ECLI:NL:RBOVE:2026:196

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
19 januari 2026
Publicatiedatum
19 januari 2026
Zaaknummer
AK_25_3854
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:82 AwbArt. 8:41 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk wegens niet tijdig betalen griffierecht

In deze bestuursrechtelijke zaak heeft de voorzieningenrechter van de Rechtbank Overijssel op 12 januari 2026 een verzoek om voorlopige voorziening behandeld. De verzoeker, hierna eiser genoemd, is niet tijdig verschenen op de zitting en heeft het griffierecht van €194,- niet binnen de gestelde termijn betaald.

De griffier had eiser per aangetekende brief van 31 december 2025 in de gelegenheid gesteld het griffierecht binnen twee weken te voldoen. Deze brief werd op 6 januari 2026 bezorgd. Ondanks een daaropvolgende e-mailverzoek om betaling uiterlijk 16 januari 2026, is het griffierecht niet ontvangen op de datum van de zitting, 19 januari 2026.

Eiser heeft geen verontschuldiging gegeven voor het niet tijdig betalen van het griffierecht. Op grond van artikel 8:82 Awb Pro in samenhang met artikel 8:41 Awb Pro verklaart de voorzieningenrechter het verzoek daarom niet-ontvankelijk. De zaak wordt niet inhoudelijk beoordeeld en er volgt geen proceskostenveroordeling.

De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter J.W.M. Bunt en griffier J.C. Smitstra. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening is niet-ontvankelijk verklaard wegens niet tijdige betaling van het griffierecht zonder verontschuldiging.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/3854
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[eiser],uit [woonplaats],
hierna: [eiser],
en
de directie van het CBR,
hierna: CBR,
(gemachtigde: mr. P.A. Leerentveld).

1.Inleiding

1.1.
In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van [eiser].
1.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 12 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van het CBR. [eiser] is niet tijdig verschenen.

2.Beoordeling door de voorzieningenrechter

Toetsingskader
2.1.
Iemand die een verzoek om voorlopige voorziening indient, moet griffierecht betalen. [1] In een zaak als deze is het griffierecht € 194,-. De griffier van de rechtbank stelt een termijn waarbinnen het griffierecht moet worden betaald. Dat betekent in dit verband dat het hele bedrag binnen die termijn is bijgeschreven op de rekening van de rechtbank of dat het binnen die termijn is betaald op de griffie van de rechtbank. Als het griffierecht niet of niet tijdig wordt betaald, verklaart de voorzieningenrechter het verzoek niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet of niet tijdig betalen van het griffierecht verontschuldigbaar is.
Heeft verzoekster het griffierecht tijdig betaald?
2.2.
De griffier heeft bij aangetekend verzonden brief van 31 december 2025 [eiser] in de gelegenheid gesteld het griffierecht te betalen binnen twee weken na dagtekening van die brief. Uit informatie van PostNL is gebleken dat de aangetekend verzonden brief op 6 januari 2026 om 12:24 uur is bezorgd op een PostNL-punt.
2.3.
[eiser] is niet (tijdig) verschenen op de zitting. Vervolgens is [eiser] per e-mail verzocht het griffierecht uiterlijk 16 januari 2026 te betalen. Op haar verzoek is de nota ook per e-mail aan haar verzonden.
2.4.
Uit de administratie van de rechtbank is gebleken dat het griffierecht op 19 januari 2026 niet is ontvangen.
2.5.
[eiser] heeft het griffierecht dus niet op tijd betaald.
Is het niet tijdig betalen verontschuldigbaar?
2.6.
[eiser] heeft geen reden gegeven voor dit verzuim. Er is dus geen verontschuldiging voor dit verzuim gebleken.

3.Conclusie en gevolgen

3.1.
Het verzoek is daarom niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk beoordeelt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W.M. Bunt, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.C. Smitstra, griffier. Uitgesproken in het openbaar op:
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Dit is geregeld in artikel 8:82 van Pro de Awb in samenhang met artikel 8:41 van Pro de Awb.