Belanghebbende is eigenaar van een geschakelde bungalow die hij in april 2023 kocht voor €475.000. De heffingsambtenaar stelde de WOZ-waarde voor 2024 en 2025 respectievelijk op €437.000 en €461.000 vast. Belanghebbende voerde aan dat de WOZ-waarde te hoog was, mede op grond van lagere WOZ-waarden van vergelijkbare woningen in de buurt en het gelijkheidsbeginsel.
De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar voldoende aannemelijk had gemaakt dat de WOZ-waarde niet te hoog was, onder meer door te verwijzen naar de eigen aankoopprijs van belanghebbende. De woningen die belanghebbende als vergelijkingsmateriaal aanvoerde, bleken niet identiek vanwege verschillen in kaveloppervlakte en gebruiksoppervlakte, mede door een verbouwing bij een van de woningen.
Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalde omdat er geen sprake was van ongelijke behandeling van identieke gevallen. Ook een betoog over secundaire kenmerken werd niet ontvankelijk verklaard omdat dit te laat en onvoldoende onderbouwd was. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees proceskostenvergoedingen af.