3.3.1Feiten 1 en 2
3.3.1.1 De feitelijke gang van zaken: het contact tussen verdachte en [slachtoffer]
Uit het dossier komt naar voren dat verdachte en [slachtoffer] sinds de zomervakantie van 2024 (chat)contact met elkaar hebben via de applicaties Snapchat en TikTok. In die chats sturen zij onder meer hartjes en complimenten over en weer, zeggen ze tegen elkaar dat ze van elkaar houden en bespreken ze hoe ze onopgemerkt met elkaar af kunnen spreken op
21 september 2024. Aan de hand van de inhoud van die chatberichten - zoals specifiek weergegeven in de bewijsbijlage - concludeert de rechtbank dat verdachte en [slachtoffer] een affectieve relatie met elkaar hadden, althans op zijn minst een wederzijdse interesse in elkaar op dat vlak.
Op 18 en 20 september 2024 spreken verdachte en [slachtoffer] met elkaar af in een bos, gelegen in het natuurgebied De Borkeld in Markelo. Op 21 september 2024 spreken zij weer met elkaar af, dit keer in de ouderlijke woning van [slachtoffer] aan de [adres 2] . De ouders van [slachtoffer] zijn op dat moment op vakantie, maar zij zien via de beelden van de beveiligingscamera’s dat verdachte en [slachtoffer] samen de woning betreden. Op die dag, omstreeks 21:00 uur, treft de politie verdachte en [slachtoffer] aan in de woning van de ouders van [slachtoffer] . Nadat ze door de tante van [slachtoffer] zijn ontdekt, houdt verdachte zich schuil in één van de slaapkamers, waarvan hij de deur op slot heeft gedraaid. Terwijl hij daar verblijft zoekt hij op zijn telefoon ‘
strafbaar als je afspreekt met een minderjarige’. Na herhaaldelijk aandringen van de ter plaatse gekomen oom van [slachtoffer] en de politieagenten, komt verdachte - nadat bijna een halfuur is verstreken - uiteindelijk de slaapkamer uit.
De verklaring van [slachtoffer]
Diezelfde avond op 21 september 2024 vertelt [slachtoffer] in de politieauto aan de ter plaatse gekomen verbalisant [verbalisant] onder meer dat zij vaker met verdachte heeft afgesproken, dat zij hebben gezoend en dat zij door hem is gevingerd.
In haar studioverhoor op 1 oktober 2024 verklaart [slachtoffer] dat verdachte haar heeft toegevoegd op Snapchat en dat ze op die manier in contact zijn gekomen. Zij verklaart dat ze op 18 en 20 september 2024 met verdachte heeft afgesproken. Dit was op een bankje in het bos in De Borkeld. Daar hebben zij meermalen gezoend (zonder tong). Tijdens hun afspraak op
20 september 2024 heeft verdachte ook onder haar kleren aan haar borsten gezeten. [slachtoffer] verklaart dat hij haar shirt omhoog deed en aan haar borsten ging zitten. Vervolgens ging verdachte met zijn hand verder naar onder toe en stopte hij een vinger in haar vagina, terwijl ze aan het zoenen waren.
De verklaring van verdachte
Verdachte ontkent dat hij ooit seksuele handelingen heeft verricht bij [slachtoffer] . Hij verklaart dat ze contact hadden via Snapchat. Hij heeft met goede bedoelingen meermalen met [slachtoffer] afgesproken, omdat zij ergens mee zat en dat met hem wilde bespreken. Dit was een keer in het bos in De Borkeld en op 21 september 2024 bij haar thuis. Verdachte wilde [slachtoffer] helpen. Hij herkent zichzelf op de afbeeldingen van 18 en 20 september 2024 die zijn aangetroffen op de telefoon van [slachtoffer] (pagina’s 80-81 en 84 procesdossier). Verder verklaart verdachte in zijn politieverhoor dat hij van de periode, nadat hij Snapchat heeft gedownload (vlak voor juli 2024), niets meer weet en dat hij zich niet kan herinneren wat hij toen allemaal heeft gedaan.
3.3.1.2 De overwegingen van de rechtbank
Ter discussie staat of verdachte seksuele handelingen heeft verricht bij [slachtoffer] .
Het wettelijk kader: bewijsminimum en steunbewijs
Bij de beoordeling van het bewijs stelt de rechtbank voorop dat zedenzaken zich doorgaans kenmerken door de omstandigheid dat slechts twee personen aanwezig waren bij de (gestelde) seksuele handelingen: het vermeende slachtoffer en de vermeende dader.
Bij een ontkennende verdachte, zoals in deze zaak het geval is, brengt dit in veel gevallen met zich dat de verklaring van het vermeende slachtoffer als belangrijkste bewijsmiddel voorhanden is. Op grond van artikel 342, tweede lid, Sv kan het bewijs dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, niet uitsluitend worden aangenomen op grond van enkel de verklaring van het vermeende slachtoffer, in dit geval de verklaring van [slachtoffer] .
Om tot een bewezenverklaring te komen, dient sprake te zijn van steunbewijs. Die ondersteuning hoeft niet te zien op alle onderdelen van de tenlastelegging. Het gaat erom dat de verklaring op specifieke punten steun vindt in ander bewijsmateriaal, zodat die verklaring ‘niet op zichzelf staat’, maar als het ware is ingebed in een concrete context die bevestiging vindt in een andere bron. De vraag of aan dit zogenaamde bewijsminimum van artikel 342, tweede lid, Sv is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval.
Voor bewijs van misbruik is het dus niet nodig dat het misbruik als zodanig bevestiging vindt in ander bewijsmateriaal, maar de verklaring van [slachtoffer] moet wel op (andere) onderdelen steun vinden in bewijsmiddelen die op zichzelf staan. Voordat de rechtbank aan die beoordeling toekomt, moet de rechtbank allereerst een andere vraag beantwoorden namelijk of de verklaring van [slachtoffer] als betrouwbaar kan worden aangemerkt en (als uitgangspunt) voor het bewijs kan worden gebruikt.
De betrouwbaarheid van de verklaring van [slachtoffer]
De verdediging heeft aangevoerd dat de verklaring van [slachtoffer] niet betrouwbaar is, omdat zij door verbalisant [verbalisant] , en later ook door haar ouders, is gestuurd in de totstandkoming van haar verklaring(en). [slachtoffer] zou haar verklaring tijdens het studioverhoor onder druk van haar ouders hebben afgelegd. De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daarbij het volgende.
De rechtbank stelt vast dat de door [slachtoffer] afgelegde verklaring tijdens het studioverhoor op
1 oktober 2024 op essentiële punten gelijkluidend is aan hetgeen zij op 21 september 2024 in de politieauto aan verbalisant [verbalisant] heeft verteld. Haar verklaringen zijn consistent waar het gaat over de seksuele handelingen die zich hebben afgespeeld tussen haar en verdachte. In haar eerste (korte) verklaring verklaart [slachtoffer] over het zoenen en het vingeren. Dat de verbalisant - bij wie ze deze eerste verklaring aflegde - geen zedenrechercheur is en geen open vragen heeft gesteld, doet niet af aan de betrouwbaarheid van haar verklaring. De rechtbank overweegt daarover als volgt. Nadat [slachtoffer] , een dertienjarig meisje, met een smoes van haar logeeradres naar de ouderlijke woning was vertrokken, is zij daar - geruime tijd later - door een gealarmeerde tante aangetroffen, terwijl de negentienjarige verdachte zich elders in de woning had verstopt en ingesloten. Dat was ook de situatie die de politie aantrof. Gelet op de omstandigheden van die avond heeft de politie logischerwijs ad hoc moeten handelen, waarbij de begrijpelijke keuze is gemaakt aangeefster ter plaatse te doen horen door een (vrouwelijke) verbalisant die die avond met noodhulp was belast. De rechtbank overweegt dat [slachtoffer] in het studioverhoor in grote lijnen herhaalt wat zij in haar eerste verklaring heeft verklaard. [slachtoffer] vult daar aan dat verdachte ook haar borsten heeft betast. In het studioverhoor verklaart [slachtoffer] gedetailleerd over de seksuele handelingen en de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden. Zo verklaart zij over de manier waarop verdachte haar broek losmaakte, hoe hij zijn vinger in haar vagina bracht en wat zij hierbij voelde. Zij weet ook nog te vertellen wat voor soort broek zij op dat moment aan had. Daarnaast verklaart zij gedetailleerd over hoe het betasten van haar borsten en het zoenen is gegaan. Daarbij maakt zij de handelingen niet groter dan dat ze zijn. Zo verklaart zij dat er zonder tong is gezoend en dat verdachte slechts één vinger bij haar naar binnen heeft gebracht, wanneer daarnaar wordt gevraagd.
Verder koppelt [slachtoffer] de seksuele handelingen aan een tijd (18 en 20 september 2024) en een plaats (het bos in De Borkeld in Markelo) die door verdachte bevestigd worden. Verdachte heeft ter zitting immers verklaard dat zij in De Borkeld hebben afgesproken. Ook komen de door [slachtoffer] genoemde data overeen met de data die zijn gekoppeld aan de afbeeldingen op haar telefoon waarop verdachte zichzelf ter zitting heeft herkend.
Bovendien blijkt zowel uit de aangifte van haar moeder als uit het getuigenverhoor van haar tante dat [slachtoffer] - een meisje met lichte LVB-problematiek en een stoornis in het autismespectrum - tijdens het afleggen van haar eerste verklaring nog niet begreep dat de verrichte seksuele handelingen strafbaar waren. Zij vroeg zich af wat daaraan verkeerd of fout was. Dat [slachtoffer] het kwalijke van hun contact niet inzag volgt ook uit het laatste chatbericht dat zij naar verdachte heeft gestuurd, nadat zij samen in de woning zijn aangetroffen, waarin ze haar excuses aan hem aanbiedt. De rechtbank komt tot de conclusie dat [slachtoffer] aanvankelijk over de seksuele handelingen heeft verklaard zonder dat zij zich realiseerde dat zij verdachte daarmee kon belasten. Dit maakt de (eerste) verklaring van [slachtoffer] authentiek en oprecht en daarmee wint die verklaring aan geloofwaardigheid.
Op grond van de voorgaande overwegingen is de rechtbank van oordeel dat de verklaring van [slachtoffer] op de hiervoor genoemde punten betrouwbaar, geloofwaardig en bruikbaar voor het bewijs is.
De verklaring van [slachtoffer] vormt daarmee het uitgangspunt van de bewijsvoering. De vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden is of de verklaring van [slachtoffer] ook voldoende is ingebed in een concrete context die bovendien bevestiging vindt in ander bewijsmateriaal. De rechtbank overweegt daarover, met inachtneming van het hierboven geschetste kader over het bewijsminimum, het volgende.
De verklaring van [slachtoffer] vindt onder meer steun in de chatberichten die verdachte en [slachtoffer] onderling uitwisselden. De rechtbank hecht daarbij in het bijzonder belang aan het gedrag en de berekenende houding van verdachte die uit de chatberichten naar voren komt in aanloop naar de afspraak met [slachtoffer] op 21 september 2024. In deze chatberichten van 21 september 2024 is te lezen dat hij [slachtoffer] onder druk zet om een smoes voor haar ouders te verzinnen, zodat ze die avond met elkaar kunnen afspreken. Hij blijft hier gedurende de dag op aandringen. Ook laat hij aan [slachtoffer] weten dat hij erg bang is voor de camera’s bij de woning van haar ouders en als haar ouders hem op de camera’s zien hij “de pineut” is. Hij vraagt ook aan [slachtoffer] of [naam 1] - zijn kickboks-leraar en de oom van [slachtoffer] - bij [slachtoffer] in de buurt woont. Verder vraagt hij aan [slachtoffer] of ze niet op een andere plek kunnen afspreken in plaats van bij haar thuis.
Ook het gedrag van verdachte tijdens de afspraak met [slachtoffer] op 21 september 2024 ondersteunt haar verklaring. Wanneer de moeder van [slachtoffer] om 19:59 uur een Whatsappbericht aan verdachte stuurt met de vraag of hij nog contact heeft met [slachtoffer] , antwoordt verdachte ontkennend, terwijl hij op dat moment samen met [slachtoffer] in de woning is. Daarbij komt dat verdachte zich direct opsluit in een andere slaapkamer, op het moment dat de tante van [slachtoffer] zich kenbaar maakt in de woning. Daar verricht hij de Google-zoekopdracht ‘
strafbaar als je afspreekt met een minderjarige’ op zijn telefoon. Pas na een half uur slagen de oom van [slachtoffer] en de politie erin om hem naar buiten praten.
Uit al het voorgaande leidt de rechtbank af dat verdachte zijn contact met [slachtoffer] op verschillende manieren probeerde te verhullen. Als verdachte slechts voor een goed gesprek met [slachtoffer] naar de afspraken in het bos en de woning zou zijn gekomen, zoals hij heeft verklaard, zou hij logischerwijs niets te verbergen hebben. De rechtbank is daarom van oordeel dat de bovengenoemde handelingen van verdachte de verklaring van [slachtoffer] - dat er seksuele handelingen tussen hen hebben plaatsgevonden - ondersteunen.
Bovendien volgt uit het onderzoek van de telefoon van verdachte dat hij seksueel getint (chat)contact had met ene ‘ [naam 2] ’, die door de politie op een leeftijd van onder de veertien jaar wordt geschat, alsook met een sekswerker aan wie verdachte de contactgegevens van haar veertienjarige dochter vroeg. Ook beschikte verdachte op zijn telefoon over afbeeldingen en video’s van minderjarigen, veelal in de leeftijdscategorie van [slachtoffer] , die seksuele handelingen verrichten en/of ondergingen.
De verklaring van verdachte, dat hij geen seksuele handelingen met [slachtoffer] heeft verricht, acht de rechtbank op basis van het voorgaande ongeloofwaardig. Verdachte sprak met [slachtoffer] af om seksueel contact met haar te hebben. Dit terwijl hij wist dat [slachtoffer] minderjarig en kwetsbaar was, nu haar moeder hem dat op 6 september 2024 via Whatsapp meldde en hij [slachtoffer] al langer kende omdat hij haar in het verleden kickboks-les heeft gegeven. Daarbij komt dat verdachte wisselende verklaringen heeft afgelegd. Zo heeft hij ter zitting een andere verklaring afgelegd dan in zijn eerdere politieverhoor. Na ter zitting geconfronteerd te zijn met de afbeeldingen die op de telefoon van [slachtoffer] waren aangetroffen, en waarop hij zichzelf herkende, bekende verdachte toch vaker dan slechts een enkele keer met haar te hebben afgesproken en dat dit in De Borkeld was. Verdachte lijkt dus alleen die punten te bekennen waar hij niet onderuit kan komen en geeft geen openheid van zaken.
Het voorgaande maakt dat de rechtbank van oordeel is dat de (betrouwbare) verklaring van [slachtoffer] over het seksueel binnendringen en de overige seksuele handelingen in voldoende mate steun vindt in andere bewijsmiddelen. Daarmee stelt de rechtbank vast dat de ten laste gelegde seksuele handelingen (het zoenen, het betasten van de borsten en het vingeren) tussen verdachte en [slachtoffer] hebben plaatsgevonden in de ten laste gelegde periode.
Vrijspraak van dwang, geweld en/of bedreiging
Hoewel [slachtoffer] heeft verklaard dat de seksuele handelingen tegen haar wil zijn verricht, is de rechtbank van oordeel dat het dossier op dat punt onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat. Gelet op de inhoud van de eerder genoemde chatberichten en de beschreven verstandhouding tussen verdachte en [slachtoffer] , is naar het oordeel van de rechtbank niet voldoende komen vast te staan dat sprake is geweest van dwang, geweld of bedreiging bij het verrichten van de seksuele handelingen. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van dit onderdeel van de tenlastelegging onder de feiten 1 en 2.
Concluderend acht de rechtbank het onder 1 en 2 wettig en overtuigend bewezen, met uitzondering van de ten laste gelegde dwang, geweld en/of bedreiging.