Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2026:2439

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
29 april 2026
Publicatiedatum
7 mei 2026
Zaaknummer
C/08/345213 / KG ZA 26-47
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:174 BWArt. 3:300 BWArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Machtiging tot verkoop en levering van landgoed na echtscheiding wegens impasse tussen partijen

Partijen, voormalige echtgenoten en gezamenlijk eigenaar van een landgoed, zijn in een impasse geraakt over de verkoop van het landgoed ondanks eerdere afspraken tijdens de echtscheidingsprocedure. De vrouw woont op het landgoed en beide partijen vorderen machtiging tot verkoop en medewerking aan de notariële levering.

De voorzieningenrechter oordeelt dat de vrouw de meest gerede partij is om het landgoed en een perceel grond te verkopen, mede omdat de man vasthoudt aan een hoge vraagprijs en er wantrouwen tussen partijen bestaat. De vrouw wordt gemachtigd om namens beiden de verkoop te regelen, inclusief het ondertekenen van verkoopovereenkomsten en het afwikkelen van de financiële verplichtingen zoals het aflossen van de hypothecaire lening.

De overige geldvorderingen van partijen worden afgewezen wegens gebrek aan spoedeisend belang en onvoldoende onderbouwing. De proceskosten worden tussen partijen gecompenseerd. Het vonnis treedt in de plaats van de medewerking van de man indien deze weigert mee te werken aan de verkoop en levering.

Uitkomst: De vrouw wordt gemachtigd tot verkoop en levering van het landgoed en perceel grond, waarbij het vonnis in de plaats treedt van de medewerking van de man.

Uitspraak

RECHTBANK Overijssel

Civiel recht
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer: C/08/345213 / KG ZA 26-47
Vonnis in kort geding van 29 april 2026
in de zaak van
[partij A],
te [woonplaats 1],
eisende partij in conventie en verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. J.W. Post,
tegen
[partij B],
te [woonplaats 2],
gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. J.G. Kalk.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties.
- de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie, met producties,
- de akte overlegging (nadere) producties van de zijde van de man,
- de mondelinge behandeling van 13 april 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt, waar partijen zijn verschenen bijgestaan door hun advocaten. De griffier heeft aantekeningen gemaakt tijdens de mondelinge behandeling.
1.2.
Aan het eind van de mondelinge behandeling hebben partijen verzocht om de zaak voor één week aan te houden om te onderzoeken of een minnelijke regeling kan worden getroffen. Dat is niet gelukt, waarna namens partijen is verzocht vonnis te wijzen. Het vonnis is bepaald op vandaag.

2.Samenvatting

2.1.
Partijen, gewezen echtgenoten, zijn eigenaar van landgoed [locatie 1] (hierna: het landgoed). Tijdens de echtscheidsprocedure hebben partijen afspraken gemaakt over de verkoop van het landgoed. Tot op dit moment is het nog niet gelukt om het landgoed te verkopen. De vrouw woont op het landgoed. Over en weer vorderen partijen de voorzieningenrechter aan hem/haar een machtiging tot verkoop van het landgoed alsmede (losse) grond te verlenen en te bepalen dat de ander haar/zijn medewerking verleent aan de notariële levering van het landgoed. Ook zijn door partijen daarmee samenhangende vorderingen ingesteld. Daarnaast hebben partijen ieder enkele andere (geld)vorderingen ingesteld.
2.2.
De voorzieningenrechter oordeelt dat de vrouw de meest gerede partij is tot verkoop van het landgoed en een perceel grond. De voorzieningenrechter zal de vrouw een machtiging tot verkoop en levering van het landgoed en een perceel grond verlenen alsmede na levering van het landgoed (al dan niet met het perceel grond) de financiële afwikkeling daarvan in die zin dat de hypothecaire geldlening wordt ingelost en de kosten van de makelaar worden voldaan. Als de man zijn medewerking niet verleent, zal dit vonnis in de plaats treden van de vereiste medewerking van de man. De voorzieningenrechter wijst de overige vorderingen van zowel de man als de vrouw af, (reeds) omdat het spoedeisend belang ontbreekt. De voorzieningenrechter zal de proceskosten tussen partijen compenseren.

3.De feiten

3.1.
Partijen zijn op 25 oktober 1984 te Losser met elkaar gehuwd in gemeenschap van
goederen.
3.2.
Bij beschikking van deze rechtbank locatie Almelo, van 5 april 2023 is de echtscheiding uitgesproken (hierna ook: de beschikking). [1] De echtscheiding is op
7 juli 2023 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Uit de hiervoor vermelde beschikking volgt dat partijen het er over eens zijn dat het landgoed wordt verkocht en dat [bedrijf 1] (hierna ook: [bedrijf 1]) de verkoop daarvan op zich zal nemen. De rechtbank heeft bepaald dat partijen het advies van de ingeschakelde makelaar dienen te volgen als zij van mening verschillen over de te volgen verkooproute, zoals het bepalen van de vraagprijs, het aanpassen ervan en de acceptatie van een bod op het landgoed en de andere onroerende zaken en partijen veroordeeld mee te werken aan onderhandse verkoop en levering van de woning aan een derde via de ingeschakelde makelaar tegen een marktconforme vraagprijs;
3.3.
[bedrijf 1] heeft de verkoop van het landgoed ter hand genomen. Ondanks dat er enkele (potentiële) gegadigden en biedingen zijn geweest, is het landgoed niet verkocht. In of omstreeks maart 2025 is de bemiddelingsovereenkomst met [bedrijf 1] beëindigd en is een vaststellingsovereenkomst getekend.
3.4.
De man heeft vervolgens het voorstel gedaan om [bedrijf 2] in te schakelen voor de verkoop van het landgoed. Begin oktober 2025 is een opdracht tot dienstverlening tot stand gekomen. De makelaar, mevrouw [naam 1], heeft op enig moment besloten om de opdracht tot dienstverlening te beëindigen en terug te geven.
3.5.
De vrouw woont op dit moment op het landgoed.

4.Het geschil in conventie en in reconventie

4.1.
De man vordert in conventie (samengevat) dat aan hem vervangende toestemming wordt verleend om al het nodige ten behoeve van de verkoop en levering van het landgoed alsmede losse grond. Ook zijn daarmee samenhangende vorderingen ingesteld. Daarnaast vordert de man dat de vrouw een bedrag aan hem moet voldoen ter zake de pachtinkomsten. Tot slot vordert de man dat de vrouw wordt veroordeeld in de kosten van deze procedure en de eventueel te nemen executiemaatregelen.
4.2.
De vrouw vordert in reconventie (samengevat) dat aan haar vervangende toestemming wordt verleend om al het nodige ten behoeve van de verkoop en levering van het landgoed alsmede het perceel grond [locatie 2]. Ook zijn daarmee samen-hangende vorderingen ingesteld. Daarnaast vordert zij dat van de aan de man toekomende overwaarde eerst aan haar worden voldaan de kosten verband houdende met het verkoop klaarmaken van het landgoed over de jaren 2023 tot en met 2026, alsmede de helft van de kosten van de eigenaarslasten van GBTwente en GBLT over de jaren 2023 tot en met 2026, alsmede een bedrag van € 4.091,20 voortvloeiende uit de echtscheidingsbeschikking, althans subsidiair dat de voornoemde kosten worden verrekend met de openstaande verrekenposten tussen partijen. Tot slot vordert de vrouw dat de man wordt veroordeeld in de werkelijke proceskosten van deze procedure en de kosten van de eventuele executiemaatregelen.

5.De beoordeling in conventie en in reconventie

Vooraf
5.1.
Bij aanvang van de mondelinge behandeling is namens de vrouw verzocht de zaak achter gesloten deuren te behandelen. De voorzieningenrechter heeft besloten dat de mondelinge behandeling in het openbaar zal plaatsvinden omdat het uitgangspunt is dat rechtszaken in handelszaken in het openbaar plaatsvinden.
5.2.
Het gevorderde in conventie en in reconventie is (grotendeels) spiegelbeeldig aan elkaar. Vanwege deze nauwe samenhang worden de vorderingen gezamenlijk behandeld.
Machtiging ex artikel 3:174 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) en daarmee samenhangende vorderingen
5.3.
Beide partijen willen met deze procedure bereiken dat aan hem/haar een machtiging op grond van artikel 3:174 BW Pro wordt verleend en hebben tevens daarmee samenhangende vorderingen ingesteld. Het gaat om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter moet daarom eerst beoordelen of partijen ten tijde van dit vonnis bij deze voorziening een spoedeisend belang hebben. Die vraag wordt bevestigend beantwoord. Het spoedeisend belang volgt uit de aard van deze vorderingen en uit hetgeen zowel de man als de vrouw aan die vorderingen ten grondslag hebben gelegd.
5.4.
De man stelt (samengevat) dat aan hem een machtiging moet worden verleend omdat de vrouw tot januari 2023 weigerde medewerking te verlenen aan de verkoop van het landgoed. Volgens de man voldeed geen enkele van de voorgestelde makelaars aan de wensen van de vrouw. Na de beschikking heeft [bedrijf 1] het verkooptraject ter hand genomen. Dit verkooptraject heeft twee jaar geduurd, maar geen enkel resultaat opgeleverd. De man was zeer ontevreden over de uitvoering van de werkzaamheden van
[bedrijf 1] en ook de vrouw was hier niet tevreden over, wat er toe heeft geleid dat beide partijen geen vertrouwen in [bedrijf 1] hadden, aldus de man. De man is vervolgens op zoek gegaan naar een andere makelaar. Vanaf medio juli 2025 tot
oktober 2025 is er getracht om een verkoopopdracht met [naam 1] tot stand te brengen. Partijen zijn het echter op vele punten oneens, waardoor er discussie en vertraging is ontstaan, aldus de man. Zo was er geen overeenstemming over een verkoopbord in de tuin en wie de opleverdatum zou bepalen. Ook is er discussie ontstaan over een opgenomen passage in de getekende opdrachtovereenkomst en het doorhalen daarvan en welke foto’s zouden worden gebruikt voor de verkoop van het landgoed. Het lukt partijen niet om tezamen tot verkoop over te gaan. Er is over en weer veel wantrouwen. De man stelt dat hij na de echtscheiding in een zware burn-out is geraakt en dat hij tot op heden niet kan werken. Hij heeft hulp gehad, maar het belangrijkste voor zijn herstel is dat er een einde komt aan onderhavige kwestie en dat er weer financiële ruimte komt. De man kan nu net de eindjes aan elkaar knopen. Om die redenen wil de man een spoedige afwikkeling. Hiervoor is de verkoop van het landgoed noodzakelijk. Daarnaast wenst de man ontslagen te worden uit de hoofdelijke aansprakelijkheid. De man is bang dat er oneindig wordt vertraagd, nu de vrouw te kennen heeft gegeven niet eerder tot verkoop te willen overgaan dan in het voorjaar.
5.5.
De vrouw stelt (samengevat) dat aan haar een machtiging moet worden verleend. Zij stelt dat zij wel haar medewerking heeft verleend aan de verkoop van het landgoed en het vermelde perceel grond. De vrouw meent dat de man het verkoopproces traineert. Door het handelen van de man de afgelopen jaren zijn serieuze gegadigden afgehaakt en zijn er maanden voorbijgegaan voordat de verkoopopdracht aan [naam 1] is getekend. Het duurt al bijna vier jaar, sinds het opstarten van de scheidingsprocedure en nog is het landgoed niet verkocht. De vrouw woont er alleen en al het onderhoud komt op haar neer. Dit kost de vrouw veel negatieve energie. Zij kan pas andere woonruimte kopen wanneer zij haar deel van de overwaarde heeft ontvangen. Gelet op de voorgeschiedenis kan het van haar niet worden gevergd dat de man, tezamen met een makelaar, de verkoop van het landgoed ter hand neemt. De vrouw vreest dat de man dan te pas en te onpas zal stellen dat hij op het landgoed moet zijn, hetgeen tot grote gevoelens van onveiligheid zal zorgen, aldus de vrouw.
5.6.
De voorzieningenrechter overweegt dat zij onder spoedeisende omstandigheden een machtiging kan verlenen tot het te gelde maken van de woning als bedoeld in artikel 3:174, lid 1, BW als het aannemelijk is dat de bodemrechter een dergelijke machtiging zou hebben verleend als daarom wordt verzocht. [2] De voorzieningenrechter is van oordeel dat dit het geval is. Partijen zijn inmiddels al drie jaar gescheiden en ondanks de beslissing(en) van de rechtbank in de eerdergenoemde beschikking zijn zij er niet in geslaagd om gezamenlijk het landgoed te verkopen.
5.7.
Uit de overgelegde stukken blijkt genoegzaam dat partijen, ondanks de inschakeling van twee elkaar opvolgende makelaars, niet in staat zijn samen het landgoed te verkopen aan (een) derde(n). Zij maken elkaar over en weer verwijten, wantrouwen elkaar en stellen zich op het standpunt dat het (hoofdzakelijk) aan de ander ligt dat het landgoed nog niet is verkocht en geleverd aan een derde. Tegelijk willen/moeten partijen vooruit. Zij stellen immers ook allebei dat zij er om meerdere redenen belang bij hebben dat het landgoed op korte termijn wordt verkocht. De voorzieningenrechter kan niet anders dan concluderen dat partijen in een impasse zijn komen te verkeren, welke impasse moet worden doorbroken. Zonder al te diep in te gaan op de juistheid van de over en weer aan elkaar gemaakte verwijten en de betwisting daarvan is de voorzieningenrechter van oordeel dat de vrouw de meest gerede partij is tot verkoop en levering van het landgoed. Daarbij wordt meegewogen dat de rechtbank in de beschikking heeft bepaald dat partijen het advies van de ingeschakelde makelaar moeten volgen als zij van mening verschillen over de te bepalen verkooproute, zoals het bepalen van de vraagprijs, het aanpassen ervan en de acceptatie van een bod op het landgoed en de andere onroerende zaken. Uit de overgelegde
e-mailcorrespondentie met makelaar [bedrijf 1] leidt de voorzieningenrechter af dat [partij A] is blijven vasthouden aan een prijs van € 1,4 miljoen en dat hij (veel) e-mailberichten heeft gestuurd, waarin hij zijn visie en voorwaarden heeft verwoord. Ook heeft [partij A] kenbaar gemaakt dat hij (minstens) € 700.000,- wenst over te houden aan de verkoop van het landgoed. Hoewel op voorhand niet kan worden gezegd dat serieuze gegadigden (alleen) door de houding en handelwijze van [partij A] zijn afgehaakt, heeft dit in ieder geval niet bijgedragen aan verkoop en levering van het landgoed aan een derde. Daarnaast strookt de handelwijze van de man ook niet met datgene wat is bepaald in de beschikking. Bovendien acht de voorzieningenrechter van belang dat de vrouw op dit moment op het landgoed woont. Uit praktisch oogpunt ligt het dan ook (meer) voor de hand dat aan een vrouw een machtiging op grond van artikel 3:174 BW Pro wordt verleend. Gelet op de ernstig verstoorde verhouding tussen partijen en het grote wantrouwen jegens elkaar is het naar het oordeel van de voorzieningenrechter ook niet wenselijk dat de man op het landgoed komt in verband met het verkooptraject.
5.8.
Gelet op het voorgaande en alle belangen tegen elkaar afwegende, betekent dit dat de voorzieningenrechter de vrouw zal machtigen om tot verkoop en levering van het landgoed en het perceel grond over te gaan en na levering van het landgoed (al dan niet met het vermelde perceel grond) tot een financiële afwikkeling te komen in die zin dat de hypothecaire lening met Rabobank wordt ingelost en de kosten van de makelaar worden voldaan, een ander zoals (nader) vermeld onder de beslissing.
Toepassing artikel 3:300 BW Pro
5.9.
Met inachtneming van dat wat hiervoor is overwogen bestaat er ook voldoende om de op artikel 3:300 BW Pro gebaseerde vordering van de vrouw toe te wijzen, op de wijze zoals verwoord in de beslissing.
Overige vorderingen
5.10.
De man vordert dat de vrouw hem een bedrag ter zake pachtinkomsten voldoet. De vrouw vordert dat van de aan de man toekomende overwaarde eerst een bedrag aan haar wordt voldaan ter zake (kort gezegd) kosten die verband houden met het verkoop klaarmaken van het landgoed, onderhoudskosten van het landgoed, de helft van de kosten van de eigenaarslasten van GBTwente en GBLT alsmede een bedrag voortvloeiende uit de beschikking. Subsidiair stelt de vrouw dat er verrekening van deze kosten dient plaats te vinden.
5.11.
De voorzieningenrechter stelt vast dat deze over en weer ingestelde vorderingen geldvorderingen zijn, althans dat zij daarop neerkomen. Ten aanzien van geldvorderingen in kort geding is terughoudendheid geboden. Om een geldvordering in kort geding te kunnen toewijzen is nodig dat die vordering in voldoende mate vaststaat. Ook moet sprake zijn van omstandigheden die meebrengen dat, vanwege een grote mate van spoedeisendheid, een onmiddellijke voorziening moet worden getroffen. Ten slotte moet rekening worden gehouden met het risico dat de eiser het geldbedrag niet kan terugbetalen voor het geval dat hij in een eventuele bodemprocedure alsnog in het ongelijk wordt gesteld. Nog afgezien dat er onduidelijkheid is over de omvang van de over en weer gevorderde bedragen hebben partijen ook onvoldoende onderbouwd dat zij spoedeisend belang hebben bij deze vorderingen. Dit betekent dat deze vorderingen zullen worden afgewezen.
Proceskosten
5.12.
De man is (grotendeels) in het ongelijk gesteld. De vrouw vordert dat de man wordt veroordeeld tot betaling van de werkelijke proceskosten ter hoogte van € 6.500,-. Volgens vaste jurisprudentie is een dergelijke vordering alleen toewijsbaar in geval van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen. Daarvan is pas sprake als het instellen van de vordering of het voeren van verweer, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven. Hiervan kan eerst sprake zijn als een partij haar vordering of verweer baseert op feiten en omstandigheden waarvan zij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan zij op voorgrond moest behoren te weten dat deze geen kans van slagen hadden. Bij het aannemen van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door het voeren van een procedure past terughoudendheid, gelet op het recht op toegang tot de rechter dat mede gewaarborgd wordt door artikel 6 Verdrag Pro tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM). [3]
5.13.
De voorzieningenrechter oordeelt dat de vrouw onvoldoende heeft gesteld en onderbouwd dat sprake is van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door de man. De voorzieningenrechter wijst dit deel van de vordering om die reden af. Gelet op de gewezen relatie tussen partijen ziet de voorzieningenrechter aanleiding om de proceskosten in conventie en in reconventie tussen partijen te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

6.De beslissing

De voorzieningenrechter
in conventie
6.1.
wijst het gevorderde in conventie af;
6.2.
compenseert de kosten in conventie in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
in reconventie
6.3.
machtigt de vrouw om alles te doen wat noodzakelijk is om te komen tot verkoop en levering van landgoed [locatie 1] gelegen aan de [adres] (kadastraal bekend [locatie 1]
, hierna ook het landgoed), alsmede de grond met perceelnummer [locatie 2] (hierna het perceel grond), waaronder het (opnieuw), mede namens de man ondertekenen van een overeenkomst van opdracht tot verkoop-bemiddeling te sluiten met makelaar [naam 1] of, indien [naam 1] daartoe niet (meer) bereid is, een makelaar die gespecialiseerd is in de verkoop van woningen in het hogere segment en in landelijk gebied, het mede namens de man ondertekenen van de
verkoopovereenkomst en het vertegenwoordigen van de man bij het notariële transport, de leveringsakte en, na levering van het landgoed (al dan niet met het hiervoor vermelde perceel grond) de financiële afwikkeling daarvan in die zin dat de hypothecaire geldlening bij de Rabobank (nummer 1303.943.026) ingelost wordt en de nota van de makelaar wordt voldaan, een en ander voor zover de verkoopprijs naar het oordeel van de makelaar marktconform is;
6.4.
bepaalt dat dit vonnis op grond van artikel 3:300 BW Pro in de plaats komt van de noodzakelijke toestemming en/of wilsverklaring en/of handtekening van de man die nodig is voor respectievelijk de verkoop en de levering en/of het notariële transport van de woning, mits die (ver)koopovereenkomst en/of notariële akte geen bepalingen inhoudt/inhouden die afwijken van wat in de gegeven omstandigheden gebruikelijk is, zulks ter beoordeling van de makelaar en/of de notaris ten overstaan van wie de betreffende akte gepasseerd wordt;
6.5.
verklaart de onderdelen 6.3. en 6.4. uitvoerbaar bij voorraad;
6.5.
compenseert de kosten in reconventie van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
6.6.
wijst het meer of anders gevorderde in reconventie af.
Dit vonnis is gewezen door E. Horsthuis en in het openbaar uitgesproken op 29 april 2026.

Voetnoten

1.De beschikking is geregistreerd onder de nummers C/08/283350/ ES RK 22-3615 en C/08/286189 / ES RK 22-4959.
2.Vgl. HR 21 juni 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE4380.
3.Vgl. o.a. HR 6 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV7828.