ECLI:NL:RBOVE:2026:2191
Rechtbank Overijssel
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beëindiging maatwerkvoorziening beschermd wonen met terugwerkende kracht gegrond verklaard
Eiser had een maatwerkvoorziening beschermd wonen op grond van de Wmo 2015, die per 10 april 2024 werd beëindigd vanwege zijn toelating tot de Wet langdurige zorg (Wlz). Het college trok de voorziening met terugwerkende kracht in omdat eiser het college niet tijdig had geïnformeerd over zijn Wlz-indicatie, waardoor hij zijn inlichtingenplicht schond.
Eiser voerde aan dat de intrekking met terugwerkende kracht in strijd was met de rechtszekerheid en dat hij financiële problemen ondervond door hogere woonkosten en eigen bijdragen vanuit de Wlz. De rechtbank oordeelde dat het college bevoegd was tot intrekking op grond van artikel 2.3.10 Wmo 2015, omdat eiser onvolledige gegevens had verstrekt.
De belangenafweging wees uit dat het college zijn belang bij correcte besteding van gemeenschapsgelden en juiste uitvoering van de Wmo 2015 zwaarder mocht laten wegen dan het belang van eiser. De hogere kosten waren ook onvermijdelijk geweest bij tijdige melding. De rechtbank vond het besluit noodzakelijk, geschikt en niet onevenredig.
Het beroep werd ongegrond verklaard, het bestreden besluit bleef in stand en eiser kreeg geen proceskostenvergoeding of terugbetaling van griffierecht.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking met terugwerkende kracht van de maatwerkvoorziening beschermd wonen wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.