaar is beslist en veroordeelt de burgemeester tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. Er is geen hoger beroep mogelijk tegen deze uitspraak.

Uitkomst: Het besluit tot sluiting van de woning wordt geschorst wegens onvoldoende bewijs van drugshandel en gebrek aan bevoegdheid van de burgemeester.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 26/1022

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker,

(gemachtigde: mr. P.A.J. van Putten),
en

de burgemeester van Enschede

(gemachtigde: J.H.J. Huiskes).
Als derdepartij heeft aan het geding deelgenomen: Woningcorporatie Domijn te Enschede.

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over het besluit van de burgemeester om de door [verzoeker] gehuurde en bewoonde woning aan de [adres] te sluiten voor een periode van drie maanden vanwege drugshandel.
1.1
[verzoeker] heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt. Volgens hem is de burgemeester niet bevoegd tot sluiting van de woning. Van verkoop van drugs vanuit de woning is geen sprake. Ook vindt hij de sluiting onevenredig vanwege het tijdsverloop, het feit dat hij geen alternatieve woonruimte heeft en hij zijn leven juist weer op de rit probeert te krijgen na een verbroken relatie. [verzoeker] wil in deze procedure dat een voorlopige voorziening wordt getroffen zodat hij in zijn woning kan blijven.
1.3
De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe op grond van een voorlopige rechtmatigheidstoets. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is de burgemeester niet bevoegd om de woning te sluiten. Daarom schorst zij het besluit tot sluiting van de woning. Dit oordeel wordt hierna nader toegelicht.

Procesverloop, relevante feiten en bevindingen uit bestuurlijke rapportage

2.1
[verzoeker] huurt vanaf 1 januari 2019 de woning aan de [adres] (hierna: de woning) van woningcorporatie Domijn.
2.2
Uit een melding van de gemeente en een melding van Domijn ontstond het vermoeden dat er drugs werden gedeald vanuit de woning. Naar aanleiding van meldingen heeft de politie nader onderzoek gedaan. De onderzoeksbevindingen zijn door de politie vastgelegd in de bestuurlijke rapportage van 11 februari 2026.
Daarin staat het volgende.
21-11-2025 (informatie medewerker gemeente Enschede)
De politie ontvangt informatie vanuit de gemeente dat een client GHB koopt aan de [adres] . Een medewerker van de gemeente heeft tijdens een contact moment met deze client bij de woning aan de [adres] behoorlijk wat aanloop naar de woning gezien en veel korte contactmomenten bij de voordeur. Daarnaast ontvangt de politie informatie vanuit de wijk dat er veel aanloop is bij de [adres] en er veel personen voor korte momenten in de woning zijn en de woning daarna weer verlaten. Deze informatie heeft de politie ontvangen via de woningbouwcorporatie Domijn.

28.11-2025 (Posten)

De politie heeft onopvallend gepost op de woning aan de [adres] . De politie zag een auto aan komen rijden die parkeerde voor perceelnummer [nummer] . De politie heeft het kenteken van het voertuig nagetrokken en het bleek te gaan om een huurvoertuig van het bedrijf ' [bedrijf] '. Het voertuig heeft een aandachtvestiging dat een bekende harddrugsgebruiker en dealer met meerdere antecedenten van handel in harddrugs het voertuig heeft gehuurd. De politie herkende deze persoon ambtshalve als bestuurder van het voertuig.
De politie zag een persoon aan komen lopen bij de woning aan de [adres] . De persoon heeft aangebeld, is de woning binnen gegaan en kwam na 4 minuten weer uit de woning gelopen.
De politie zag een ambtshalve bekende veelpleger en harddrugsgebruiker aanbellen bij de [adres] . De voordeur werd geopend en de man is naar binnen gelopen, onbekend hoelang deze man binnen is gebleven.
De politie zag een voertuig de [adres] inrijden en stoppen ter hoogte van perceelnummer [nummer] . De politie heeft het kenteken nagetrokken en hierbij kwam naar voren dat het ging om een bekende harddrugsgebruiker. Deze persoon heeft perceel [nummer] betreden, onbekend hoelang deze persoon binnen is gebleven.

25.11-2025 (Informatie wijkagent)

De politie heeft kentekens nagetrokken naar aanleiding van de informatie die op 21 november vanuit de gemeente is verstrekt. Deze informatie bevatte namelijk kentekens van auto's die op dat moment kwamen en gingen aan de [adres] . Uit het politiesysteem bleek dat deze voertuigen onder andere voorkwamen in verband met het dealen in harddrugs en ondermijnende activiteiten.

12.12-2025 - 15-12-2025 (Cameravoertuig)

In overleg met de officier van justitie heeft de politie goedkeuring gekregen voor het plaatsen van een cameravoertuig op de woning aan de [adres] . Deze camera heeft er van vrijdag 12 december 2025 17:00 uur tot maandag 15 december 2025 10:17 uur gestaan. Op camerabeelden is te zien dat er de eerste avond al
meerdere'korte' contactmomenten zijn bij de voordeur. Deze variëren van mensen die lopend komen, met de fiets of met een voertuig. Hierbij wordt de woning betreden en enkele minuten later weer verlaten. Ook is er te zien dat er een ambtshalve bekende GHB-gebruiker bij en in de woning aanwezig is.

6.01-2026 (Handel E.D. Harddrugs lijst 1)

De politie heeft een actiedag gehouden op het adres [adres] . Tijdens deze actiedag is er eerst via een cameravoertuig zicht gepakt op de woning aan de [adres] . Op deze camerabeelden was nog steeds veel aanloop te zien bij de woning en korte contactmomenten. Van de hulpofficier van justitie is een machtiging tot binnentreden in de woning afgegeven voor de aanhouding van [verzoeker] , geboren op [geboortedatum] 1988 te [geboorteplaats] . [verzoeker] is aangehouden ter zake handel harddrugs. In de woning waren meerdere personen aanwezig die ambtshalve bekend zijn met het gebruik van harddrugs. Van deze personen is een getuigenverklaring opgenomen maar zij wilden verder niks verklaren.
De rechter-commissaris heeft toestemming gegeven voor het doorzoeken van de woning. Onderstaande goederen heeft de politie hierbij aangetroffen·
- Maatbeker;
- Fles ammoniak;
- Fles schoonmaakmiddel.
Dit werd aangetroffen in de slaapkamer naast het bed. Het is de politie ambtshalve bekend dat deze middelen ook gebruikt worden voor het koken van GHB. Ook zijn er restanten van verdovende middelen aangetroffen op tafel in de woonkamer van [verzoeker] . De restanten verdovende middelen zijn niet indicatief getest. Hierop is besloten de speurhond die aanwezig was om te zoeken in de woning, niet in te zetten voor de veiligheid van de hond. Daarnaast is er in een tas een zak met kleine envelopjes gevonden. Het is de politie ambtshalve bekend dat deze kleine envelopjes worden gebruikt door dealers voor kleine hoeveelheden drugs.
Op 8 januari 2026 is bij de persoon waarvan op 21 november 2025 de informatie is binnengekomen dat deze GHB heeft gehaald aan de [adres] een getuigenverklaring opgenomen. Getuige verklaarde kort samengevat het volgende:
Ik koop mijn GHB bij [verzoeker] , de bewoner van de [adres] . Ik koop al enkele maanden bij [verzoeker]. Ik heb dertig (30) millimeter gekocht voor vijf (5) euro. Ik weet dat [verzoeker] sinds 1,5 week gestopt is met het koken van GHB.
[verzoeker] heeft in de periode van 2021 tot 2026 geen antecedenten op naam, maar heeft wel de gevarenclassifcatie van harddruggebruiker. In verband met de privacywetgeving mogen de antecedenten van voor 2001 niet worden gedeeld in deze bestuurlijke rapportage.
2.3
Bij brief van 10 maart 2026 is [verzoeker] op de hoogte gebracht van het voornemen van de burgemeester om de woning voor drie maanden te sluiten. [verzoeker] heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om zijn zienswijze te geven op dat voornemen tot woningsluiting.
2.4
Met het bestreden besluit van 19 maart 2026 heeft de burgemeester de woning van [verzoeker] met ingang van woensdag 25 maart 2026 gesloten voor de duur van drie maanden, tot donderdag 25 juni 2026, vanwege de handel in GHB.
2.5
[verzoeker] heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd een ordemaatregel en een voorlopige voorziening te treffen.
2.6
Bij uitspraak van 24 maart 2026 heeft de voorzieningenrechter een ordemaatregel getroffen inhoudende dat het besluit tot woningsluiting wordt geschorst totdat het verzoek om voorlopige voorziening op zitting is behandeld en de voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan of totdat het verzoek om voorlopige voorziening is ingetrokken.
2.7
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 30 maart 2026 ter zitting behandeld. Verschenen zijn: [verzoeker] en zijn gemachtigde. Het college heef zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Namens Domijn zijn verschenen [naam 1] en [naam 2] .

Beoordeling van de voorzieningenrechter

Spoedeisend belang
2.8
Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd kan worden in een eventuele beroepsprocedure, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
2.9
De voorzieningenrechter verricht daarvoor een voorlopige beoordeling van de rechtmatigheid van het onderliggende besluit of de onderliggende besluiten en daarmee van de kans van slagen van het bezwaarschrift en zij weegt de belangen van de partijen bij een schorsing. Daarbij geldt dat hoe zekerder de voorzieningenrechter is over de rechtmatigheid van het bestreden besluit, hoe minder ruimte er is om gewicht toe te kennen aan de belangen bij een schorsing. De beoordeling door de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een eventuele beroepsprocedure niet.
2.1
De voorzieningenrechter is van oordeel [verzoeker] spoedeisend belang heeft bij het treffen van een voorlopige voorziening, omdat hij als gevolg van het besluit zijn woning op korte termijn voor drie maanden moet verlaten. De burgemeester heeft het spoedeisend belang ook niet betwist.
Bevoegdheid tot sluiting
2.11
De burgemeester is op grond van artikel 13b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Opiumwet bevoegd tot het opleggen van een last onder bestuursdwang – zoals een woningsluiting – indien in een woning of lokaal of op een daarbij behorend erf een middel als bedoeld in lijst I of II dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid, wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is.
In dit geval is de burgemeester van mening dat hij op basis van dat wat in de bestuurlijke rapportage is beschreven bevoegd was om de woning te sluiten.
2.12
[verzoeker] stelt dat de burgemeester niet bevoegd is de woning te sluiten. In de woning zijn geen drugs of ingrediënten voor de bereiding daarvan aangetroffen. De aangetroffen gestelde restanten van verdovende middelen op tafel in de woonkamer zijn niet gewogen of getest. Ook zijn er geen grondstoffen voor het bereiden van GHB aangetroffen. In de bestuurlijke rapportage wordt ten onrechte verondersteld dat de ammoniak die is aangetroffen een grondstof is voor GHB. GHB wordt echter niet bereid met ammoniak maar met gootsteenontstopper en dat is niet aangetroffen. De waarnemingen van de politie zijn over een korte periode, te summier omschreven en duiden niet op drugshandelgerelateerde toeloop. Zo zijn er geen opvallende zaken gesignaleerd; bijvoorbeeld dat bezoekers van de woningen de woning met spul verlieten.
Hierbij heeft [verzoeker] een 8-tal verklaringen ingebracht van buren die verklaren geen overlast van [verzoeker] te ervaren en geen bijzondere of structurele aanloop bij de woning te hebben gezien.
Volgens [verzoeker] is het besluit tot sluiting van de woningstichting ook niet geschikt, noodzakelijk en evenwichtig.
2.13
De rechtbank stelt voorop dat de burgemeester bevoegd is om de woning te sluiten indien aannemelijk is dat in die woning drugs worden verkocht, afgeleverd of verstrekt of daartoe aanwezig zijn. Artikel 13b van de Opiumwet vereist niet dat de woning is binnengetreden en dat daarbij een bepaalde hoeveelheid drugs is aangetroffen. De burgemeester is ook bevoegd om deze bepaling toe te passen indien geen drugs zijn aangetroffen in de woning, maar op grond van andere feiten en omstandigheden aannemelijk is dat drugs worden verkocht, afgeleverd of verstrekt in de woning. Dit heeft de Afdeling bestuursrechtspraak meermaals overwogen [1] .
2.14
De voorzieningenrechter stelt vast dat er in de woning geen GHB is aangetroffen of voorwerpen die in verband kunnen worden gebracht met handel in GHB zoals flesjes ten behoeve van de verkoop van GHB, een groot bedrag aan contanten of wapens.
2.15
De voorzieningenrechter is verder van oordeel dat de bestuurlijke rapportage onvoldoende aanknopingspunten biedt om drugshandel vanuit de woning aannemelijk te achten. Aan de in de bestuurlijke rapportage aangehaalde getuigenverklaring van 8 januari 2026 komt geen doorslaggevende betekenis toe omdat de verklaring weinig concreet is en de samengevatte weergave van deze verklaring geen inzicht geeft in hoeverre een relatie bestaat tussen de verkoop van de GHB en de woning.
2.16
Ook de overige in de bestuurlijke rapportage opgenomen onderzoeksbevindingen zijn te onbepaald om drugshandel vanuit de woning aannemelijk te achten.
Zo zijn de meldingen van buurtbewoners bij of via Domijn over aanloop en korte bezoeken niet concreet voor wat betreft periode, aantal en inhoud. Datzelfde geldt voor de politie- en camera-observaties.
2.17
Al met al is de informatie zoals die in de bestuurlijke rapportage is opgenomen en wat de basis is voor het besluit tot woningsluiting, ook wanneer deze in onderlinge samenhang wordt bezien, onvoldoende concreet om aannemelijk te achten dat vanuit de woning in GHB wordt gehandeld. Gelet daarop is de burgemeester naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet bevoegd om de woning te sluiten op grond van artikel 13b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Opiumwet. Het bezwaar van [verzoeker] heeft dus een redelijke kans van slagen en dat is aanleiding om de gevraagde voorziening toe te wijzen. Aan de beoordeling of de woningsluiting evenredig is komt de voorzieningenrechter niet toe.

Conclusie en gevolgen

3.1
Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter was de burgemeester niet bevoegd de woning te sluiten vanwege drugshandel. Het bezwaar van [verzoeker] heeft kans van slagen. Om die reden bestaat aanleiding een voorlopige voorziening te treffen en de bij uitspraak 24 maart 2026 getroffen ordemaatregel, inhoudende een schorsing van het bestreden besluit van 19 maart 2026 totdat de het verzoek op zitting is behandeld en de voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan, te laten voortduren totdat op het bezwaar is beslist.
3.2
Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, ziet zij ook aanleiding om te bepalen dat [verzoeker] een vergoeding krijgt van zijn proceskosten. De burgemeester moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt [verzoeker] een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868, -.
3.3
Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, ziet zij ook aanleiding om te bepalen dat de burgemeester het door [verzoeker] betaalde griffierecht vergoedt.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
  • wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe;
  • schorst het bestreden besluit totdat op het bezwaar is beslist;
  • draagt de burgemeester op het betaalde griffierecht van € 200,- aan [verzoeker] te vergoeden;
  • veroordeelt de burgemeester in de proceskosten van [verzoeker] tot een bedrag van
€ 1.868, -.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.P.K. van Rosmalen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A. Landstra, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 31 maart 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Zie de uitspraken van 26 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2593, en van 28 januari 2026 ECLI:NL:RVS:2026:477