Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2026:2452

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
7 mei 2026
Publicatiedatum
7 mei 2026
Zaaknummer
AK_25_1543
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13 Wet WIAArt. 23 Wet WIAArt. 13 DagloonbesluitArt. 17 Wet financiering sociale verzekeringen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen vaststelling WIA-uitkering op basis van dagloon en eerste ziektedag

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van het UWV waarin zijn WIA-uitkering is vastgesteld op basis van een arbeidsduur van gemiddeld 30,56 uur per week, terwijl hij stelt dat zijn uitkering op 40 uur per week zou moeten worden gebaseerd vanwege medische noodzaak voor eerdere urenreductie.

De rechtbank overweegt dat de vaststelling van het dagloon en daarmee de uitkering plaatsvindt op grond van dwingendrechtelijke bepalingen uit de Wet WIA en het Dagloonbesluit, waarbij wordt uitgegaan van het jaar voorafgaand aan de eerste dag van arbeidsongeschiktheid. Vaste jurisprudentie laat geen ruimte om af te wijken van deze eerste arbeidsongeschiktheidsdag.

Het beroep op de menselijke maat en het evenredigheidsbeginsel wordt verworpen, omdat eiser onvoldoende medische onderbouwing heeft geleverd voor een eerdere eerste ziektedag en er geen uitzonderlijke omstandigheden zijn om van de wettelijke regels af te wijken.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en laat het bestreden besluit in stand. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling of terugbetaling van griffierecht.

Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de vaststelling van zijn WIA-uitkering wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/1543

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], eiser,

en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen(UWV),
gemachtigde: [gemachtigde].

Procesverloop

1.1
Bij besluit van 5 maart 2024 heeft het UWV eiser meegedeeld dat hij met ingang van
21 december 2023 recht heeft op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA). Omdat eiser volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is, heeft het UWV hem een Inkomensverzekering voor volledig en duurzaam arbeidsongeschikten (IVA) toegekend. De hoogte van de uitkering is daarbij vastgesteld op 75% van het WIA-maandloon van € 2.309,63 = € 1.732,22.
1.2
Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 6 mei 2025 op het bezwaar van eiser is het UWV bij dit besluit gebleven.
1.3
Eiser heeft beroep ingesteld tegen dit besluit. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4
De rechtbank heeft het beroep op 12 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van het UWV.
1.5
Na de zitting is de behandeling heropend in verband met langdurige afwezigheid van de behandelend rechter. Omdat eiser heeft verzocht om een nieuwe zitting is de zaak opnieuw behandeld op de zitting van 6 mei 2026, Eiser is ter zitting verschenen. Het UWV heeft aangegeven niet op de zitting aanwezig te zullen zijn. Na de zitting is het onderzoek gesloten.

Totstandkoming van het bestreden besluit

2. Eiser is laatstelijk werkzaam geweest als chauffeur voor gemiddeld 30,56 uur per week.
Op 23 december 2021 heeft hij zich ziek gemeld. Hij heeft het UWV verzocht hem een WIA-uitkering toe te kennen. Na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek heeft besluitvorming plaatsgevonden, zoals vermeld onder "Procesverloop".

Standpunten van partijen

3.1
Het UWV stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat het WIA-maandloon en de daarop gebaseerde uitkering juist zijn vastgesteld. De eerste ziektedag blijft ongewijzigd, nu niet is gebleken van een medische noodzaak voor eiser om eerder dan 23 december 2021 minder te gaan werken vanwege gezondheidsredenen.
3.2
Eiser stelt dat zijn WIA-uitkering gebaseerd dient te worden op zijn eerdere arbeidsduur van 40 uur per week. Door een herseninfarct is eiser genoodzaakt geweest zijn werkuren in twee stappen, eerst in 2011 en daarna 2018, terug te brengen van 40 uur per week naar ruim 30 uur per week. Deze urenreductie was medisch noodzakelijk. Eiser heeft 20 jaar fulltime gewerkt en acht het onredelijk dat zijn uitkering nu wordt berekend op basis van de verminderde uren in de laatste jaren, terwijl deze vermindering het gevolg is van aantoonbare medische noodzaak. Door de steeds afnemende energie als gevolg van zijn hersenletsel en verslechtering van al de processen in zijn hoofd op het gebied van beslissen/plannen was het onomkeerbaar dat deze urenvermindering zou komen. Eiser stelt dat de beoordeling door het UWV onzorgvuldig is geweest en dat zijn medische situatie onvoldoende dan wel onjuist is meegewogen. Eiser voelt zich gestraft voor zijn wilskracht, inzet en grote mate van verantwoordelijkheidsgevoel.
3.3
Het UWV ziet in het aangevoerde geen aanleiding zijn standpunt te wijzigen. Er is onvoldoende specifieke medische onderbouwing om aan te moeten nemen dat eiser in het verleden als gevolg van een objectief medische noodzaak minder uren is gaan werken, bijvoorbeeld op advies van of in overleg met zijn behandelend arts of bedrijfsarts. Verder heeft de rechtspraak over de vraag of iemand in het verleden minder is gaan werken om medische redenen zonder formele ziekmelding (de “medische afzakker”) alleen betrekking op de maatman en niet op het dagloon. Het dagloon van eiser is vastgesteld op grond van de dwingendrechtelijke bepalingen in de WIA en het Dagloonbesluit. Het UWV heeft gewezen op vaste rechtspraak hierover van de Centrale Raad van Beroep (CRvB). [1]

Beoordeling door de rechtbank

4. Tussen partijen is uitsluitend in geschil of het UWV de hoogte van de IVA-uitkering van eiser juist heeft vastgesteld en daarbij terecht is uitgegaan van de werkzaamheden die eiser verrichtte als chauffeur voor gemiddeld 30,56 uur per week in het jaar voorafgaand aan zijn ziekmelding van 23 december 2021.
4.1
De rechtbank overweegt dienaangaande dat het UWV er terecht op heeft gewezen dat de vaststelling van het dagloon dat ten grondslag ligt aan de uitkering, plaatsvindt op grond van de bepalingen uit de Wet WIA en het Dagloonbesluit. Concreet gaat het daarbij om de artikelen 13 en 23 van de Wet WIA en artikel 13 van Pro het Dagloonbesluit [2] . Uit deze bepalingen volgt dat voor de vaststelling van het uitkeringsdagloon dient te worden gekeken naar het jaar direct voorafgaand aan de eerste dag van de arbeidsongeschiktheid die na het doorlopen van de wachttijd tot het toekennen van de WIA-uitkering heeft geleid. Op grond van genoemde dwingendrechtelijke bepalingen kan volgens vaste jurisprudentie [3] voor de vaststelling van het uitkeringsdagloon niet van een andere eerste arbeidsongeschiktheidsdag worden uitgegaan.
Voor zover eiser heeft willen wijzen op de mogelijkheid om bij de beoordeling òf er recht bestaat op uitkering bij de vaststelling van het maatmanloon onder omstandigheid wel rekening te houden met het feit dat iemand een “medische afzakker” is, heeft de CRvB in (o.a.) even genoemde uitspraak overwogen dat voor een analoge toepassing van de rechtspraak daarover in het geval van een dagloonvaststelling geen ruimte is.
4.2
Ook een beroep op de menselijke maat en/of strijd met het evenredigheidsbeginsel kan eiser niet baten. De rechtbank wil aannemen dat het voor eiser onrechtvaardig voelt dat hij in het verleden om medische redenen minder is gaan werken en dat niet terug ziet in de hoogte van de uitkering die hij thans ontvangt, maar dit kan niet leiden tot gegrondverklaring van het beroep in weerwil van hetgeen hiervoor is overwogen. Ten eerste is, zoals het UWV heeft betoogd, de medische noodzaak om in het verleden minder te gaan werken niet vast komen te staan. Daarnaast gaat het hier om de toepassing van de wet in formele zin (artikelen 13 en 23 van de Wet WIA) en is er geen sprake van een zeer uitzonderlijke omstandigheid om in dit geval deze bepalingen buiten toepassing te laten.

Conclusie en gevolgen

5. Gelet op 4.1 en 4.2 slaagt eisers beroep niet. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
6. Omdat het beroep ongegrond is, is er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Ook krijgt eiser het griffierecht niet terug.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H.M. Hesseling, rechter, in aanwezigheid van
W. Veldman, griffier. Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hoger beroepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage

Beoordelingskader

Artikel 13 Wet Pro WIA:
1. Voor de berekening van een uitkering waarop op grond van deze wet recht bestaat, wordt als dagloon beschouwd 1/261 deel van het loon dat de werknemer verdiende in de periode van één jaar, die eindigt op de laatste dag van het aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin de ziekte, het gebrek, de zwangerschap of de bevalling, die tot volledig en duurzame arbeidsongeschiktheid of gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid heeft geleid, is ingetreden doch ten hoogste het in artikel 17, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen bedoelde bedrag met betrekking tot een loontijdvak van een dag.
[…]
3. Bij algemene maatregel van bestuur worden met betrekking tot de vaststelling van het dagloon, bedoeld in het eerste lid, en de herziening ervan nadere en zonodig afwijkende regels gesteld.
[…]
Artikel 23 Wet Pro WIA.
1. Voordat de verzekerde aanspraak kan maken op een uitkering op grond van deze wet geldt voor hem een wachttijd van 104 weken.
2. Als eerste dag van de wachttijd geldt de eerste werkdag al dan niet in een dienstbetrekking waarop door de verzekerde wegens ziekte niet is gewerkt of het werken tijdens de werktijd is gestaakt. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld en kunnen dagen waarop niet zou worden gewerkt als werkdag worden aangemerkt.
Artikel 13, eerste lid, Dagloonbesluit:
Onder referteperiode wordt in dit hoofdstuk de periode verstaan van één jaar die eindigt op de laatste dag van het aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin de arbeidsongeschiktheid is ingetreden, of die eindigt, in geval de arbeidsongeschiktheid is ingetreden in gelijktijdige dienstbetrekkingen, op de laatste dag van het aangiftetijdvak dat het eerst voor het intreden van de arbeidsongeschiktheid is geëindigd.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 15 december 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2727.
2.De teksten van deze artikelen zijn opgenomen achter deze uitspraak.
3.Zie onder andere de in noot 1 genoemde uitspraak van de CRvB