Uitspraak
1.De procedure
2.De feiten
3.Het geschil
- de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden, met inachtneming van een opzegtermijn van 4 maanden, zonder aftrek van de tijd van de procedure, en daarbij voor recht te verklaren dat:
- aan [partij A] geen ernstig verwijtbaar handelen of nalaten kan worden verweten;
- de ontbinding het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van Abbott, althans de ontstane verstoring in overwegende mate aan Abbott is toe te rekenen;
- Abbott te veroordelen om het overeengekomen loon vanaf 1 januari 2026 te betalen, inclusief de vanaf 1 januari 2026 van toepassing zijnde loonsverhogingen van 6,8% en vanaf 1 april 2026 5,2%, totdat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd, over januari en februari 2026 begroot op € 16.424,87, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente;
- Abbott te veroordelen om de bonus van maart 2026 van € 13.280,11 te betalen;
- Abbott te veroordelen om de achterstallige loonsverhoging van 2025 en de reguliere bonus in maart 2025 te betalen, in totaal € 18.283,63 bruto, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente;
- Abbott te veroordelen om de transitievergoeding te betalen, te berekenen vanaf 1 augustus 2005 tot de einddatum en uitgaande van het laatst verdiende brutosalaris inclusief emolumenten en loonstijgingen, berekend op € 76.354,74 bruto bij een einddatum van 1 augustus 2026;
- Abbott te veroordelen om een billijke vergoeding van € 681.225,80 te betalen;
- Abbott te veroordelen om een deugdelijke eindafrekening te betalen, waaronder uitbetaling van vakantiedagen, vakantietoeslag en overige emolumenten;
- Abbott te veroordelen in de proceskosten.
4.De beoordeling
‘verschuldigd in de drie kalenderjaren voorafgaand aan het jaar waarin de arbeidsovereenkomst eindigt’.Nu de arbeidsovereenkomst eindigt in 2026 moeten partijen voor de referteperiode als uitgangspunt nemen 2023, 2024 en 2025.