Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2026:2201

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
21 april 2026
Publicatiedatum
21 april 2026
Zaaknummer
ak_24_958
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.3.5 Wmo 2015Verordening maatschappelijke ondersteuning Hof van Twente 2023
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag tweepersoons opklapbaar bed op grond van Wmo 2015

De eiseres, die een persoonsgebonden budget ontvangt vanwege een indicatie voor 24-uurszorg en meerdere ernstige aandoeningen heeft, diende een aanvraag in voor een tweepersoons opklapbaar bed om beneden te kunnen slapen. Het college van burgemeester en wethouders van Hof van Twente wees deze aanvraag af omdat het bed een algemeen gebruikelijke voorziening betreft en de noodzaak niet was vastgesteld.

De rechtbank behandelde het beroep en oordeelde dat het bed voldoet aan de criteria van een algemeen gebruikelijke voorziening, aangezien het financieel met een minimuminkomen kan worden gedragen. De stelling van eiseres dat zij door haar bijzondere medische omstandigheden en stapeling van kosten niet in staat is de voorziening zelf te bekostigen, acht de rechtbank niet relevant voor de beoordeling onder de Wmo 2015.

De rechtbank verwijst naar de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep, waarin is bepaald dat de financiële draagkracht van de individuele aanvrager niet bepalend is voor de vraag of een voorziening algemeen gebruikelijk is. De rechtbank concludeert dat het beroep ongegrond is en dat eiseres geen recht heeft op vergoeding van griffierecht of proceskosten.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag voor een tweepersoons opklapbaar bed wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL
Zittingsplaats Almelo
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 24/958

uitspraak van de enkelvoudige kamer van in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats],

(gemachtigde: mr. K. Wevers),
en

het college van burgemeester en wethouders van Hof van Twente (college)

(gemachtigde: [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2]).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van [eiser] tegen de afwijzing van haar aanvraag op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015). Daarbij gaat het om een aanvraag voor een tweepersoons opklapbaar bed.
1.1.
[eiser] woont samen met haar man en zoon. Zij ontvangt een persoonsgebonden budget (pgb), omdat zij een indicatie heeft voor 24 uurszorg op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz). Het bijbehorend zorgprofiel is ‘lichamelijke handicap 5LG, wonen met begeleiding en intensieve verzorging’. [eiser] heeft meerdere aandoeningen aan het bewegingsapparaat, het immuunsysteem en het zenuwstelsel. Zij is daardoor volledig rolstoelafhankelijk, kan nauwelijks zelfstandig rechtop zitten en kan niet lopen of staan. Ook kampt zij met functiestoornissen van de ademhaling, regulatie van de hartfrequentie en incontinentie. Daarbij is nog sprake van een voedingsstoornis, slikproblemen, een vertraagde maagontlediging en veel allergische reacties op voeding en een intolerantie voor temperatuurverschillen.
1.2.
Na een melding heeft [eiser] op 16 december 2022 de aanvraag ingediend voor een tweepersoons opklapbaar bed.
1.3.
Met het besluit van 16 januari 2023 heeft het college de aanvraag afgewezen. Met het bestreden besluit van 20 december 2023 op het bezwaar van [eiser] is het college bij de afwijzing gebleven. Tegen dat besluit heeft [eiser] beroep ingesteld.
1.4.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.5.
De rechtbank heeft het beroep op 9 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiser], zorgverlener [naam], de gemachtigde van [eiser] en de gemachtigden van het college.

Standpunten van het college

2. Het college heeft de aanvraag afgewezen, omdat een tweepersoons opklapbaar bed een algemeen gebruikelijke voorziening is. Daarnaast is de noodzaak voor een dergelijk bed niet vastgesteld. Dit kan ook niet worden afgeleid uit het adviesrapport van 11 mei 2022 van Ausems en Kerkvliet. Volgens het college blijkt daaruit dat [eiser] beschikt over een hoog/laag bed en dat een meer ingrijpende bouwkundige aanpassing nodig is om de woning geschikt te maken. Bij een ingrijpende woningaanpassing wordt echter eerste gekeken naar de mogelijkheid van verhuizen naar een andere, geschikte of beter geschikte te maken woning. De stelling dat [eiser] een tweepersoons opklapbaar bed niet kan betalen vanwege haar minimuminkomen is niet onderbouwd en ook niet aannemelijk, aldus het college

Standpunten van [eiser]

3. [eiser] heeft een tweepersoons opklapbaar bed aangevraagd, om beneden te kunnen slapen. Dit is volgens haar nodig omdat haar verzorgings-/verplaatsingsmiddel voor de bovenverdieping er niet meer is en de badkamer beneden is. Een nieuwe aanvraag voor een verzorgings-/verplaatsingsmiddel is afgewezen, waardoor zij en haar man noodgedwongen beneden op de bank zijn gaan slapen. Deze bank is kapotgegaan en versleten, waardoor zij en haar man pijnklachten hebben. Haar man moet ’s nachts altijd bij haar zijn vanwege de noodzakelijke verzorging. Er is beneden onvoldoende ruimte om daar permanent een tweepersoons bed te hebben staan. Het is nodig dat het bed kan worden opgeklapt als het niet wordt gebruikt.
3.1.
[eiser] stelt dat een tweepersoons opklapbaar bed in haar situatie geen algemeen gebruikelijke voorziening is, omdat zij dat met haar minimum inkomen niet kan betalen. Ook heeft het college er geen rekening mee gehouden dat zij al veel zorgkosten heeft aan andere voorzieningen. Dit komt mede doordat het college de badkamer in 2016 niet adequaat heeft aangepast. Door verschillende andere omstandigheden, procedures en een verslechtering van haar gezondheid is zij nu genoodzaakt om te betalen voor een veelvoud aan voorzieningen. Hierdoor is sprake van een stapeling van kosten. Daarom is er geen sprake van een algemeen gebruikelijke voorziening die door iemand met een minimuminkomen betaald kan worden.

Beoordeling door de rechtbank

4. De rechtbank boordeelt het betreden besluit aan de hand van de beroepsgronden.
4.1.
De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is en licht dit als volgt toe.
4.2.
[eiser] heeft met haar aanvraag voor een tweepersoons opklapbaar bed verzocht om een maatwerkvoorziening. In artikel 2.3.5, derde lid van de Wmo 2015 is bepaald dat het college beslist tot verstrekking van een maatwerkvoorziening (…) voor zover de cliënt deze problemen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen.
4.3.
De gemeenteraad van de gemeente Hof van Twente heeft voor het verstrekken van maatwerkvoorzieningen meer specifieke regels gesteld in de Verordening maatschappelijke ondersteuning Hof van Twente 2023.
4.4.
De Centrale Raad van Beroep heeft bepaald dat een college geen maatwerkvoorziening hoeft te verstrekken als het gebruik van diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen of andere maatregelen die naar hun aard algemeen gebruikelijk zijn een uitkomst bieden. [1] Een hulpmiddel geldt voor de Wmo 2015 als “algemeen gebruikelijk” indien deze niet specifiek is bedoeld voor personen met een beperking, daadwerkelijk beschikbaar is, een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de betrokkene tot zelfredzaamheid of participatie in staat is en deze financieel kan worden gedragen met een minimuminkomen. [2]
4.5.
Niet in geschil is dat aan de eerste drie voorwaarden is voldaan. Wel in geschil is of aan de vierde voorwaarde is voldaan, namelijk of een tweepersoons opklapbaar bed financieel kan worden gedragen. [eiser] stelt zich op het standpunt dat dat niet geval is, omdat zij te maken heeft met een opeenstapeling van kosten voor een veelvoud aan voorzieningen.
4.6.
Volgens de onder 4.4. genoemde rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep dient deze voorwaarde zo te worden begrepen dat een dienst, hulpmiddel, woningaanpassing of andere maatregel
naar algemeen aanvaarde maatschappelijk opvattingen onder de gehele bevolking gangbaaris te achten. Of een voorziening algemeen gebruikelijk is, dient dus los gezien te worden van de financiële omstandigheden in het concrete geval.
4.7.
De rechtbank is van oordeel dat een tweepersoons opklapbaar bed volgens deze maatstaven “algemeen gebruikelijk” is, omdat de kosten ervan in het algemeen met een inkomen op minimumniveau kunnen worden gedragen.
4.8.
Als [eiser] door haar bijzondere medische omstandigheden niet beschikt over voldoende financiële middelen om te voorzien in de uit die bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten voor een veelvoud aan benodigde voorzieningen, dan biedt niet de Wmo, maar veeleer de Participatiewet daarvoor de benodigde voorzieningen, mits aan de desbetreffende voorwaarden wordt voldaan.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat [eiser] geen gelijk krijgt. Daarom krijgt zij het betaalde griffierecht niet terug en ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Koster, rechter, in aanwezigheid van J.T. Boddeüs, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hoger beroepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “ Formulieren en inloggen” op rechtspraak.nl Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Uitspraak van 20 november 2019 met het kenmerk: ECLI:NL:CRVB:2019:3535.
2.Uitspraak van 3 juli 2024 met het kenmerk: ECLI:NL:CRVB:2024:1364.