Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2026:2497

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
8 mei 2026
Publicatiedatum
8 mei 2026
Zaaknummer
ak_25_2247
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15 ZWArt. 12c DagloonbesluitArt. 16 WfsvArt. 10 Wet op de loonbelasting 1964Art. 6:22 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herberekening dagloon Ziektewet wegens onjuiste polisadministratiegegevens

Eiser werkte bij NHT Logistics en ontving een Ziektewet-uitkering waarvan het dagloon door het UWV werd vastgesteld op basis van de polisadministratie. Eiser betwistte deze berekening omdat het UWV geen rekening hield met contante loonbetalingen en een loonsverhoging na de referteperiode.

De rechtbank oordeelt dat de loonsverhoging na de referteperiode niet relevant is voor de dagloonberekening. Wel is vastgesteld dat eiser naast het loon uit de polisadministratie ook contant loon ontving, wat het UWV niet had meegenomen. Dit maakt het besluit onvoldoende gemotiveerd en onjuist.

De rechtbank verwijst naar wettelijke bepalingen en beleidsregels die bepalen dat het loon alle uit de dienstbetrekking genoten bedragen omvat, ook als deze niet aan de Belastingdienst zijn opgegeven. Het UWV moet het dagloon daarom opnieuw berekenen met inachtneming van de contante betalingen.

Het beroep wordt gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het UWV opgedragen binnen acht weken een nieuw besluit te nemen. Tevens wordt het griffierecht en proceskosten aan eiser vergoed.

Uitkomst: Het UWV moet het dagloon opnieuw berekenen inclusief contante loonbetalingen en het bestreden besluit wordt vernietigd.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/2247

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. B.J.H.L. Brouwer),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: [gemachtigde]).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de vaststelling van het dagloon waar de hoogte van eisers uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) op is gebaseerd. Eiser is het niet eens met de hoogte van het dagloon zoals het UWV dat heeft berekend. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank deze zaak.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV het dagloon van eiser onjuist heeft berekend. Het UWV moet het dagloon opnieuw berekenen. Eiser krijgt dus gelijk en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2.1.
In het besluit van 28 maart 2025 heeft het UWV aan eiser een ZW-uitkering toegekend. Het dagloon is vastgesteld op € 65,06. Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
2.2.
In het bestreden besluit van 14 juli 2025 heeft het UWV eisers bezwaar ongegrond verklaard.
2.3.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.4.
De enkelvoudige kamer van de rechtbank heeft het beroep op 20 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, [naam], de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het UWV.
2.5.
De enkelvoudige kamer heeft de zaak verwezen naar de meervoudige kamer. Partijen hebben te kennen gegeven ermee in te stemmen dat de meervoudige kamer uitspraak doet zonder dat een nadere zitting plaatsvindt.
2.6.
De rechtbank heeft het onderzoek gesloten.

Totstandkoming van het bestreden besluit

3. Eiser werkte bij NHT Logistics. Op 26 april 2024 meldde eiser zich ziek. Zijn dienstverband is op 1 april 2025 geëindigd. Het UWV heeft eiser per die datum een ZW-uitkering toegekend.

Standpunten van partijen

4.1.
Het UWV gaat voor de hoogte van de ZW-uitkering uit van een dagloon van
€ 65,06. Het UWV is daarbij uitgegaan van de informatie uit de polisadministratie over de referteperiode van 1 maart 2023 tot en met 29 februari 2024. In het bestreden besluit motiveert het UWV dat de door eiser overgelegde stukken onvoldoende aantonen dat de gegevens uit de polisadministratie onjuist zijn. Ter zitting heeft het UWV zich op het nadere standpunt gesteld dat aannemelijk is dat eiser in de referteperiode meer loon heeft ontvangen dan uit de polisadministratie blijkt, maar dat dat loon zwart is uitbetaald en daarom niet wordt meegenomen bij de berekening van het dagloon. Het UWV heeft in dit verband verwezen naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 30 november 2012 met nummer ECLI:NL:CRVB:2012:BY5963.
4.2.
Eiser stelt zich op het standpunt dat de hoogte van het dagloon onjuist is vastgesteld. Het UWV heeft ten onrechte alleen rekening gehouden met de gegevens uit de polisadministratie. Ten onrechte is geen rekening gehouden met een loonsverhoging per
1 maart 2024. Ook is ten onrechte geen rekening gehouden met het deel van het loon dat eiser contant betaald kreeg. Op de loonstroken staat dat het nettoloon van eiser € 1.300,- per maand was. Dit bedrag werd ook op de bankrekening van eiser overgemaakt. Dit loon werd contant aangevuld tot een bedrag van € 2.150,- per maand en daarnaast kreeg eiser een contante beloning van €1,50 per extra bezorgd pakket. Eiser heeft als bewijsstukken van de contante betalingen overgelegd: maandelijkse overzichten van bezorgde pakketten met handgeschreven loonberekeningen, een salarisstrook van augustus 2023 met daarop aanvullende handgeschreven loonberekeningen, overzichten van gewerkte uren en een proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij de kantonrechter, waarin de werkgever erkent dat er loon contant werd betaald. Volgens eiser gebeurde dit niet alleen bij hem, maar bij alle werknemers van NHT Logistics. Dat de werkgever de contante betalingen niet aan de Belastingdienst heeft doorgegeven, mag niet voor rekening van eiser komen. De contante betalingen zijn netto gedaan en het UWV zal daarom een nieuwe berekening van het dagloon moeten maken, aldus eiser.

Het oordeel van de rechtbank

5. De beroepsgrond van eiser dat het UWV ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de loonsverhoging die hij per 1 maart 2024 heeft gekregen slaagt niet. Niet in geschil is immers dat het UWV de referteperiode terecht heeft vastgesteld op de periode van 1 maart 2023 tot en met 29 februari 2024. Een eventuele loonsverhoging van na die periode heeft dus geen invloed op de vaststelling van de hoogte van het dagloon van eiser.
6. Niet langer is in geschil dat eiser in de referteperiode, naast het bedrag dat uit de polisadministratie blijkt, contante loonbetalingen heeft ontvangen van zijn werkgever. Omdat het UWV de in het bestreden besluit gegeven motivering niet langer handhaaft, is dat besluit niet deugdelijk gemotiveerd. De rechtbank ziet geen aanleiding om dit gebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), om de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand te laten of om zelf in de zaak te voorzien. De rechtbank zal het UWV opdragen om opnieuw op het bezwaar te beslissen en het dagloon opnieuw te berekenen. Daarvoor is het volgende van belang.
7.1.
Op grond van artikel 15, eerste lid, van de ZW wordt het dagloon berekend door het loon dat de werknemer heeft ontvangen in de referteperiode te delen door 261. Op grond van het tweede lid worden bij algemene maatregel van bestuur ten aanzien van het dagloon nadere en zo nodig afwijkende regels gesteld. Deze algemene maatregel van bestuur is het Dagloonbesluit.
7.2.
Artikel 12c, eerste lid, van het Dagloonbesluit bepaalt dat onder loon wordt verstaan loon in de zin van artikel 16 van Pro de Wet financiering sociale verzekeringen (Wfsv), genoten in de referteperiode uit de dienstbetrekking waaruit de werknemer ziek is geworden.
7.3.
Loon is al hetgeen dat uit een dienstbetrekking of vroegere dienstbetrekking wordt genoten, daaronder mede begrepen hetgeen wordt vergoed of verstrekt in het kader van de dienstbetrekking, zo volgt uit artikel 16 van Pro de Wfsv in samenhang met artikel 10 van Pro de Wet op de loonbelasting 1964.
7.4.
Volgens artikel 2 van Pro de Beleidsregels UWV gebruik polisgegevens 2018 [1] (Beleidsregels) gebruikt het UWV, behoudens het bepaalde in artikel 3, voor besluiten over de vaststelling van het dagloon, de gegevens die aanwezig zijn in de polisadministratie. Artikel 3 van Pro de Beleidsregels bepaalt dat het UWV gegevens uit andere bron gebruikt, als het UWV vaststelt dat de gegevens in de polisadministratie niet kunnen worden gebruikt. Uit de toelichting op de Beleidsregel volgt dat die situatie zich onder meer kan voordoen als de werknemer aantoont dat een bepaald gegeven onjuist is: “De werkgever kan bij de loonaangifte een fout maken, bijvoorbeeld doordat hij in het tijdvak waarover hij het loon moet aangeven, geen loon of niet het juiste bedrag aan genoten loon of het onjuiste aantal uren opgeeft. De werkgever zal dan alsnog een gecorrigeerde loonaangifte moeten doen. Om te voorkomen dat de werknemer wordt benadeeld door een foutieve loonaangifte van de werkgever, kan UWV alsnog met dit loon rekening houden als de werknemer aantoont dat hij het loon in de referteperiode heeft genoten, maar dat de werkgever in de referteperiode geen aangifte over dat loon heeft gedaan.”
8.1.
Uit vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep volgt dat het UWV mag uitgaan van de gegevens in de polisadministratie, tenzij de verzekerde aantoont dat deze gegevens onjuist zijn. [2] In dit geval heeft eiser aangetoond dat de gegevens in de polisadministratie onjuist zijn, doordat aannemelijk is geworden dat er, naast wat uit die gegevens blijkt, aanvullende contante loonbetalingen zijn verricht. Dat is ook niet meer in geschil. Dit betekent naar het oordeel van de rechtbank dat het UWV voor de berekening van het dagloon moet uitgaan van gegevens uit een andere bron, zoals in dit geval de door eiser overgelegde gegevens, waarvan ook het UWV erkent dat daaruit blijkt dat contante loonbetalingen door eiser zijn ontvangen. Tot het loon behoort immers al hetgeen uit dienstbetrekking wordt genoten. Of daarover al dan niet door de werkgever loonaangifte is gedaan is daarvoor niet doorslaggevend. Zoals ook in de toelichting bij de Beleidsregels staat, moet de werkgever die loonaangifte wel alsnog doen. Het UWV heeft ter zitting ook te kennen gegeven dat hij hierover een melding zal doen bij de Belastingdienst, zodat alsnog een correcte loonaangifte moet worden gedaan.
8.2.
De verwijzing van het UWV naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 30 november 2012 met nummer ECLI:NL:CRVB:2012:BY5963, maakt niet dat de rechtbank tot een ander oordeel komt. In die uitspraak, en ook in de uitspraak van 4 juni 2013 met nummer ECLI:NL:CRVB:2013:CA1932, is de volgende zin opgenomen: “Voor zover betrokkene meent wel aannemelijk te hebben gemaakt dat hem wel meer loon is betaald, kan het meerdere dat niet verantwoord is aan de belastingdienst, niet gelden als een gegeven waarvan in de zin van de Beleidsregel is aangetoond, dat het onjuist is.” De rechtbank merkt op dat dit oordeel in de beide uitspraken niet nader is gemotiveerd, zodat niet kan worden nagegaan hoe de Centrale Raad van Beroep tot dit oordeel is gekomen. Uit het samenstel van bepalingen zoals genoemd onder 7.1 tot en met 7.4 kan naar het oordeel van de rechtbank niet anders worden geconcludeerd, dan dat tot het loon behoort al hetgeen uit dienstbetrekking wordt genoten, ook als daarover door de werkgever geen loonopgave is gedaan. Voor zover de Centrale Raad van Beroep aan zijn oordeel ten grondslag heeft gelegd het in die uitspraken genoemde artikel 2, eerste lid van het destijds geldende Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen (Besluit) [3] , geldt het volgende. In deze bepaling is opgenomen dat voor de toepassing van dat besluit de werknemer wordt geacht zijn loon te hebben genoten in het aangiftetijdvak waarover de werkgever van dat loon opgave heeft gedaan. Deze bepaling regelt naar het oordeel van de rechtbank alleen aan welk aangiftetijdvak het opgegeven loon wordt toegerekend en niet dat alleen loon waarover opgave is gedaan, tot het (SV)-loon moet worden gerekend. Voor een dergelijke uitsluiting van een deel van het loon waarop het dagloon moet worden gebaseerd is duidelijke, daarop gerichte regelgeving vereist.
8.3.
Het standpunt van het UWV dat eiser niet mag profiteren van de contant ontvangen betalingen (waarover nog geen premies zijn afgedragen), maakt het oordeel van de rechtbank evenmin anders. Nog daargelaten dat dit de geldende regelgeving niet kan veranderen, is niet komen vast te staan dat eiser heeft mogen kiezen of hij het loon gedeeltelijk zwart kreeg uitbetaald. Overigens volgt ook uit de toelichting bij de Beleidsregels dat moet worden voorkomen dat de werknemer wordt benadeeld door een foutieve loonaangifte van de werkgever.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met artikel 12c, eerste lid, van het Dagloonbesluit en met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.
9.1.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat het UWV een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft het UWV hiervoor acht weken. Het UWV zal er daarbij voor de berekening van het dagloon van uit moeten gaan dat het loon waarvan aannemelijk is dat het contant is betaald, meetelt als loon, omdat het uit dienstbetrekking is genoten. Eventuele onduidelijkheden over al dan niet betaald zijn van contant loon komen daarbij voor rekening van eiser.
9.2.
Omdat het beroep gegrond is moet het UWV het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. Het UWV moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiser een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en de zitting bijgewoond. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 14 juli 2025;
- draagt het UWV op binnen acht weken na datum van deze uitspraak een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
- draagt het UWV op het betaalde griffierecht van € 53,- aan eiser te vergoeden;
- veroordeelt het UWV tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Eikelenboom, voorzitter, mr. A.T. de Kwaasteniet en mr. R.J. Ouderdorp, leden, in aanwezigheid van A. van den Ham, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hoger beroepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Staatscourant 2018 nr. 42236
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 17 juli 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1456
3.thans artikel 12d, eerste lid, Dagloonbesluit