ECLI:NL:CRVB:2025:1818
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Weigering terug te komen van het besluit tot toekenning van een WIA-uitkering en de vaststelling van arbeidsongeschiktheid
In deze zaak gaat het om de weigering van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) om terug te komen van een eerder besluit van 4 mei 2015, waarbij aan appellant een WIA-uitkering is toegekend met een arbeidsongeschiktheid van 69%. Appellant stelt dat er nieuwe medische informatie is die aanleiding geeft om het eerdere besluit te herzien. De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het Uwv terecht heeft geoordeeld dat er geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn die een herziening rechtvaardigen. De Raad volgt de argumentatie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, die in zijn rapporten heeft aangetoond dat de medische informatie die appellant heeft ingediend, niet nieuw is en niet leidt tot een andere conclusie over de mate van arbeidsongeschiktheid. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard, en de Raad bevestigt deze uitspraak. De Raad concludeert dat de afwijzing van het verzoek om terug te komen van het besluit van 4 mei 2015 terecht is en dat er geen sprake is van onredelijkheid in de besluitvorming van het Uwv. De uitspraak van de rechtbank blijft in stand, en appellant krijgt geen vergoeding voor proceskosten of griffierecht.