Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2026:2451

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
21 april 2026
Publicatiedatum
7 mei 2026
Zaaknummer
AK_25_1397
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:3 AwbArt. 7:12 AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toekenning Ziektewetuitkering wegens onvoldoende gemotiveerde afwijzing door UWV

Eiseres had een aanvraag ingediend voor een Ziektewetuitkering vanaf 12 oktober 2023, welke door het UWV werd afgewezen en later ingetrokken per 27 januari 2024. De rechtbank deed op 9 oktober 2025 een tussenuitspraak waarin werd vastgesteld dat het besluit van het UWV in strijd was met de artikelen 3:3 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht vanwege onvoldoende motivering.

Het UWV kreeg de gelegenheid om het gebrek te herstellen en diende een aanvullende motivering in, inclusief een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Deze arts stelde dat eiseres ondanks haar psychische klachten in staat was haar eigen werk te verrichten, mede omdat zij eerder met deze klachten had gewerkt en er geen nieuwe behandeling was gestart.

De rechtbank oordeelde echter dat het UWV het motiveringsgebrek niet had hersteld. Uit het dossier bleek dat eiseres gedurende haar dienstverband ruim de helft van de tijd ziek was, met ernstige psychische klachten en stressgerelateerde epileptische aanvallen. De medische informatie en het ziekteverzuim wezen erop dat zij niet in staat was om fulltime te werken vanaf 12 oktober 2023.

De rechtbank vernietigde het bestreden besluit, herroept eerdere besluiten en kent eiseres de Ziektewetuitkering toe vanaf genoemde datum. Tevens veroordeelde zij het UWV tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiseres.

Uitkomst: De rechtbank kent eiseres een Ziektewetuitkering toe vanaf 12 oktober 2023 wegens onvoldoende motivering door het UWV over haar arbeidsgeschiktheid.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/1397

einduitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres], uit [woonplaats], eiseres

(gemachtigde: mr. H.A. van der Kleij),
en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen, het UWV

(gemachtigde: [gemachtigde]).

Samenvatting

Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres om een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) vanaf 12 oktober 2023 en over de intrekking van de ZW-uitkering van eiseres per 27 januari 2024. Eiseres is het hier niet mee eens en heeft beroep ingesteld.
De rechtbank heeft op 9 oktober 2025 een tussenuitspraak gedaan omdat het bestreden besluit in strijd is met artikelen 3:3 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
In deze einduitspraak komt de rechtbank tot de conclusie dat het UWV het gebrek niet heeft hersteld. De rechtbank bepaalt dat eiseres vanaf 12 oktober 2023 recht heeft op een ZW-uitkering. Eiseres krijgt gelijk en het beroep is dus gegrond.

Procesverloop

1.1.
Voor het procesverloop van dit geschil verwijst de rechtbank naar de tussenuitspraak van 9 oktober 2025 [1] (de tussenuitspraak), waarin de rechtbank heeft geoordeeld dat het UWV onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiseres arbeidsgeschikt was voor haar eigen werk vanaf 12 oktober 2023. De rechtbank heeft het UWV in de gelegenheid gesteld om binnen zes weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen, het geconstateerde gebrek in het bestreden besluit te herstellen.
1.2.
Het UWV heeft op 19 november 2025 in reactie op de tussenuitspraak een aanvullende motivering ingediend. Daarbij is een rapportage van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 17 november 2025 gevoegd.
1.3.
De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Tussenuitspraak
2. Voor een weergave van de feiten, standpunten van partijen en haar overwegingen verwijst de rechtbank naar de tussenuitspraak. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak.
3. In rechtsoverweging 5, 5.1 en 5.2 van de tussenuitspraak heeft de rechtbank overwogen dat het UWV onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiseres geschikt was voor haar eigen werk in de zin van de ZW vanaf 12 oktober 2023.
Dat is, samengevat weergegeven, gebaseerd op het volgende. Eiseres heeft bij haar ziekmelding in oktober 2023 aangegeven dat haar aanvankelijke uitval weliswaar bronchitis betrof, maar dat haar eigenlijke problemen psychisch van aard waren. Uit het huisartsenjournaal blijkt dat bij eiseres sprake is van een verleden van (ernstige) psychische klachten. Desondanks is eiseres op instigatie van haar partner fulltime gaan werken. Eiseres is meermaals in de maatgevende arbeid uitgevallen en voldeed niet aan de wekeneis in het kader van de Werkloosheidswet. Dat duidt er niet op dat zij probleemloos de maatgevende arbeid heeft kunnen verrichten met de al bestaande klachten, zoals de verzekeringsarts bezwaar en beroep aanneemt. De huisarts stelde verder in het huisartsenjournaal de vraag of voltijdswerken gelet op het verleden van eiseres niet te hoog gegrepen was. Ook heeft de huisarts aangegeven dat de epileptische aanval die eiseres op 24 augustus 2023 had, waarschijnlijk is veroorzaakt door stress en slaaptekort, terwijl eiseres al 15 jaar aanvalsvrij was. Dat deze aanval voornamelijk zou zijn gekomen door de stress aangaande de gezondheid van haar zoon blijkt niet uit het dossier, maar lijkt slechts een vooronderstelling van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Ook de inschatting van eiseres zelf, bij de start van haar werkzaamheden, dat ze in staat zou zijn om fulltime te werken, maakt niet dat zij daartoe ook daadwerkelijk in staat was. Uit de vele uitval in combinatie met de medische informatie blijkt dat dit niet het geval was.
Standpunten van partijen
4. In reactie op de tussenuitspraak heeft het UWV een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 17 november 2025 overgelegd. In dat rapport staat dat eiseres eerder heeft gewerkt met haar mentale en psychische problemen. Deze klachten waren niet veranderd, wat blijkt uit het feit dat ze er niet voor in behandeling was en ook niet opnieuw verwezen was. Dat past bij het gegeven dat de mentale en psychische problemen geen reden zijn om arbeidsongeschiktheid aan te nemen voor het eigen werk op 12 oktober 2023. Dat terugkijkend eiseres en haar huisarts menen dat voltijds werkhervatting te veel was, overtuigt de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet omdat dit met de wijsheid van achteraf is. Waarbij dan ook nog komt dat eiseres bij de huisarts aangaf (bijkomende) stress te ervaren door alle perikelen rond UWV, wat dus nog niet speelde rond de datum in geding. In de relevante periode heeft eiseres ook geen intensief contact gehad met de huisarts over de mentale en psychische problemen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep verwijst verder naar een brief van de neuroloog Otten van 29 augustus 2023 waarin staat dat eiseres opnieuw een (gegeneraliseerd) insult heeft gehad, uitgelokt door slaaptekort, dat zij vaak moeite heeft met slapen en ook dat zij stress heeft door een nieuwe baan. Ook verwijst de verzekeringsarts bezwaar en beroep naar een brief van deze neuroloog van 12 februari 2024 waarin staat dat eiseres waarschijnlijk in augustus 2023 een aanval heeft gehad, uitgelokt door stress, en waar deze aanval een pseudo-insult wordt genoemd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep wijst erop dat het insult voor de neuroloog geen aanleiding was om de anti-epileptische medicatie te verhogen en dat eiseres zich enkele dagen later weer beter heeft gemeld. Tot slot wijst de verzekeringsarts bezwaar en beroep erop dat de toename van stress door gezondheidsklachten van de zoon van eiseres niet louter een aanname van haar is, maar dat zij zich baseert op de rapportage van de primaire arts waaruit blijkt dat in die periode de zoon van eiseres met hartproblemen werd opgenomen, waardoor eiseres gestrest raakte. Ze heeft zich toen niet ziekgemeld.
Oordeel van de rechtbank
5. De rechtbank is van oordeel dat het UWV het in de tussenuitspraak geconstateerde motiveringsgebrek niet volledig heeft hersteld. De rechtbank licht dit als volgt toe.
6. In essentie blijft de verzekeringsarts bezwaar en beroep haar standpunt baseren op het gegeven dat eiseres eerder heeft gewerkt met dezelfde mentale en psychische klachten. Dit overtuigt de rechtbank niet van de geschiktheid voor de eigen functie van klantenservicemedewerker voor 40 uur per week op 12 oktober 2023. Zoals de rechtbank in de tussenuitspraak heeft overwogen, is de rechtbank van oordeel dat uit de vele uitval tijdens haar dienstverband, in combinatie met de medische informatie, blijkt dat eiseres reeds tijdens dat dienstverband al niet in staat was om fulltime te werken in haar functie. Uit de stukken blijkt namelijk dat eiseres is begonnen met werken in het voorjaar van 2023, en zij tot haar definitieve uitval 19 van de 36 weken ziek was, dus ruim de helft van de tijd. Dat het om reële psychische klachten ging, blijkt ook uit de informatie van de neuroloog en de huisarts. De neuroloog benoemt immers dat het (al dan niet pseudo-)insult van eiseres dat tijdens haar werkzame periode plaatsvond is uitgelokt door slaaptekort en stress door haar nieuwe baan. De huisarts heeft te kennen gegeven dat deze, toen eiseres begon met fulltime werken, hardop heeft uitgesproken de vraag of 40 uur per week niet te hoog gegrepen is voor eiseres. Ook is eiseres op 9 augustus 2023 bij de huisarts geweest en heeft daar gesproken over stressklachten ten gevolge van overbelasting door het werk.
Al met al is de rechtbank door de vele uitval in combinatie met de medische informatie in het dossier er niet van overtuigd dat eiseres op 12 oktober 2023 geschikt was voor haar eigen functie. Dat eiseres in de periode na de datum in geding nog meer stress heeft ervaren door de perikelen met het UWV en door de gezondheidstoestand van haar zoon doet daar niet aan af.

Conclusie en gevolgen

7.1.
Gelet op het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek is het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet aanleiding om zelf in de zaak te voorzien, nu het UWV er ook na een gelegenheid tot herstel niet is geslaagd de besluitvorming goed te motiveren. De rechtbank zal bepalen dat aan eiseres een ZW-uitkering wordt toegekend vanaf 12 oktober 2023.
7.2.
Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet het UWV aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoeden en krijgt eiseres een vergoeding voor de proceskosten die zij heeft gemaakt. Het UWV moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 2 punten op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting) met een waarde per punt van € 934,-, bij een wegingsfactor 1. Toegekend wordt € 1.868,-.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 2 april 2025;
- herroept de besluiten van 29 januari 2024, 16 februari 2024 en 28 februari 2024 en bepaalt dat eiseres vanaf 12 oktober 2024 recht heeft op een ZW-uitkering;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;
- draagt het UWV op het betaalde griffierecht van € 53,- aan eiseres te vergoeden;
- veroordeelt het UWV tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Eikelenboom, rechter, in aanwezigheid van
mr.E.G.M. ten Kate, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
Griffier
Rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak, kan een hoger beroepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak. Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.