Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2026:2029

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
14 april 2026
Publicatiedatum
14 april 2026
Zaaknummer
ak_25_1414
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5.2 Wsf 2000Art. 7.3a WHWArt. 7.5 WHWArt. 7.5a WHWArt. 7.5b WHW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing basis- en aanvullende beurs voor wo-master na hbo-bachelor is rechtmatig

Deze bestuursrechtelijke zaak betreft het beroep van een studente tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een basisbeurs en aanvullende beurs voor de wo-master Public Administration aan de Universiteit Twente. De studente had eerder een vierjarige voltijd hbo-bachelor Bestuurskunde / Overheidsmanagement afgerond, waarvoor zij studiefinanciering in de vorm van een prestatiebeurs ontving.

De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap wees de aanvraag af omdat de maximale periode van vier jaar prestatiebeurs al was toegekend tijdens de hbo-bacheloropleiding. De studente voerde aan dat dit onderscheid tussen een hbo-master en een wo-master na een hbo-bachelor ongerechtvaardigd en discriminerend is, en in strijd met het doel van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW).

De rechtbank oordeelt dat de minister terecht heeft gehandeld. De wet- en regelgeving, waaronder artikel 5.2 van de Wet studiefinanciering 2000, bepaalt dat een prestatiebeurs eenmalig voor vier jaar wordt verstrekt. De Centrale Raad van Beroep bevestigde in een vergelijkbare zaak dat er geen sprake is van ongerechtvaardigd onderscheid of discriminatie. De rechtbank wijst erop dat het aan de wetgever is om politieke keuzes te maken over het studiefinancieringsstelsel.

Persoonlijke omstandigheden van de studente, zoals haar studieschuld en het feit dat zij naast haar studie moest werken, leiden niet tot een andere beoordeling. Het beroep wordt ongegrond verklaard, en de studente krijgt geen vergoeding van griffierecht of kosten.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt dat de minister de aanvraag voor basis- en aanvullende beurs terecht heeft afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/1414

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], ([eiser])

en

de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (de minister),

Dienst Uitvoering Onderwijs(DUO)
,gemachtigde: mr. G.J.M. Naber.

Inleiding

1. Deze uitspraak gaat over het beroep van [eiser] tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een basisbeurs en aanvullende beurs voor de door haar gevolgde wo-master Public Administration. [eiser] heeft de vierjarige voltijds hbo-bachelor Bestuurskunde / Overheidsmanagement gevolgd en afgerond. Voor die opleidingsperiode van 1 september 2020 tot en met 31 augustus 2024 heeft zij studiefinanciering ontvangen in de vorm van een prestatiebeurs.
1.1.
Vanaf 1 september 2024 is [eiser] gestart met de éénjarige voltijdse opleiding
wo-master Public Administration aan de universiteit Twente. [eiser] heeft op 30 januari 2024 een basisbeurs en aanvullende beurs aangevraagd voor deze wo-master.
1.2.
De minister heeft de aanvraag met het besluit van 19 februari 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 8 april 2025 op het bezwaar van [eiser] is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.3.
[eiser] heeft op 18 mei 2025 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en op
17 juni 2025 aanvullende beroepsgronden ingediend. De minister heeft op 1 juli 2025 gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft de zitting van 5 september 2025 uitgesteld, omdat de Centrale Raad van Beroep (CRvB) in een min of meer vergelijkbare kwestie uitspraak ging doen. Het ging daarbij om een door de DUO ingesteld hoger beroep tegen de uitspraak [1] van 3 december 2024 van de rechtbank Midden-Nederland.
1.5.
De CRvB heeft op 16 september 2025 uitspraak [2] gedaan. De rechtbank heeft deze uitspraak aan partijen toegestuurd en hen in de gelegenheid gesteld om daarop te reageren.
1.6.
[eiser] heeft in haar reactie van 10 november 2025 zes bijlagen opgestuurd. De minister heeft in zijn reactie verzocht om het beroep ongegrond te verklaren.
1.7.
De rechtbank heeft het beroep op 19 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiser] en de gemachtigde van de minister. Ook de stiefvader van [eiser] was aanwezig.

Standpunt van de minister

2. Volgens de minister kan voor de wo-master geen prestatiebeurs meer worden toegekend, omdat de maximale periode van vier jaren al aan [eiser] is toegekend bij de voltijds
hbo-bachelor van 1 september 2020 tot en met 31 augustus 2024. Vanaf 1 september 2024 bestond er alleen nog recht op een lening. Dat dit zo is volgt uit het wettelijk stelsel van studiefinanciering waarin de wetgever bewuste keuzes heeft gemaakt, zoals de CRvB ook in de uitspraak van 16 september 2025 heeft geoordeeld.

Standpunten van [eiser]

3. [eiser] stelt dat de minister een ongerechtvaardigd onderscheid maakt tussen de situatie van een hbo-bachelor gevolgd door een hbo-master en de situatie van een hbo-bachelor gevolgd door een wo-master. Ook stelt zij dat de combinatie van een hbo-bachelor en een wo-master gelijke behandeling verdient. [eiser] vindt dit discriminerend en ook in strijd met het doel en strekking van de Wet op het hoger onderwijs en wettenschappelijk onderzoek (WHW).
3.1.
[eiser] stelt dat het gemaakte onderscheid niet overeenkomt met het beleid van de minister, dat is gericht op gelijke kansen en op de mogelijkheid om van het hbo door te stromen naar het wo. Volgens [eiser] zou de maatschappij dan ook het beste profiteren van de kwaliteiten van afgestudeerde studenten. Ondanks dit beleid blijkt echter uit niets dat stappen worden gezet voor vernieuwing van het stelsel. Ter onderbouwing hiervan heeft [eiser] zes bijlagen overgelegd met een verslag [3] van het commissiedebat van 2 juni 2025 van de Tweede Kamer, het rapport: Verkenning studiefinanciering 2024, een onderzoeksrapport [4] met bijbehorend persbericht en verkiezingsprogramma’s uit 2025 van de VVD en GL-PVDA.
3.2.
Ook stelt [eiser] dat de overwegingen in de uitspraak van 16 september 2025 van de CRvB onjuist zijn. Het onderscheid dat de CRvB maakt tussen een hbo-bachelor (initiële opleiding) en een wo-bachelor (onvoltooide initiële opleiding) staat op gespannen voet met artikel 7.3a van het WHW. Beide bacheloropleidingen worden afgesloten met een diploma, beide geven recht op dezelfde internationaal erkende titel en beide geven toegang tot de arbeidsmarkt. Ook hebben de in de uitspraak aangehaalde citaten uit de wetsgeschiedenis uit 2001 over de kwalificatie op de arbeidsmarkt een geringe betekenis voor de arbeidsmarkt van 2026.
3.3.
Over haar persoonlijke omstandigheden voert [eiser] aan dat zij een student is van de zogenoemde ‘pechgeneratie’. Zij heeft altijd naast haar full-timestudie moeten werken. Daardoor was er weinig tijd voor het studentenleven en heeft zij nu een studieschuld van
€ 7.732,-.

Beoordeling door de rechtbank

4. De rechtbank is van oordeel dat de minister de aanvraag voor een basisbeurs en aanvullende beurs voor de wo-master terecht heeft afgewezen. De rechtbank licht dit als volgt toe.
4.1.
In artikel 5.2, eerste lid, van de Wsf 2000 is bepaald dat een prestatiebeurs eenmalig voor een periode van vier jaar wordt verstrekt aan een student in het hoger onderwijs. De volledige wet- en regelgeving die voor deze uitspraak van belang is, staat in de bijlage bij deze uitspraak.
4.2.
De CRvB heeft in de uitspraak van 16 september 2025 geoordeeld dat aan verdragspartijen bij het EVRM op het gebied van de sociale zekerheid en sociaal beleid in het algemeen een ruime beoordelingsvrijheid toekomt bij het beantwoorden van de vraag of gevallen als gelijk moeten worden beschouwd, en, als dat zo is, of een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat om die gevallen toch in verschillende zin te regelen. Volgens de CRvB heeft de wet- en regelgever, voor zover in de onderhavige situatie al sprake is van gelijke gevallen, door deze gevallen verschillend te behandelen de hem toekomende beoordelingsvrijheid niet overschreden. Van ongerechtvaardigd onderscheid of discriminatie is dan ook geen sprake.
4.3.
De rechtbank ziet in de beroepsgronden van [eiser] geen aanleiding om daar anders over te oordelen. Uit de wetgeschiedenis volgt dat de wetgever in het verleden bewust heeft gekozen voor het huidige systeem. Dat die keuze van destijds - zoals [eiser] aanvoert - niet meer zou aansluiten op de huidige arbeidsmarkt en op de huidige visie ten aanzien van de doorstroming van hbo naar wo betekent niet dat haar aanvraag, in afwijking van de geldende wet- en regelgeving, moet worden toegekend. Zoals ook de CRvB heeft overwogen, is het aan de wetgever om hierover politiek-bestuurlijke afwegingen te maken.
4.4.
Dat [eiser] bij de zogenoemde ‘pechgeneratie’ hoort, dat zij veel naast haar studie heeft moeten werken en nu een studieschuld heeft, maakt het oordeel van de rechtbank niet anders. Hoewel de rechtbank begrijpt dat dit voor [eiser] zwaarwegende feiten en omstandigheden zijn, maakt dit niet dat de wet- en regelgeving voor haar dusdanig onevenredig heeft uitgepakt dat deze wet- en regelgeving daarom in haar situatie buiten toepassing moet worden gelaten.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat [eiser] geen gelijk krijgt. [eiser] krijgt daarom het griffierecht niet terug en geen vergoeding van de door haar gevraagde reis- en verletkosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Hoekstra, rechter, in aanwezigheid van J.T. Boddeüs, griffier. Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hoger beroepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: wettelijk kader

Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW)
Artikel 1.1. Begripsbepalingen
In deze wet wordt verstaan onder:
(…)
e. initieel onderwijs: hoger onderwijs als bedoeld in artikel 7.3a;
(…)
Artikel 6.2. Onderwijsaanbod
1. Het instellingsbestuur legt het voornemen tot:
het verzorgen van een nieuwe opleiding;
het samenvoegen van bestaande opleidingen; of
het gezamenlijk verzorgen van een opleiding of afstudeerrichting als bedoeld in artikel 7.3c, ter instemming aan Onze Minister voor met het oog op de beoordeling van een doelmatig onderwijsaanbod en de beoordeling van een doelmatige taakverdeling tussen de instellingen, gelet op het geheel van de voorzieningen op het gebied van het hoger onderwijs. Artikel 7.17, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
2. Onze Minister kan zich bij de beoordeling van het voornemen, bedoeld in het eerste lid, laten bijstaan door een adviescommissie. Bij het samenvoegen van bestaande opleidingen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, of bij het gezamenlijk verzorgen van een opleiding als bedoeld in artikel 7.3c oordeelt het accreditatieorgaan of er sprake is van een nieuwe opleiding.
(…)
Artikel 7.3a. Associate degree-, bachelor- en masteropleidingen
1. Binnen het wetenschappelijk onderwijs worden onderscheiden:
bacheloropleidingen, en
masteropleidingen, volgend op de bacheloropleidingen, bedoeld onder a.
2. Binnen het hoger beroepsonderwijs worden onderscheiden:
associate degree-opleidingen,
bacheloropleidingen, en
masteropleidingen volgend op de bacheloropleidingen, bedoeld onder b.
Artikel 7.5. Reguliere studielast opleidingen
1. Onverminderd de artikelen 7.5a tot en met 7.5d bedraagt de studielast van:
een bacheloropleiding in het wetenschappelijk onderwijs 180 studiepunten;
een masteropleiding in het wetenschappelijk onderwijs 60 studiepunten;
een bacheloropleiding in het hoger beroepsonderwijs 240 studiepunten;
een masteropleiding in het hoger beroepsonderwijs 60 studiepunten; en
en associate degree-opleiding 120 studiepunten.
(…)
Artikel 7.5a. Bijzondere studielast van opleidingen in het wetenschappelijk onderwijs
De studielast van een masteropleiding in het wetenschappelijk onderwijs:
tot leraar voor de periode van voorbereidend hoger onderwijs in vakken van voortgezet onderwijs bedraagt ten minste 60 studiepunten en ten hoogste 120 studiepunten. Het instellingsbestuur bepaalt binnen die bandbreedte de studielast van de opleiding;
voor het beroep van wijsgeer van een bepaald wetenschapsgebied bedraagt 120 studiepunten;
voor het beroep van arts, dierenarts, apotheker, tandarts en klinisch technoloog bedraagt 180 studiepunten; en
geneeskunde, klinisch onderzoeker bedraagt 240 studiepunten.
Artikel 7.5b. Bijzondere studielast van opleidingen in het hoger beroepsonderwijs
1. De studielast van een masteropleiding in het hoger beroepsonderwijs:
op het gebied van de kunst bedraagt een door het instellingsbestuur te bepalen studielast van ten minste 60 studiepunten en ten hoogste 120 studiepunten;
tot leraar voortgezet onderwijs van de eerste graad in algemene vakken bedraagt 90 studiepunten;
tot advanced nurse practitioner bedraagt 120 studiepunten;
tot physician assistant bedraagt 150 studiepunten; en
op het gebied van de bouwkunst bedraagt 240 studiepunten.
(…)
Wet studiefinanciering 2000
Artikel 5.2. Vorm en duur studiefinanciering
1. De prestatiebeurs hoger onderwijs wordt eenmalig aan een ho-student verstrekt gedurende 4 jaar, vermeerderd met:
eenmalig het aantal maanden dat het resultaat is van het aantal studiepunten, genoemd in de artikelen 7.5, eerste lid, onderdeel d, 7.5b, eerste lid en 7.5c, tweede en vierde lid WHW, gedeeld door vijf, indien een student is ingeschreven aan een in de betreffende artikelleden genoemde masteropleiding in het hoger beroepsonderwijs;
eenmalig het aantal maanden dat het resultaat is van het aantal studiepunten, genoemd in de artikelen 7.5a en 7.5c, tweede tot en met vijfde lid, WHW minus zestig en gedeeld door vijf, indien een ho-student is ingeschreven aan een in de betreffende artikelleden genoemde opleiding in het wetenschappelijk onderwijs.
(…)
4. Gedurende 36 maanden na de periode, bedoeld in het eerste lid, kan het collegegeldkrediet worden verstrekt en kan daarnaast studiefinanciering worden verstrekt in de vorm van een lening. Het bedrag van de lening, bedraagt in afwijking van de artikelen 3.1, vierde lid, 3.3, 3.13 en 3.18 naar de maatstaf van 1 januari 2014 per maand € 894,51. In de eerste 12 maanden kan tevens een reisvoorziening worden verstrekt in de vorm van een prestatiebeurs.
(…)
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden
Artikel 14. Verbod van discriminatie
Het genot van de rechten en vrijheden die in dit Verdrag zijn vermeld, moet worden verzekerd zonder enig onderscheid op welke grond ook, zoals geslacht, ras, kleur, taal, godsdienst, politieke of andere mening, nationale of maatschappelijke afkomst, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte of andere status.
Protocol nr. 12 bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden
Artikel 1. Algemeen verbod van discriminatie
1. Het genot van elk in de wet neergelegd recht moet worden verzekerd zonder enige discriminatie op welke grond dan ook, zoals geslacht, ras, kleur, taal, godsdienst, politieke of andere mening, nationale of maatschappelijke afkomst, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte of andere status.
2. Niemand mag worden gediscrimineerd door enig openbaar gezag op met name een van de in het eerste lid vermelde gronden.

Voetnoten

3.Vergaderjaar 2024 – 2025, 31 288, nr. 1203
4.‘Hbo’ers gelijkgeschakeld? Een onderzoek naar de (on)toegankelijkheid van wo-masters voor hbo-bachelor gediplomeerden’, februari 2025