ECLI:NL:RBOVE:2026:2603

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
18 mei 2026
Publicatiedatum
18 mei 2026
Zaaknummer
AK_25_3292
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 AwbArt. 4:5 AwbArt. 3:4 AwbArt. 23 Wet WIA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen herhaalde WIA-aanvraag wegens ontbreken nieuwe feiten

Eiser heeft meerdere keren een WIA-uitkering aangevraagd, waarbij het UWV steeds heeft afgewezen omdat eiser niet verzekerd was of de wachttijd niet had volgemaakt. Na een laatste afwijzing op 17 april 2024, diende eiser in augustus 2025 een herbeoordeling en nieuwe aanvraag in. Het UWV wees deze opnieuw af wegens het ontbreken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.

Eiser stelde dat er wel nieuwe feiten waren, onder meer een psychologisch rapport uit december 2024, en dat het UWV onvoldoende had gemotiveerd waarom geen recht op WIA bestond. De rechtbank oordeelde dat de overgelegde stukken grotendeels uit 2011 dateren en dus niet als nieuw kunnen gelden. Het psychologisch rapport leverde volgens een verzekeringsarts geen aanleiding tot een andere beslissing.

De rechtbank toetste of het besluit evident onredelijk was en concludeerde dat het oorspronkelijke besluit niet onmiskenbaar onjuist was. Daarom was het beroep ongegrond en werd het griffierecht niet teruggegeven. Er was ook geen aanleiding voor proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de herhaalde WIA-aanvraag is ongegrond verklaard wegens ontbreken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Almelo
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/3292

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], eiser,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV),

gemachtigde: [gemachtigde].

Procesverloop

1.1
Bij besluit van 4 september 2025 heeft het UWV eisers verzoek om herbeoordeling van 14 augustus 2025 en eisers WIA-aanvraag van 17 augustus 2025 afgewezen onder verwijzing naar de besluiten van 4 oktober 2017, 5 juni 2023 en 17 april 2024. Deze besluiten blijven onverminderd geldig, omdat er geen reden is om aan te nemen dat er nieuwe feiten of veranderde omstandigheden zijn die een nieuw besluit nodig maken.
1.2
Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 29 oktober 2025 op het bezwaar van eiser is het UWV bij dit besluit gebleven.
1.3
Eiser heeft beroep ingesteld tegen dit besluit. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4
De rechtbank heeft het beroep op 25 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van het UWV deelgenomen.

Totstandkoming van het besluit

2.1
Eiser is vanaf 1 januari 2010 werkzaam geweest als thuishulp voor 3,9 uur per week in dienst van [bedrijf 1]. Van 9 juni 2010 tot 9 juni 2011 heeft eiser gewerkt als begeleider voor 18 à 20 uur per week bij [bedrijf 2] B.V. Ook heeft eiser voor
3 uur per week gewerkt als begeleider bij Fit for Free. Op 12 april 2011 heeft hij zich ziek gemeld. Hij heeft na het einde van zijn dienstverband een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) ontvangen. Na verzekeringsgeneeskundig onderzoek heeft het UWV eiser bij besluit van 26 juni 2012 meegedeeld dat hij vanaf 2 juli 2012 weer kan werken en vanaf die datum geen ZW-uitkering meer kan krijgen.
2.2
Eiser heeft op 27 februari 2014 een beëindigingsovereenkomst van zijn dienstverband bij Zorggroep Manna ondertekend. Met ingang van 2 april 2014 heeft hij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) ontvangen. Bij brief van 14 augustus 2014 heeft het UWV meegedeeld dat zijn WW-uitkering vanaf 7 juli 2014 wordt beëindigd, omdat hij meer is gaan werken.
2.3
Op 29 september 2017 heeft eiser het UWV gevraagd hem een WIA-uitkering toe te kennen. Daarbij heeft hij aangegeven dat hij vanaf 1 september 2009 niet kon werken door ziekte. Bij besluit van 4 oktober 2017 heeft het UWV eiser meegedeeld dat hij geen WIA-uitkering kan krijgen, omdat hij niet verzekerd was voor de WIA.
2.4
Op 15 mei 2023 heeft eiser een WIA-uitkering aangevraagd in verband met arbeidsongeschiktheid vanaf 1 december 2022. Het UWV heeft deze aanvraag bij besluit van 5 juni 2023 afgewezen, omdat eiser niet verzekerd was voor de WIA. Eiser had op
1 december 2022 geen dienstverband of een WW-uitkering.
2.5
Eiser heeft het UWV op 13 april 2024 opnieuw verzocht hem een WIA-uitkering toe te kennen. Bij besluit van 17 april 2024 heeft het UWV deze aanvraag afgewezen. Daarbij heeft het UWV overwogen dat eiser vanaf 12 april 2013 geen WIA-uitkering kan krijgen. Hij kan deze uitkering alleen krijgen als hij door ziekte 104 weken zijn werk niet (of niet volledig) kon doen. Dit is bij eiser niet het geval. Eiser heeft zich namelijk voor het einde van die periode hersteld gemeld, namelijk per 2 juli 2012.
2.6
Op 14, respectievelijk 17 augustus 2025 heeft eiser een verzoek ingediend voor een herbeoordeling, c.q. een aanvraag ingediend in het kader van de WIA. Eiser heeft in zijn aanvraag aangegeven sedert 12 april 2011 niet meer te kunnen werken. Hierop heeft besluitvorming plaatsgevonden, zoals vermeld onder 'Procesverloop'.

Standpunten van partijen

3.1
Het UWV stelt zich in het betreden op het standpunt dat er geen aanleiding is om terug te komen van de beslissingen van 4 oktober 2017, 5 juni 2023 en 17 april 2024. Er is geen sprake van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. Omdat duidelijk is dat er geen recht bestaat op een WIA-uitkering, kan ook geen voorschot worden betaald. Het UWV heeft hierbij onder meer verwezen naar artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3.2
Eiser stelt dat wel sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. Hij heeft gewezen op het rapport van 30 december 2024 van klinisch psycholoog T. Wolterink en psycholoog E. Flikweert.
Verder is eiser van mening dat het UWV onvoldoende heeft gemotiveerd dat hij geen recht heeft op een WIA-uitkering. Daarbij heeft hij erop gewezen dat het UWV op grond van artikel 23 van Pro de Wet WIA verantwoordelijkheid draagt voor een correcte en actuele polisadministratie. Enkel verwijzen naar eerdere besluiten zonder inhoudelijke onderbouwing is onvoldoende. Het UWV heeft nagelaten om eisers langdurige en gedocumenteerde ziektegeschiedenis integraal te beoordelen in het licht van het psychologisch rapport en andere medische stukken.
De afwijzing van een voorschot is daarmee niet alleen onzorgvuldig, maar ook in strijd met de redelijkheid en de billijkheid, zoals bedoeld in artikel 3:4 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het UWV heeft nagelaten om eisers langdurige en gedocumenteerde ziektegeschiedenis integraal te beoordelen in het licht van het psychologisch rapport en andere medische stukken. De afwijzing van een voorschot is daarmee niet alleen onzorgvuldig, maar ook in strijd met de redelijkheid en de billijkheid, zoals bedoeld in artikel 3:4 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3.3
Het UWV ziet in het aangevoerde geen aanleiding zijn standpunt te wijzigen. Het UWV heeft verwezen naar het rapport van 9 januari 2026 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep.

Wettelijk kader

4. Op grond van artikel 4:6, eerste lid, van de Awb is de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan.
Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat het bestuursorgaan zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 de Pro aanvraag kan afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking, wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld.

Beoordeling door de rechtbank

5. De rechtbank stelt vast dat het UWV op 17 april 2024 laatstelijk afwijzend heeft beslist op een eerdere aanvraag van eiser om WIA-uitkering. In dit besluit heeft het UWV overwogen dat eiser zich voor het einde van de wachttijd hersteld heeft gemeld, namelijk per 2 juli 2012, en dat hij daardoor de wachttijd niet heeft volgemaakt. Aan het besluit van 17 april 2024 ligt een inhoudelijke (medische) beoordeling ten grondslag, terwijl de afwijzingen van 5 juni 2023 en 4 oktober 2017 zijn gebaseerd op een formele grondslag. Gelet op wat eiser heeft gesteld bij zijn verzoek om herbeoordeling van 14 augustus 2025 en nieuwe WIA-aanvraag van 17 augustus 2025, had het UWV het verzoek om herbeoordeling en de nieuwe aanvraag kunnen aanmerken als een verzoek om uitsluitend terug te komen van het laatste afwijzende besluit van 17 april 2024.
6. De rechtbank zal zich in deze zaak dan ook beperken tot de vraag of het UWV de weigering om terug te komen van het besluit van 17 april 2024 terecht in stand heeft gelaten. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep niet slaagt en overweegt hiertoe als volgt.
6.1
Het UWV heeft op het verzoek om herbeoordeling en de nieuwe aanvraag van eiser beslist met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit betekent dat de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetst of het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Als het bestreden besluit die toets doorstaat, kan de bestuursrechter niettemin aan de hand van de beroepsgronden tot het oordeel komen dat het bestreden besluit evident onredelijk is. [1]
6.2
Het is vaste rechtspraak dat een aanvraag na een eerdere (gedeeltelijke) afwijzing van die uitkering, naar zijn strekking moet worden beoordeeld. [2] Met een aanvraag kan worden beoogd dat (met ingang van de datum waarop dat besluit zag) wordt teruggekomen van het eerdere besluit (artikel 4:6 van Pro de Awb), dan wel een beroep wordt gedaan op de regeling bij toegenomen arbeidsongeschiktheid (Amber), ofwel om herziening wordt verzocht voor de toekomst (duuraanspraak).
6.3
Bij zijn verzoek om herbeoordeling van 14 augustus 2025 en nieuwe aanvraag van
17 augustus 2025 heeft eiser een aantal stukken meegestuurd. Het betreft de Probleemverkenning van 18 juli 2011 en de Samenvattingen van probleemanalyses van
23 augustus 2011 en 18 november 2011 van de re-integratiebegeleider, de probleemanalyses van 19 augustus 2011 en 17 november 2011 van de verzekeringsarts, het Plan van aanpak WIA, Probleemanalyse WIA van 23 mei 2011 van de bedrijfsarts van [bedrijf 1].
De rechtbank is van oordeel dat het UWV deze stukken terecht niet heeft aangemerkt als nieuwe feiten en/of omstandigheden. Deze stukken dateren alle van 2011, zodat eiser deze had kunnen overleggen in een procedure tegen het eerdere besluit.
6.4
In bezwaar heeft eiser informatie van 30 december 2025 van klinisch psycholoog
T. Wolterink en psycholoog E. Flikweert overgelegd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft hieromtrent gerapporteerd in haar rapport van 9 januari 2026. Zij heeft geconcludeerd dat in de overgelegde medische informatie geen informatie staat die maakt dat het UWV in 2012 een andere beslissing had genomen, indien deze informatie destijds bekend was geweest.
De rechtbank stelt echter vast dat eiser in 2012 geen WIA-uitkering heeft aangevraagd en dat in 2012 geen besluit is genomen op een WIA-aanvraag. De WIA-aanvraag van 2024 is afgewezen, omdat eiser de wachttijd niet heeft volgemaakt als gevolg van zijn herstelverklaring per 2 juli 2012. De rechtbank is van oordeel dat het UWV in het kader van het herzieningsverzoek en de nieuwe aanvraag in 2025 op grond van de WIA niet ambtshalve heeft hoeven onderzoeken of de herstelmelding in 2012 juist is geweest. Een dergelijke beoordeling kan wel aan de orde zijn in het kader van een herzieningsverzoek ten aanzien van de herstelverklaring per 2 juli 2012 op grond van de ZW.
6.5
Gelet op het vorenstaande, is de rechtbank van oordeel dat het UWV terecht heeft vastgesteld dat geen sprake is van nieuwe feiten en/of veranderde omstandigheden.
De bestuursrechter kan aan de hand van wat eiser heeft aangevoerd echter tot het oordeel komen dat het besluit op het verzoek om terug te komen van het besluit evident onredelijk is. Bij de beoordeling of de afwijzing van het herzieningsverzoek evident onredelijk is, ligt niet de vraag voor of het oorspronkelijke besluit onredelijk of onjuist is, maar de vraag of dat besluit onmiskenbaar onjuist is. Van onmiskenbare onjuistheid is sprake als bij oppervlakkige inhoudelijke beoordeling of summier onderzoek al blijkt dat het oorspronkelijke besluit onjuist is. [3] De rechtbank is van oordeel dat daar in dit geval geen sprake van is.

Conclusie en gevolgen

7. Gelet op 6.1 tot en met 6.5 heeft het UWV eisers aanvragen kunnen afwijzen onder verwijzing naar het besluit van 17 april 2024.
8. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Daarom krijgt hij het griffierecht niet terug. Ook is er geen aanleiding voor vergoeding van proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H.M. Hesseling, rechter, in aanwezigheid van
W. Veldman, griffier. Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hoger beroepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 20 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4872 en 27 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:5115.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 5 maart 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:339.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 4 december 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1818.