Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2026:2230

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
22 april 2026
Publicatiedatum
22 april 2026
Zaaknummer
AK_24_492
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:22 AwbArt. 7:12 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing WIA-uitkering na deskundigenonderzoek bevestigd door rechtbank

Eiser diende een aanvraag in voor een WIA-uitkering, die door het UWV werd afgewezen wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid. Eiser stelde dat er meer beperkingen waren dan door het UWV aangenomen, onderbouwd met medische rapportages van een neuroloog.

De rechtbank schakelde een onafhankelijke verzekeringsarts in, die concludeerde dat de functionele mogelijkhedenlijst (FML) van het UWV correct was en geen extra beperkingen per datum in geding konden worden vastgesteld. Partijen reageerden op het rapport, waarna de deskundige zijn conclusies bevestigde.

De rechtbank volgde het deskundigenrapport en oordeelde dat het beroep ongegrond is. Hoewel het UWV in beroep de FML aanpaste, was het oorspronkelijke besluit niet onrechtmatig, en het motiveringsgebrek werd gepasseerd. Het UWV werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de WIA-uitkering is ongegrond verklaard en het UWV heeft de aanvraag terecht afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 24/492

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], eiser,

(gemachtigde: J.R. Beukema),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen(UWV),
(gemachtigde: L.A.P. ter Laak).

Samenvatting

Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA). Het UWV heeft de aanvraag afgewezen omdat eiser minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Eiser is het hier niet mee eens en heeft beroep ingesteld. De rechtbank heeft een deskundige ingeschakeld en volgt de conclusies van deze deskundige. Eiser krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

1.1.
Eiser heeft een aanvraag ingediend om een WIA-uitkering. Het UWV heeft deze aanvraag met het besluit van 13 december 2022 afgewezen. Met het bestreden besluit van
8 december 2023 op het bezwaar van eiser is het UWV bij de afwijzing van de aanvraag om een WIA-uitkering per 11 november 2022 gebleven.
1.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 10 februari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het UWV.
1.4.
De rechtbank heeft het onderzoek heropend en heeft verzekeringsarts drs. H.E. van der Horst als onafhankelijk deskundige ingeschakeld. De deskundige heeft op 5 november 2025 een rapport uitgebracht.
1.5.
Partijen hebben gereageerd op het rapport van de deskundige. De deskundige heeft op 16 februari 2026 aanvullend gerapporteerd. Eiser heeft gereageerd op het nadere rapport van de deskundige.
1.6.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een extra zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Partijen hebben daarmee ingestemd. Daarna heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Standpunten van partijen

Standpunt van eiser
2. Eiser stelt dat hij meer klachten en beperkingen heeft dan door het UWV is aangenomen. Het UWV had een beperking moeten aannemen op het punt 1.1, ‘vasthouden van de aandacht in het dagelijks functioneren’, omdat eiser de aandacht niet langer dan een half uur kan richten op één informatiebron. Daarnaast is eiser aangewezen op werk waarbij hij niet of nauwelijks wordt afgeleid door visuele prikkels (punt 1.8.1). Ook had het UWV verder gaande beperkingen aan moeten nemen op punt 4.15 ‘hoofdbewegingen maken’. Eiser kon op 11 november 2022 zijn nek niet verder roteren dan 20 graden links en 40 graden rechts, achteroverbuigen van de nek is beperkt tot 10 graden en lateroflexie is links beperkt tot
20 graden. Verder hadden beperkingen voor duwen, trekken, lopen en staan moeten worden aangenomen vanwege een lumbale kanaalstenose / neurogene claudicatio. Tot slot had een urenbeperking moeten worden aangenomen wegens een chronisch pijnsyndroom. Dat deze beperkingen hadden moeten worden aangenomen blijkt volgens eiser uit de rapportages van de door eiser ingeschakelde neuroloog J.U.R. Niewold (Niewold) van 20 oktober 2024,
11 januari 2025 en 10 januari 2026.
Standpunt van het UWV
3. Het UWV heeft in reactie op Nieuwold de functionele mogelijkhedenlijst (FML) op
7 november 2024 aangevuld met beperkingen voor beroepsmatig vervoer en beschermende middelen, en stelt dat daarmee voldoende beperkingen zijn aangenomen. Het UWV verwijst daarvoor naar de rapportage van de verzekeringsarts van 24 november 2022 en naar de rapportages van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 5 december 2023, 7 november 2024, 29 januari 2025 en 25 november 2025.

Benoeming deskundige

4.1.
Gelet op het verschil in standpunten tussen de door eiser ingeschakelde neuroloog Nieuwold en de verzekeringsartsen van het UWV over de belastbaarheid van eiser heeft de rechtbank een deskundige benoemd. De door de rechtbank ingeschakelde deskundige verzekeringsarts Van der Horst heeft in zijn rapportage van 5 november 2025 geconcludeerd dat er geen grond is om per datum in geding (11 november 2022) meer beperkingen aan te nemen dan gegeven in de FML van 7 november 2024.
4.2.
Partijen hebben hun zienswijzen op het rapport van de deskundige gegeven.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep van het UWV heeft opgemerkt dat de deskundige eiser heeft onderzocht op 31 oktober 2025 en dat eiser daarbij aangaf dat zijn klachten duidelijk verergerd waren ten opzichte van de datum in geding. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de deskundige goed inzichtelijk gemaakt dat er geen aanleiding is om de in de FML van 7 november 2024 weergegeven belastbaarheid van eiser aan te passen. Eiser is het niet eens met de conclusies van de deskundige. De deskundige heeft desgevraagd op 16 februari 2026 aanvullend gerapporteerd naar aanleiding van de bedenkingen van eiser. Hij ziet geen aanleiding om van zijn eerdere conclusies terug te komen.

Beoordeling door de rechtbank

5. De rechtbank beoordeelt of het UWV terecht de aanvraag om een WIA-uitkering per
11 november 2022 heeft afgewezen. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser in beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep niet slaagt. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
5.1.
In het rapport van 5 november 2025 heeft de deskundige vermeld dat vastgesteld kan worden dat eiser na zijn auto-ongeval beperkingen in het functioneren heeft overgehouden, waarbij zowel het persoonlijk en sociaal functioneren als de fysieke belastbaarheid beperkt is. Veel klachten zijn echter niet (rechtstreeks en medisch objectiveerbaar) terug te voeren op onderliggende ziekten/gebreken, omdat ook gedragsmatige factoren en deconditioning een rol spelen, wat blijkt uit onder meer de inconsistenties bij de diverse onderzoeken, de slechts tijdelijke verbetering na revalidatie en de gevonden (aanwijzingen voor) onderpresteren bij NPO (neuropsychologisch onderzoek). Ook is de ernst van de ervaren klachten groter dan wat bij gevonden afwijkingen past. Dit alles leidt tot een minder beperkte FML dan wat op basis van het door eiser ervaren functieverlies verwacht mag worden, maar wat inherent is aan de onderliggende wet- en regelgeving.
5.2.
Verder vermeldt de deskundige dat de in de diverse rapporten gepresenteerde anamnese en onderzoeksgegevens van de primaire (verzekerings)arts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep inzichtelijk en conform deze regelgeving zijn uitgevoerd en weergegeven. Er is rekening gehouden met de gegevens vanuit de bedrijfsarts (met zijn hulponderzoeken) en curatieve sector inclusief het revalidatiecentrum. De aangegeven FML is hierbij een logisch volgende uitkomst, zeker met de aanvullingen die in bezwaar zijn opgenomen (de beperkingen ten aanzien van beroepsmatig rijden en ten aanzien van nek/schouder belastende beschermende middelen). De gronden voor het niet aannemen van een duurbeperking (in passende arbeid) per datum in geding zijn ook inzichtelijk uitgewerkt in het verslag van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De gegeven beperking voor nachtarbeid blijft in stand.
5.3.
Volgens de deskundige is een en ander bij zijn spreekuuronderzoek niet goed te evalueren omdat er ruim na 11 november 2022 belangrijke en helaas nog voortdurende medische problemen (en ongetwijfeld toegenomen beperkingen) aan de orde zijn, die echter geen gevolg zijn van de reeds vastgestelde beperkingen. Deze bias zal volgens hem ook bij de neurologische expertise meegespeeld hebben. Het spreekuur onderzoek levert echter geen aanvullende gegevens op om de bevindingen rond datum in geding bij dossierstudie te ontkrachten.
5.4.
De deskundige heeft dan ook geconcludeerd dat er geen medische grond is voor het aanpassen van de FML zoals deze werd opgesteld door de verzekeringsarts bezwaar en beroep van het UWV.
5.5.
In reactie op de zienswijze van eiser heeft de deskundige in de nadere rapportage onder meer te kennen gegeven dat de gegevens vanuit zijn lichamelijk onderzoek van 31 oktober 2025 door de door eiser gerapporteerde toename van klachten en inmiddels gewijzigde medische situatie geen adequaat beeld geven van de situatie op de datum in geding, zodat met de wetenschap van nu op basis van de verslagen van het UWV, de bedrijfsarts (inclusief het NPO) en de curatieve sector van destijds beoordeeld moet worden of deze gegevens de conclusies over de belastbaarheid van eiser kunnen dragen. Dat is naar de mening van de deskundige het geval.
5.6.
Verder vermeldt de deskundige dat de beperkingen ten aanzien van persoonlijk en sociaal functioneren zijn vastgesteld naar aanleiding van dossierstudie, anamnese en eigen onderzoek van de primaire (verzekerings)arts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep en zeker niet alleen op basis van het NPO. De weging is in de rapportages weergegeven.
5.7.
Dit geldt volgens de deskundige ook voor de fysieke beperkingen van zowel de nekbelasting als van het staan en lopen. De bevindingen van dat moment zijn in
de rapporten opgenomen. Inconsistenties komen niet alleen voor in het NPO, in de beoordeling van de primaire arts (met betrekking tot de nekklachten), maar ook in
de beoordeling van bedrijfsarts en de second opinion-arts, die niet alle klachten
1 op 1 als beperking opnemen.
5.8.
Ook vermeldt de deskundige dat met betrekking tot het staan en lopen hetzelfde geldt; hoewel eiser zich hierin beperkt acht, wordt bij onderzoek op dat moment geen afwijking gevonden waardoor, ook al zou op dat moment de later vastgestelde medische aandoening al hebben bestaan, er sowieso per datum in geding geen grond is om in de FML beperkingen voor staan en lopen aan te nemen.
5.9.
Over de duurbeperking geldt volgens de deskundige naast de reeds aangegeven gronden (geen onderliggende aandoening die energetische belemmeringen geeft, geen structurele noodzakelijke behandelingen) dat de bedrijfsarts en secondopinionarts voltijds werken (in
opbouw en in passend werk) mogelijk achtten en het revalidatiecentrum een activerend beleid nastreefde.
5.10.
Tot slot heeft de deskundige meegedeeld dat hij noch door het UWV, noch door eiser betaald wordt, dat hij eerst gedeeltelijk en vanaf 2009 volledig als zelfstandig verzekeringsarts werkzaam is geweest, met UWV met enige regelmaat als mede-opdrachtgever (nooit volledig), en dat hij na 2016 niet meer voor de afdeling Bezwaar en Beroep van het UWV gewerkt heeft, in welke regio dan ook. Hij verricht vanaf de start van zijn werkzaamheden bij Priocura geen werkzaamheden voor het UWV.
6. Als uitgangspunt geldt dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde deskundige volgt als de motivering van deze deskundige hem overtuigend voorkomt, tenzij bijzondere omstandigheden afwijking van deze hoofdregel kunnen rechtvaardigen. [1] De rechtbank ziet geen reden om in dit geval een uitzondering op deze hoofdregel aan te nemen. Het deskundigenrapport geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek en is inzichtelijk en concludent. Er zijn geen overtuigende argumenten aangevoerd die aanleiding geven de conclusie van de deskundige niet te volgen.
De conclusie van de deskundige wordt dan ook gevolgd. Dat betekent dat wordt uitgegaan van de juistheid van de in de FML van 7 november 2024 vastgestelde belastbaarheid.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat het UWV de aanvraag om een WIA-uitkering terecht heeft afgewezen. Omdat het UWV in beroep de FML heeft aangepast en dus pas in beroep een deugdelijke motivering aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd, is het besluit in strijd met artikel 7:12 van Pro de Awb. De rechtbank ziet aanleiding om dit motiveringsgebrek met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb te passeren, omdat eiser door dit gebrek niet is benadeeld. Ook wanneer dit gebrek zich niet zou hebben voorgedaan zou een besluit met diezelfde strekking zijn genomen. In de toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb ziet de rechtbank aanleiding het UWV te veroordelen in de proceskosten van eiser in beroep. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend, aan de zitting deelgenomen, een reactie ingediend op het deskundigenrapport en een reactie ingediend op het aanvullende deskundigenrapport. De vergoeding voor verleende rechtsbijstand bedraagt dan in totaal € 2.802,-. Verder komen de kosten van de door eiser ingeschakelde deskundige van € 3.174,45 voor vergoeding in aanmerking. Ook moet het UWV aan eiser het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 51,- te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt het UWV in de proceskosten van eiser tot een bedrag van in totaal € 5.976,45;
- bepaalt dat het UWV het griffierecht van € 51,- aan eiser vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Eikelenboom, rechter, in aanwezigheid van
W. Veldman, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hoger beroepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 14 november 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3654