Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
en
Rechtbank Overijssel
In deze bestuursrechtelijke zaak heeft de voorzieningenrechter van de Rechtbank Overijssel op 12 januari 2026 een verzoek om voorlopige voorziening behandeld. De verzoeker, hierna eiser genoemd, is niet tijdig verschenen op de zitting en heeft het griffierecht van €194,- niet binnen de gestelde termijn betaald.
De griffier had eiser per aangetekende brief van 31 december 2025 in de gelegenheid gesteld het griffierecht binnen twee weken te voldoen. Deze brief werd op 6 januari 2026 bezorgd. Ondanks een daaropvolgende e-mailverzoek om betaling uiterlijk 16 januari 2026, is het griffierecht niet ontvangen op de datum van de zitting, 19 januari 2026.
Eiser heeft geen verontschuldiging gegeven voor het niet tijdig betalen van het griffierecht. Op grond van artikel 8:82 Awb Pro in samenhang met artikel 8:41 Awb Pro verklaart de voorzieningenrechter het verzoek daarom niet-ontvankelijk. De zaak wordt niet inhoudelijk beoordeeld en er volgt geen proceskostenveroordeling.
De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter J.W.M. Bunt en griffier J.C. Smitstra. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening is niet-ontvankelijk verklaard wegens niet tijdige betaling van het griffierecht zonder verontschuldiging.