Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2026:2758

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
21 mei 2026
Publicatiedatum
22 mei 2026
Zaaknummer
12090193 \ EJ VERZ 26-37
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:671c BWArt. 7:611 BWArt. 6:106 BWArt. 6:119 BWArt. 7:629 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding arbeidsovereenkomst wegens ernstig verwijtbaar handelen werkgever en schending privacy arbeidsmigrant

Eiser, een arbeidsmigrant werkzaam via OTTO, maakte gebruik van door OTTO geregelde huisvesting via Labour Housing en EE Accomodations. Hij klaagde over frequente, deels onaangekondigde inspecties van zijn woonruimte, die in strijd waren met de huurovereenkomst en zijn privacy schonden. OTTO werd verantwoordelijk gehouden voor deze tekortkomingen vanwege de verwevenheid van arbeids- en huisvestingsrelatie en haar zorgplicht.

Daarnaast handelde OTTO ernstig verwijtbaar door tijdens de ziekte van eiser zonder contact arbeidsgeschikt te verklaren, wat niet aan de werkgever toekomt. Andere klachten over loonbetaling en reiskostenvergoeding werden niet als ernstig verwijtbaar beoordeeld. Eiser verzocht ontbinding van de arbeidsovereenkomst met een opzegtermijn van drie maanden en een billijke vergoeding.

De kantonrechter oordeelde dat de arbeidsovereenkomst op verzoek van eiser ontbonden wordt per 1 juli 2026. OTTO wordt veroordeeld tot betaling van een billijke vergoeding van €15.000 wegens ernstig verwijtbaar handelen. Verzoeken tot immateriële schadevergoeding, terugbetaling van huisvestingskosten en voorlopige voorzieningen werden afgewezen. De proceskosten worden verdeeld tussen partijen, waarbij OTTO de kosten van eiser draagt en eiser de kosten van Labour Housing en EE Accomodations.

Uitkomst: De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden per 1 juli 2026 en OTTO wordt veroordeeld tot betaling van een billijke vergoeding van €15.000 aan eiser.

Uitspraak

RECHTBANKOVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer / rekestnummer: 12090193 \ EJ VERZ 26-37
Beschikking van 21 mei 2026
in de zaak van
[verzoeker],
wonende in [woonplaats],
verzoekende partij, hierna te noemen: [verzoeker],
procederend in persoon,
tegen
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
OTTO WORK FORCE B.V.,
gevestigd en kantoorhoudende in Venray,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
LABOUR HOUSING B.V.,
gevestigd en kantoorhoudende in Venray,
3. debesloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
EE ACCOMODATIONS B.V.,
gevestigd en kantoorhoudende in Nijkerk,
verwerende partijen, hierna te noemen: OTTO, respectievelijk Labour Housing, respectievelijk EE Accomodations, en gezamenlijk te noemen: verweerders,
gemachtigde: mr. H.J.M. Strik.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift met producties, ontvangen op 9 februari 2026;
- het verzoek om een voorlopige voorziening, ontvangen op 10 februari 2026;
- het verweerschrift ten aanzien van de voorlopige voorziening;
- de reactie op het verweerschrift ten aanzien van de voorlopige voorziening van
[verzoeker];
- de e-mail van 20 maart 2026 met aanvullende producties van [verzoeker];
- het verweerschrift ten aanzien van het verzoek;
- de aanvullende toelichting van [verzoeker];
- de mondelinge behandeling van 16 april 2026, waar van de zijde van verweerders een pleitnota is overgelegd en waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt.
1.2.
Ten slotte heeft de kantonrechter bepaald dat vandaag een beschikking zal worden gegeven.

2.De feiten

2.1.
OTTO is een uitzendwerkgever voor arbeidsmigranten die in Nederland werken.
2.2.
[verzoeker] is begin 2022 naar Nederland gekomen. Hij is op 19 september 2022 bij OTTO in dienst getreden als uitzendkracht. [verzoeker] is door OTTO tewerkgesteld bij het distributiecentrum van Albert Heijn Logistics in Zwolle, waar hij onder andere als orderpicker en lader/losser werkte. De eerste uitzendovereenkomst is aangegaan voor bepaalde tijd (door partijen een Fase A overeenkomst genoemd) voor 112 uur per vier weken en liep van 19 september 2022 tot en met 16 april 2023. Daarna is een tweede uitzendovereenkomst voor bepaalde tijd gesloten. De derde en meeste recente uitzendovereenkomst geldt voor onbepaalde tijd (door partijen een Fase C overeenkomst genoemd). Vanaf die arbeidsovereenkomst werkte [verzoeker] 128 uur per vier weken. Op de uitzendovereenkomsten is de ABU-cao van toepassing. Het salaris van [verzoeker] volgt de salarissen die in deze cao zijn bepaald. Ook heeft OTTO een personeelshandboek met informatie voor werknemers.
2.3.
In de uitzendovereenkomsten is, voor zover van belang, het volgende opgenomen:

Artikel 5. Salaris
(…)
6. OTTO biedt de Werknemer huisvesting aan op de voorwaarden die zijn opgenomen in een aan deze overeenkomst te hechten Gebruiksovereenkomst. Werknemer machtigt OTTO om de vergoeding die hij verschuldigd is ten aanzien kosten van de huisvesting in te houden op zijn/haar salaris. Indien werknemer gebruik maakt van georganiseerd vervoer kan OTTO daarvoor een vergoeding in rekening brengen, kosten zijn afhankelijk van de woon- werkafstand. (…) Werknemer machtigt OTTO om de kosten die hij verschuldigd is ten aanzien van vervoer in te houden op zijn/haar salaris.
(…)”
2.4.
[verzoeker] heeft gebruik gemaakt van de mogelijkheid tot huisvesting. [verzoeker] heeft daartoe een “gebruiks-/huurovereenkomst” met Labour Housing gesloten. In deze overeenkomst staat dat de partijen bij de overeenkomst Labour Housing en [verzoeker] zijn. Onderaan, bij de ondertekening, staat “OTTO Work Force BV” en “de werknemer”. De overeenkomst is opgesteld op briefpapier van OTTO. In de overeenkomst is, voor zover van belang, het volgende opgenomen:
“4. De Gebruiker wordt geacht zich te conformeren aan de aan hem ter hand gestelde huisregels van de Woning en de regels en aanwijzingen op te volgen die hem/haar door degene die door Labour Housing belast is met het feitelijk beheer van de Woning en de locatie waar de Woning is gesitueerd. De Gebruiker dient daarnaast de regels omtrent orde en netheid in acht te nemen. Indien Gebruiker de huisregels overtreedt is Labour Housing gerechtigd de onderhavige overeenkomst op te zeggen met inachtneming van een opzegtermijn van één week. De Gebruiker kan direct (dus zonder inachtneming van een opzegtermijn) de toegang tot de Woning ontzegd worden bij een door Gebruiker veroorzaakte – naar het oordeel van Labour Housing gevaarlijke, onveilige en/of gewelddadige situatie.
(…)
6. Gebruiker staat toe dat er op reguliere basis inspectie van de Woning plaatsvindt. Bij tussentijdse inspectie en oplevering van de Woning bij vertrek wordt de staat van de Woning aan de hand van de checklist, zoals gebruikt bij aanvang, bepaald. Gebruiker is aansprakelijk voor schade aan de Woning en OTTO is gerechtigd eventuele schades op hem te verhalen en indien mogelijk in mindering te brengen op zijn salaris. (…)
7. Als de arbeidsovereenkomst eindigt geldt een overgangstermijn van vier weken waarbinnen de Gebruiker de huisvesting die hij huurt van de uitzendonderneming dient te verlaten. De vergoeding blijft gelijk en Gebruiker voldoet de huurprijs wekelijks.
(…)
9. (…) De Gebruikersovereenkomst eindigt altijd 1 dag vóór het einde van de arbeidsovereenkomst.
10. Indien de Gebruiker de woning niet tijdig verlaat, zal hij voor de Woning vanaf het moment van eindigen van de arbeidsovereenkomst € 100,00 per week betalen als vergoeding voor het gebruik. Dit laat onverlet dat deze gebruiksovereenkomst is beëindigd op de einddatum van de arbeidsovereenkomst.
11. Indien de Gebruiker gebruik maakt van door Labour Housing georganiseerd vervoer kan Labour Housing daarvoor een vergoeding in rekening brengen, kosten zijn afhankelijk van de woon- werkafstand. (…) De door gebruiker verschuldigde vergoeding wordt door de werkgever van Gebruiker in mindering gebracht op het door de werkgever aan Gebruiker verschuldigde salaris.
2.5.
Vanaf eind 2024 werd de huisvesting gerealiseerd door tussenkomst van het platform Lento. Na de hiervoor genoemde gebruiks-/huurovereenkomst heeft [verzoeker] via Lento een drietal logiesovereenkomsten met Labour Housing gesloten. In de eerste logiesovereenkomst staat, voor zover van belang, het volgende:
“9.5. Huurder geeft verhuurder toestemming om maximaal 1 x per maand het Gehuurde van binnen te inspecteren. De afspraak hiervoor zal minimaal 24 uur voorafgaand met huurder worden aangezegd.”
In de tweede en derde logiesovereenkomst staat:
“9.5. Huurder geeft Verhuurder bij voorbaat toestemming om het gehuurde te betreden voor inspectie van de binnenzijde, op momenten die naar redelijkheid en billijkheid worden bepaald. Iedere inspectie zal ten minste 24 uur van tevoren schriftelijk of elektronisch aan Huurder worden aangekondigd.”
2.6.
In bijlage 1 bij de logiesovereenkomsten is een artikel genaamd “Informatieverstrekking Wet Goed Verhuurderschap” opgenomen. Hierin staat:
“Via dit document wordt informatie verstrekt en wordt u als huurder geïnformeerd over de rechten en verplichtingen van de huurder. Kort gezegd staat in dit document onder meer uitgewerkt:
(…)
- dat de verhuurder de woning alleen met toestemming van de huurder mag betreden, tenzij er sprake is van een wettelijk uitzondering;
(…)
2. Het feit dat de verhuurder gedurende de periode van de huurovereenkomst uitsluitend met toestemming van de huurder de woon- of verblijfsruimte mag betreden, tenzij:
1. dringende noodsituatie]
2. [ dringende werkzaamheden als bedoeld in artikel 7:220 BW Pro]
3. [ renovatiewerkzaamheden als bedoeld in artikel 7:220 BW Pro]
4. [ burenrechtelijke verplichtingen]
5. [ bezichtiging] [1]
Hiervoor verwijst de verhuurder de huurder naar artikel 12 van Pro de Algemene Bepalingen
2.7.
In de Algemene Bepalingen bij de Logiesovereenkomsten is opgenomen:

Toegang en controle
12.1
Verhuurder is gerechtigd te controleren of huurder de huurovereenkomst en de algemene bepalingen nakomt. (…) Verhuurder en alle door hem aan te wijzen personen zijn daartoe gerechtigd het gehuurde periodiek, op een in overleg met huurder te bepalen tijdstip, te betreden en te inspecteren. Huurder is verplicht daaraan zijn medewerking te verlenen door op eerste verzoek van verhuurder aan te geven op welk tijdstip – gelegen binnen redelijke termijn na diens verzoek – verhuurder het gehuurde kan betreden en inspecteren en door verhuurder op gemeld tijdstip toegang te verlenen tot het gehuurde en gelegenheid te geven tot inspectie.
12.2
Verhuurder en alle door hem aan te wijzen personen zijn gerechtigd het gehuurde na overleg met huurder en op werkdagen tussen 08:00 uur en 17:30 uur te betreden voor inspectie van de staat van het gehuurde (…).”
2.8.
Na eerst een aantal dagen in een hotel te zijn ondergebracht, werd [verzoeker] gehuisvest in [plaats 1] en daarna in [plaats 2]. [verzoeker] werd gehuisvest in bungalows of (kamers in) woningen die eigendom zijn van EE Accomodations en waarvan Labour Housing beheerder is.
2.9.
Zowel in [plaats 1] als in [plaats 2] werd [verzoeker] frequent geconfronteerd met aangekondigde en niet aangekondigde inspecties van de woning en zijn kamer. Deze inspecties vonden plaats in zowel gemeenschappelijke ruimtes als in privéruimtes, zoals de slaapkamer van [verzoeker]. De controles vonden ook plaats op momenten dat [verzoeker] sliep.
2.10.
[verzoeker] heeft meerdere malen, in ieder geval op 22 juni 2023, 6 juli 2023, 11 januari 2024, 8 augustus 2024, 4 juli 2025 en 21 oktober 2025, bezwaar gemaakt tegen het betreden van zijn woning zonder zijn toestemming.
2.11.
Het huisvestingsteam van OTTO heeft naar aanleiding van de bezwaren van [verzoeker] steeds aangegeven dat controles op grond van de huisregels zijn toegestaan.
2.12.
In de eerste maanden van zijn tewerkstelling maakte [verzoeker] gebruik van het door OTTO geregelde transport. Vanaf half juni 2023 tot eind maart 2025 heeft [verzoeker] gebruik gemaakt van eigen vervoer. Hij kreeg daarvoor een reiskostenvergoeding. Vanaf april 2025 tot oktober 2025 heeft [verzoeker] opnieuw gebruik gemaakt van het door OTTO geregelde transport. Vanaf oktober 2025 wilde hij weer gebruik maken van eigen vervoer. Hij kreeg toen geen reiskostenvergoeding meer. [verzoeker] heeft daartegen schriftelijk bezwaar gemaakt. In reactie op het bezwaar heeft [naam] , de Onsite Manager van OTTO, op 8 oktober 2025 het volgende aan [verzoeker] gemaild:
“We as Otto try to explain it as clearly as possible to our employees, although it may be a bit technical as it relates to a provision in the collective labour agreement (CLA). If you arrange your own transport, you may be eligible for travel reimbursement under Article 16, paragraph 1 this refers to the hirer’s remuneration. We understand that this part may have led you to assume that reimbursement would apply.
However, point B of the Abo CLA states: If an employee is entitled to travel reimbursement under Article 16, paragraph 1, but uses transport provided by the employment agency, then no travel reimbursement will be paid, and no personal contribution may be charged for that transport.
You’ve chosen not to use the transport we provide, which is absolutely fine. However, this does mean that travel reimbursement does not apply in your case. (…)”
[verzoeker] heeft nogmaals bezwaar gemaakt. OTTO heeft haar standpunt om geen reiskostenvergoeding toe te kennen gehandhaafd.
2.13.
Op 27 september 2025 heeft [verzoeker] zich ziekgemeld. Op 30 september 2025 heeft OTTO de ziekmelding gesloten. In een e­mail van die dag van een (niet bij name genoemde) medewerker van OnSite AH Zwolle staat dat [verzoeker] op 30 september 2025 geen contact heeft opgenomen met OnSite AH Zwolle en dat er daarom vanuit wordt gegaan dat [verzoeker] volledig hersteld is en weer aan het werk kan. Volgens een medewerker van het Operations Service Center van OTTO kon [verzoeker] zich die avond opnieuw ziekmelden.
2.14.
Op 14 oktober 2025 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [verzoeker] en de Business Unit Directeur van OTTO. Een vervolggesprek, dat door OTTO werd verlangd in verband met de hoeveelheid klachten van [verzoeker] wordt door [verzoeker] afgehouden. Hij wil dat verdere communicatie schriftelijk zal plaatsvinden. De Business Unit Directeur heeft daarop aangegeven dat als [verzoeker] niet in gesprek wil, OTTO dan weinig kan doen, en dat het onwenselijk is dat een werkgever geen contact kan hebben met een werknemer. Daarna heeft tussen [verzoeker] en de Business Unit Directeur e­mailcorrespondentie plaatsgevonden, waarin [verzoeker] vragen heeft gesteld over zijn loonuitbetaling tijdens de ziekteperiode eind september 2025, over de registratie van zijn klachten en over het door OTTO benoemde ‘patroon’ in zijn gedrag. Begin november 2025 heeft OTTO aangegeven dat een constructieve oplossing niet mogelijk is zonder samen in gesprek te gaan.
2.15.
Op 31 oktober 2025 heeft [verzoeker] een schriftelijke waarschuwing gekregen, omdat hij te laat op zijn werk was verschenen. Op 10 november 2025 heeft [verzoeker] OTTO verzocht om een consult bij de bedrijfsarts in te plannen wegens oververmoeidheid, stress en slaapstoornissen. Op 16 november 2025 heeft [verzoeker] zich ziekgemeld. Op 18 november 2025 is [verzoeker] weer aan het werk gegaan. Op 19 november 2025 kreeg [verzoeker] bericht dat hij op 27 november 2025 bij de bedrijfsarts terecht kon.
2.16.
Op 21 november 2025 heeft [verzoeker] een arbeidsongeval gehad.
2.17.
Op 29 december 2025 hebben twee medewerkers van Labour Housing de slaapkamerdeur van [verzoeker] zonder toestemming van [verzoeker] geopend om met [verzoeker] te praten. Eén van de twee medewerkers, David Chlewicki, heeft naar aanleiding van dit gesprek op 30 december 2025 per e-mail aan onder andere een medewerker van OTTO en OnSite AH Zwolle melding gemaakt van een ‘incident’.
2.18.
Op 23 januari 2026 heeft [verzoeker] OTTO schriftelijk in gebreke gesteld
wegens ‘voortdurende en onderling samenhangende tekortkomingen in de nakoming van
haar verplichtingen als werkgever’. Hij heeft in de brief om ontbinding van de arbeidsovereenkomst gevraagd en vorderingen ingesteld, en heeft OTTO 14 dagen de tijd gegeven om aan de vorderingen te voldoen.
2.19.
Op dit moment is [verzoeker] ziekgemeld.

3.Het geschil

3.1.
[verzoeker] verzoekt de kantonrechter, uitvoerbaar bij voorraad:
om de arbeidsovereenkomst met OTTO te ontbinden op grond van artikel 7:671c BW met een opzegtermijn van drie maanden wegens ernstig verwijtbaar handelen van OTTO, met de vaststelling dat de ontbinding uitsluitend aan OTTO is te wijten. Daarbij verzoekt [verzoeker]:
OTTO te veroordelen het loon door te betalen tot de datum van ontbinding;
zonder verplichting tot het verrichten van arbeid;
onder handhaving van alle secundaire arbeidsvoorwaarden;
om OTTO te veroordelen tot betaling van een billijke vergoeding van € 350.000,00;
om verweerders hoofdelijk te veroordelen tot betaling van een immateriële schadevergoeding van in totaal € 50.000,00;
voor recht te verklaren dat dat de door Labour Housing en EE Accomodations, al dan niet in samenhang met OTTO, ter beschikking gestelde huisvesting niet als drukmiddel mag worden gebruikt binnen de arbeidsrelatie en niet feitelijk of juridisch afhankelijk mag worden gesteld van de arbeidsovereenkomst, en verweerders hoofdelijk te veroordelen tot betaling van € 23.417,10 aan onrechtmatig ingehouden huisvestingskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente, en om verweerders hoofdelijk te veroordelen tot betaling van (materiële) schadevergoeding van € 15.000,00;
3.2.
Daarnaast verzoekt [verzoeker] de kantonrechter bij wijze van voorlopige voorziening op grond van artikel 223 Rv Pro, voor de duur van de procedure:
5. a. te bepalen dat [verzoeker] recht houdt op voortzetting van de huidige huisvesting onder ongewijzigde voorwaarden;
b. verweerders te verbieden enige vorm van huisvestingscontrole, binnentreding of verhuizing te initiëren zonder uitdrukkelijke en schriftelijke toestemming;
c. OTTO te verbieden maatregelen te treffen die erop gericht zijn om [verzoeker] onder druk te zetten of te benadelen in verband met deze procedure;
d. te bepalen dat alle communicatie met [verzoeker] uitsluitend schriftelijk dient plaats te vinden;
zulks op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag of gedeelte daarvan dat verweerders in gebreke blijven hieraan te voldoen, met een maximum van € 50.000,00;
6. ten aanzien van beide verzoeken met hoofdelijke veroordeling van verweerders in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
3.3.
Verweerders hebben geconcludeerd tot toewijzing van het verzoek om ontbinding van de arbeidsovereenkomst en afwijzing van de overige verzoeken, dan wel niet ontvankelijk verklaring van [verzoeker] in zijn verzoek onder 2. jegens Labour Housing en EE Accomodations en in zijn verzoeken om hoofdelijke veroordeling onder 3. en 4., met
– als tegenverzoek – [verzoeker] te veroordelen in de proceskosten, uitvoerbaar bij voorraad.

4.De beoordeling

4.1.
Voorafgaande aan de zitting heeft mr. Strik bezwaar gemaakt tegen de aanvullende processtukken die [verzoeker] na zijn verzoekschriften heeft ingediend. Deze stukken kunnen bij de beoordeling van de zaak niet worden meegenomen, aldus mr. Strik. De kantonrechter heeft op het bezwaar beslist dat de stukken niet buiten beschouwing zullen worden gelaten, maar dat indien van die stukken gebruik wordt gemaakt bij de beoordeling van de zaak, en verweerders op deze specifieke stukken niet hebben kunnen reageren, zij de gelegenheid zullen krijgen om dat alsnog te doen.
Ontbinding van de arbeidsovereenkomst
4.2.
[verzoeker] heeft op grond van artikel 7:671c BW verzocht om ontbinding van de arbeidsovereenkomst met OTTO. Dat artikel bepaalt dat de arbeidsovereenkomst op verzoek van een werknemer kan worden ontbonden wegens omstandigheden die van dien aard zijn dat de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve dadelijk of na korte tijd behoort te eindigen.
4.3.
[verzoeker] heeft gesteld dat hij psychische klachten ondervindt door stress, slaapproblemen en vermoeidheid. De manier waarop de arbeidsovereenkomst, het vervoer en de huisvesting zijn geregeld, levert druk op en hij voelt zich afhankelijk en niet veilig door de manier waarop hij wordt behandeld en de samenhang tussen de organisaties
Labour Housing en EE Accomodations en zijn uitzendwerkgever OTTO. De huisvesting wordt volgens [verzoeker] gebruikt als feitelijk drukmiddel, zodat hij zich niet vrij voelt om zijn rechten als werknemer uit te oefenen. De arbeidsrelatie strekt zich uit tot in de woonruimte, waardoor [verzoeker] wordt beroofd van zijn recht op privacy en huisvrede. Ook tijdens ziekte ervaart [verzoeker] druk vanuit OTTO. Volgens [verzoeker] is sprake van een duurzame verstoring van de arbeidsrelatie.
4.4.
De kantonrechter zal het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van artikel 7:671c BW toewijzen. Bij dat oordeel weegt de kantonrechter mee dat het hier om een werknemersverzoek gaat waarbij bijzondere opzegverboden niet aan de orde zijn. Verder is van belang dat gelet op het (grond)recht van vrije arbeidskeuze een verzoek door de werknemer in beginsel gehonoreerd dient te worden. Daarbij heeft OTTO geen verweer gevoerd tegen de verzochte ontbinding.
4.5.
[verzoeker] heeft verzocht om een opzegtermijn van drie maanden. OTTO heeft verzocht om de arbeidsovereenkomst op de kortst mogelijke termijn te beëindigen. De kantonrechter zal de wettelijke, door een werkgever in acht te nemen opzegtermijn hanteren. De arbeidsovereenkomst zal worden ontbonden per 1 juli 2026.
4.6.
Het verzoek om OTTO te veroordelen om het loon door te betalen, zal worden afgewezen. OTTO heeft op grond van de arbeidsovereenkomst de plicht om het loon door te betalen tot de datum van ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Daarvoor is een aparte veroordeling niet nodig. Datzelfde geldt voor het verzoek tot het handhaven van de secundaire arbeidsvoorwaarden.
4.7.
Ook het verzoek om [verzoeker] te ontheffen van zijn verplichting om arbeid te verrichten zal worden afgewezen. [verzoeker] heeft op grond van de arbeidsovereenkomst de plicht om arbeid te verrichten (wanneer hij weer arbeidsgeschikt is). Dat wordt niet anders door een toekomstige ontbinding van de arbeidsovereenkomst.
Ernstig verwijtbaar handelen Labour Housing en EE Accomodations
4.8.
Het verzoek tot betaling van een billijke vergoeding zal ten aanzien van Labour Housing en EE Accomodations worden afgewezen. Een werkgever kan in geval van ernstig verwijtbaar handelen worden veroordeeld om een billijke vergoeding aan een werknemer te betalen. Weliswaar stelt [verzoeker] dat sprake is van samenhang tussen OTTO, Labour Housing en EE Accomodations, maar gelet op de arbeidsovereenkomst met OTTO staat voldoende vast dat Labour Housing en EE Accomodations niet als werkgever van [verzoeker] kunnen worden aangemerkt en daarmee niet op grond van artikel 7:671c lid 2 onder b BW tot het betalen van een billijke vergoeding kunnen worden veroordeeld.
Ernstig verwijtbaar handelen OTTO
4.9.
Voor het verzoek van [verzoeker] om OTTO te veroordelen tot betaling van een billijke vergoeding moet worden beoordeeld of OTTO ernstig verwijtbaar heeft gehandeld (artikel 7:671c lid 2 onder b BW).
4.10.
[verzoeker] heeft aan de hand van verschillende onderwerpen en aan de hand van de samenhang tussen OTTO, Labour Housing en EE Accomodations gesteld dat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen van OTTO. [verzoeker] benoemt de gang van zaken rondom ziekte, het niet volledig uitbetalen van uren, het transport en de reiskostenvergoeding en verder de huisvesting en de inspecties en de samenhang tussen klachten en daaropvolgende inspecties. De samenhang tussen de arbeidsovereenkomst, de huisvesting en het transport maakt volgens [verzoeker] dat sprake is van ongeoorloofde drukzetting. Hierna zal per situatie en aan de hand van de samenhang tussen OTTO, Labour Housing en EE Accomodations worden beoordeeld of OTTO ernstig verwijtbaar heeft gehandeld.
Niet volledig uitbetalen van uren
4.11.
[verzoeker] heeft gesteld dat OTTO tijdens zijn ziekte onterecht een extra wachtdag heeft berekend en daarmee te weinig loon heeft uitbetaald. OTTO heeft ter zitting verklaard dat dat klopt, maar dat die dag later alsnog is uitbetaald. Hoewel [verzoeker] dat heeft bestreden, is de kantonrechter van oordeel dat het eventueel maken van een fout in de berekening van ziektedagen of wachtdagen niet meteen betekent dat OTTO verwijtbaar heeft gehandeld. Gesteld noch gebleken is dat OTTO bewust (of opzettelijk) te weinig loon heeft uitbetaald.
Transport en reiskostenvergoeding
4.12.
[verzoeker] heeft gesteld dat de omstandigheid dat de organisatie van het transport van en naar de werkplek door OTTO werd geregeld, zorgde voor druk en een afhankelijkheidsrelatie van [verzoeker] met verweerders. De kantonrechter is van oordeel dat de omstandigheid dat OTTO als werkgever zorgde voor vervoer naar de werkplek, ook niet in combinatie met andere omstandigheden, redelijkerwijs niet kan worden gezien als het zetten van druk. Als [verzoeker] zich niet kon vinden in de manier waarop het transport georganiseerd werd, had hij immers altijd de keuze om met eigen vervoer naar zijn werkplek te reizen. Hij heeft dat tijdelijk ook gedaan. Het behoud van zijn werkplek en huisvesting was niet afhankelijk van de keuze om wel of geen gebruik te maken van het vervoer van OTTO.
4.13.
Wat betreft de reiskostenvergoeding overweegt de kantonrechter het volgende. Ter zitting heeft de kantonrechter de e-mail van 8 oktober 2025 van [naam] , de OnSite manager van OTTO, met OTTO besproken. In die e-mail wordt aan [verzoeker] uiteengezet waarom hij geen reiskostenvergoeding meer krijgt. OTTO heeft erkend dat de uitleg in de e-mail niet klopt. OTTO heeft verder toegelicht dat het beleid met betrekking tot het vergoeden van reiskosten is gewijzigd wegens ‘nieuwe juridische inzichten’. Volgens OTTO is zij op grond van de ABU-cao niet verplicht om de reiskosten te vergoeden. Hoewel de uitleg in de e­mail van OTTO naar het oordeel van de kantonrechter als onzorgvuldig moet worden aangemerkt, is het handelen van OTTO op dit punt niet (ernstig) verwijtbaar.
4.14.
Voor zover [verzoeker] zich op het standpunt stelt dat hij recht heeft op dezelfde beloning, en dus op dezelfde reiskostenvergoeding, als medewerkers die (rechtstreeks) bij Albert Heijn in dienst zijn, heeft [verzoeker] die stelling niet nader uitgewerkt of concreet gemaakt. Hij heeft daar evenmin een verzoek aan verbonden. De beoordeling van die kwestie blijft hier dan ook buiten beschouwing.
Gang van zaken tijdens ziekte
Niet ernstig verwijtbaar
4.15.
[verzoeker] heeft gesteld dat hij tijdens ziekte werd geconfronteerd met tegenstrijdige instructies vanuit verschillende afdelingen, herhaaldelijke contactverplichtingen met directe gevolgen voor de ziekmelding, dreiging met financiële sancties en inmenging van OTTO in medische procedures. Het handelen van OTTO werkt volgens [verzoeker] herstelbelemmerend.
4.16.
[verzoeker] heeft niet concreet gesteld van welke dreiging met financiële sancties sprake is (geweest), zodat de kantonrechter hieraan voorbij zal gaan.
4.17.
[verzoeker] heeft onvoldoende onderbouwd dat OTTO zich heeft gemengd in een medisch gesprek. Volgens [verzoeker] heeft de door OTTO ingeschakelde tolk tijdens een gesprek met de bedrijfsarts een vraag van de bedrijfsarts anders geformuleerd. Daarnaast zou de tolk een poging hebben gedaan om vast te stellen of de personen waarmee [verzoeker] samenwoont collega’s van hem zijn. OTTO heeft deze stellingen betwist en [verzoeker] heeft deze stellingen niet nader onderbouwd. Maar wat er ook van zij, uit deze omstandigheden blijkt onvoldoende dat de tolk opzettelijk en in opdracht van OTTO heeft gehandeld. Dat OTTO zich probeert te mengen in medische gesprekken is dus niet gebleken. Ook overigens is uit de stellingen van [verzoeker] niet gebleken van inmenging van medewerkers van OTTO in zijn medische gesteldheid.
4.18.
Verder heeft [verzoeker] onvoldoende onderbouwd dat OTTO heeft geweigerd om een gesprek met de bedrijfsarts in te plannen. Na het daartoe strekkende verzoek van [verzoeker] op 10 november 2025 is immers een gesprek met de bedrijfsarts ingepland op 27 november 2025. Dat is op zich geen ongebruikelijke of onredelijk lange termijn en [verzoeker] heeft niet concreet toegelicht waarom dat in dit geval wel zo zou zijn.
Voor zover [verzoeker] het arbeidsongeval van 21 november 2025 hiermee in verband brengt, heeft [verzoeker] nagelaten toe te lichten wat er precies is gebeurd, wat de oorzaak van het ongeval is of kan zijn geweest en waarom het voorval aan het (niet) handelen van OTTO zou zijn te wijten.
4.19.
Dat sprake is van herhaaldelijke contactverplichtingen tijdens ziekte blijkt uit een e­mail van 30 september 2025 van een (niet bij name genoemde) medewerker van OnSite AH Zwolle (via OnSiteAHZwolle@ottoworkforce.eu). In de e-mail wordt verwezen naar een ziekteverlofregeling van OTTO, op grond waarvan een zieke werknemer ook na de eerste ziektedag iedere dag tussen 8:00 uur en 12:00 uur contact moet opnemen met de afdeling Ziekteverlof en met OnSite AH Zwolle. Hoewel dit op zich een vergaande verplichting voor een werknemer met zich meebrengt en deze verplichting niet (direct) voortvloeit uit de re­integratieverplichtingen uit de wet, zoals OTTO wel stelt, en ook niet uit het personeelshandboek van OTTO, is deze verplichting niet dusdanig vergaand dat OTTO door het stellen van deze verplichting (ernstig) verwijtbaar handelt.
Wel ernstig verwijtbaar
4.20.
Wel acht de kantonrechter ernstig verwijtbaar dat OTTO als werkgever zelf is overgegaan tot het beter melden en arbeidsgeschikt verklaren van [verzoeker]. Het is niet aan een werkgever om te beslissen of een werknemer arbeidsgeschikt is of niet. In het geval een werknemer, in strijd met de hiervoor genoemde door OTTO opgelegde verplichting, tijdens zijn ziekte niet iedere dag contact opneemt (zoals in het geval van [verzoeker]), staan OTTO op grond van het Burgerlijk Wetboek andere sancties ter beschikking dan het zomaar beter melden van die werknemer. [2] In dit geval was er slechts één dag sprake van een gebrek aan contact en heeft OTTO zelfs niet eerst geprobeerd zelf contact met [verzoeker] op te nemen. Bovendien heeft [verzoeker] verklaard dat hij een reden had om geen contact met OTTO op te nemen. Hij had namelijk van personeelszaken van OTTO begrepen dat het volgende contactmoment op initiatief van OTTO plaats zou vinden, zoals overigens ook in het personeelshandboek van OTTO staat vermeld. Als OTTO contact had opgenomen met [verzoeker] had zij dat van [verzoeker] kunnen vernemen.
4.21.
Deze ‘tegenstrijdige’ instructie, die op zich niet door OTTO is weersproken, is op zichzelf zonder nadere concretisering niet direct als (ernstig) verwijtbaar handelen van OTTO aan te merken. Niet gesteld is dat deze instructie is gegeven door lichtvaardig of onzorgvuldig handelen van OTTO of dat sprake is van een structurele werkwijze van OTTO (het kan ook een misverstand of een eenmalige fout zijn). Echter, zoals hiervoor is overwogen is de kantonrechter wel van oordeel dat het handelen van OTTO ná dit ‘gebrek aan contact’, namelijk het beter melden van [verzoeker] zonder contact met hem te hebben gehad, moet worden aangemerkt als ernstig verwijtbaar handelen.
Huisvesting en inspecties
4.22.
Tussen partijen staat vast dat in de woning/kamer van [verzoeker] regelmatig aangekondigde en onaangekondigde inspecties plaatsvinden.
4.23.
[verzoeker] heeft gesteld dat het meerdere keren is voorgekomen dat medewerkers van Labour Housing een sleutel gebruiken om binnen te komen, dat zij zonder zijn toestemming zijn kamer binnenkomen, ook wanneer hij uitdrukkelijk bezwaar maakt, en dat de medewerkers ook zijn kamer binnenkomen wanneer hij slaapt (bijvoorbeeld na een nachtdienst) en zonder reden voor inspectie.
4.24.
Labour Housing heeft ter zitting toegelicht dat er verschillende soorten inspecties zijn. Er worden technische- hygiëne- en veiligheidsinspecties gehouden, inspecties bij bewonerswisselingen, inspecties van de SNF (Stichting Normering Flexwonen) en inspecties die voorafgaand aan een inspectie van de SNF worden gehouden. De SNF voert inspecties uit in woningen die het SNF-keurmerk dragen. Om het keurmerk te kunnen behouden, is het nodig dat voorafgaand aan zo’n SNF-keuring een inspectie van de woning plaatsvindt. Er hangt voor Labour Housing veel af van zo’n SNF-keuring, aldus Labour Housing. Verder heeft Labour Housing toegelicht dat een inspectie 24 uur van tevoren moet worden aangekondigd. Er zijn echter ook inspecties die onaangekondigd dienen plaats te vinden, om te voorkomen dat er tijdens een inspectie geen realistisch beeld van de situatie in de woning wordt verkregen. Verder is het beleid volgens Labour Housing dat er moet worden aangeklopt of aangebeld, dat er vervolgens moet worden gewacht, en dat dan opnieuw moet worden aangeklopt. Dan pas mag worden binnengetreden. Het is volgens Labour Housing niet voorgeschreven dat er iemand in de woning aanwezig moet zijn. Als de bewoner slaapt, is het niet de bedoeling dat er wordt binnengetreden, aldus Labour Housing.
4.25.
Labour Housing heeft niet weersproken dat de inspecties zijn verlopen zoals [verzoeker] heeft beschreven. Dat betekent dat komt vast te staan dat de momenten waarop inspecties plaatsvinden zonder overleg met de bewoners worden gepland. Vast staat verder dat de kamer van [verzoeker] regelmatig zonder voorafgaand overleg of voorafgaande toestemming is betreden en dat de kamer van [verzoeker] tweemaal (op 8 augustus 2024 en op 21 oktober 2025) is betreden terwijl hij sliep, terwijl het feit dat [verzoeker] sliep in ieder geval op 21 oktober 2025 bekend was bij de betreffende inspectiemedewerker door de waarschuwingen van medebewoners van [verzoeker]. Ook komt vast te staan dat de kamer van [verzoeker] op 29 december 2025 zonder zijn toestemming is betreden zonder de noodzaak van een inspectie, maar omdat de medewerkers van Labour Housing met [verzoeker] wilden praten. Labour Housing heeft toegegeven dat hiermee niet alle inspecties volgens de regels zijn verlopen.
4.26.
De kantonrechter stelt voorop dat op grond van de logiesovereenkomsten en de huisregels
iedereinspectie 24 uur van tevoren moet worden aangekondigd. Daarnaast wordt in de eerste logiesovereenkomst vermeld dat de huurder toestemming geeft om maximaal één keer per maand een inspectie uit te voeren. Ook is geregeld dat deze momenten naar redelijkheid en billijkheid worden bepaald. In bijlage 1 bij de logiesovereenkomsten en in de Algemene Bepalingen bij de logiesovereenkomsten staat dat de inspecties in overleg met de huurder worden gepland.
4.27.
Hoewel de kantonrechter begrijpt dat Labour Housing zowel vanwege de veiligheid en hygiëne als vanwege het keurmerk van SNF belang heeft bij de aangekondigde inspecties en wellicht ook af en toe zelfs bij onaangekondigde inspecties, is de kantonrechter van oordeel dat Labour Housing de overeengekomen afspraken over de inspecties verschillende keren heeft geschonden. Dat [verzoeker] volgens de overeenkomst en de huisregels verplicht is om mee te werken aan de inspecties, betekent immers niet dat dan op elk gewenst moment (aangekondigd of onaangekondigd) mag worden binnengetreden indien hij geen toestemming verleent. Dit is wel gebeurd. Dat ondanks waarschuwingen van medebewoners ook werd binnengetreden terwijl [verzoeker] sliep, acht de kantonrechter onaanvaardbaar. Verder heeft [verzoeker] onweersproken gesteld dat er in 2023 tien aangekondigde controles hebben plaatsgevonden, in 2024 23 aangekondigde controles hebben plaatsgevonden en in 2025 negen aangekondigde controles hebben plaatsgevonden. Daarnaast hebben onaangekondigde inspecties plaatsgevonden. Dat betekent dat veel meer controles hebben plaatsgevonden dan op grond van de eerste logiesovereenkomst is toegestaan. Weliswaar heeft Labour Housing toegelicht dat er verschillende soorten controles zijn en dat deze soms ook vlak achter elkaar kunnen – en moeten – plaatsvinden, maar dat is niet op die manier met [verzoeker] overeengekomen. Tot slot hebben medewerkers van Labour Housing op 29 december 2025 de deur van de kamer van [verzoeker] geopend met een ander doel dan het uitvoeren van een inspectie. Volgens de transcriptie van de audio-opname van het gesprek wilden de medewerkers van Labour Housing met [verzoeker] praten over klachten die over [verzoeker] binnen waren gekomen en over de sleutels van de stoppenkast en de brievenbus. Het met die reden zonder toestemming openen van de deur van de kamer van [verzoeker] is in strijd met de huurovereenkomst, in strijd met de eisen van goed verhuurderschap en in strijd met het recht op ongestoord huurgenot en privacy. Dat van privacy in de woning van [verzoeker] kennelijk geen sprake was blijkt ook uit de transcriptie van de audio-opname van het gesprek op 29 december 2025. Hieruit volgt dat de medewerkers van Labour Housing die zijn kamer die dag betraden onder meer tegen [verzoeker] hebben gezegd:
“Als wij dat nodig hebben, dan kunnen wij naar binnen gaan”, Ik had de noodzaak om de woning binnen te gaan om met u te praten”, “U huurt van ons, u bent niet privé. Als u echt privé zou zitten en u daar uw eigen regels zou hebben opgesteld, prima. U bent bij ons”.
4.28.
[verzoeker] heeft OTTO en Labour Housing vanaf aanvang van de gebruiks­/huurovereenkomst meerdere keren aangeschreven en gesommeerd te stoppen met het binnentreden van zijn kamer zonder zijn toestemming. [verzoeker] heeft ook aangegeven dat hij tegen proportionele inspecties geen bezwaar heeft. OTTO en Labour Housing hebben niet inhoudelijk op de bezwaren van [verzoeker] gereageerd. Zij hebben steeds slechts herhaald dat de inspecties op grond van de overeenkomst en de huisregels zijn toegestaan. Zij hebben de inspecties niet verminderd (tenminste niet vanwege de bezwaren van [verzoeker]) en zijn deze niet op een andere manier gaan uitvoeren. Ter zitting heeft Labour Housing wel verklaard dat de (reguliere) controles, gelet op de recente maatschappelijke ontwikkelingen en de invoering van de Wet Goed Verhuurderschap, zijn verminderd van één keer per twee weken naar één keer per maand. Daarover overweegt de kantonrechter dat naar aanleiding van de maatschappelijke ontwikkelingen weliswaar meer en strengere normen voor een verhuurder (zijn gaan) gelden, maar dat dat niet betekent dat deze schendingen van de gebruiks-/huurovereenkomst en het huurgenot vóór die ontwikkelingen niet als onrechtmatig kunnen worden aangemerkt.
4.29.
Gezien het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat Labour Housing tekortschiet in de nakoming van haar verplichtingen uit de gebruiks-/huurovereenkomst en de logiesovereenkomsten. Bovendien handelt Labour Housing in strijd met artikel 2.1 van de Wet Goed Verhuurderschap in combinatie met artikel 1b van de Regeling Goed Verhuurderschap. Hierin is opgenomen dat een verhuurder gedurende de periode van de huurovereenkomst uitsluitend met toestemming van de huurder de woon- of verblijfsruimte mag betreden, tenzij sprake is van één van de gevallen die limitatief in de Regeling zijn genoemd. Labour Housing schendt verder met de hiervoor genoemde manier van binnentreden het recht op ongestoord huurgenot. Daarnaast schendt Labour Housing het recht op privacy van [verzoeker]. Labour Housing handelt hiermee onrechtmatig ten opzichte van [verzoeker].
Ernstig verwijtbaar handelen OTTO?
4.30.
De vraag is vervolgens of deze tekortkoming en het onrechtmatig handelen van Labour Housing aan OTTO als werkgever zijn toe te rekenen, zoals [verzoeker] heeft gesteld.
4.31.
OTTO heeft hierover betoogd dat eventuele schendingen van het woongenot en de privacy niet aan OTTO zijn toe te rekenen, omdat OTTO en Labour Housing verschillende organisaties zijn. OTTO en Labour Housing behoren weliswaar tot dezelfde groep en waren vroeger alleen verschillende afdelingen, maar zijn organisatorisch zelfstandig en die zelfstandigheid wordt in het beeld naar buiten toe ook (steeds verder) verduidelijkt. OTTO is de werkgever en Labour Housing is de verhuurder, aldus OTTO.
4.32.
De kantonrechter overweegt hierover als volgt. Bij aanvang van de arbeidsovereenkomst biedt OTTO werknemers de mogelijkheid om hun huisvesting te organiseren. Hoewel in het geval van [verzoeker] werd vermeld dat die huisvesting door Labour Housing wordt geregeld en de gebruiks-/huurovereenkomst met Labour Housing wordt gesloten, staat die (eerste) gebruiks-/huurovereenkomst op briefpapier van OTTO én staat onderaan de overeenkomst, op de plek waar de overeenkomst moet worden ondertekend, de bedrijfsnaam van OTTO. In dit geval is de overeenkomst niet ondertekend, maar kennelijk is het de bedoeling dat OTTO, en niet Labour Housing, de gebruiks-/huurovereenkomst ondertekent. Daarnaast staat bij de plek waar [verzoeker] diende te ondertekenen “werknemer” en niet bijvoorbeeld “huurder” of “gebruiker”. Tot slot wordt de huur in mindering gebracht op het door OTTO aan [verzoeker] uit te keren salaris en eindigt de huur wanneer de arbeidsovereenkomst eindigt.
4.33.
Daar komt bij dat in het personeelshandboek van OTTO niet alleen informatie is te vinden over het werken bij OTTO, maar ook informatie en regels met betrekking tot de huur en de huisvesting. Volgens het handboek heeft OTTO een ‘
welfare officer’ die zorgt voor de hygiëne en veiligheid in de woningen van de werknemers en kunnen werknemer bij deze
welfare officerterecht met vragen of klachten over huurgerelateerde zaken. Ook vermeldt het handboek dat er een ‘
employee quality control’ is, die inspecties verzorgt en een ‘
employee safety and control’ die aanwezig is op woonlocaties in geval van calamiteiten. Ook blijkt uit het handboek dat werknemers bij het Operations Service Centre van OTTO terechtkunnen met vragen over onder andere de huisvesting.
4.34.
Uit de e-mails die [verzoeker] heeft overgelegd blijkt verder dat de inspecties in de woningen in de praktijk deels werden aangekondigd en uitgevoerd door medewerkers van OTTO. Verder maakt [verzoeker] steeds bezwaar tegen de inspecties bij “MyOttoSupport”, een onderdeel van OTTO. Vervolgens zijn het medewerkers van OTTO die reageren op de bezwaren van [verzoeker] tegen de inspecties. Zij verwijzen hem in die reacties niet door naar Labour Housing of EE Accomodations. Tot slot heeft de desbetreffende medewerker van Labour Housing het door hem gerapporteerde ‘incident’ van 29 december 2025 aan onder andere [naam] (van OTTO) en aan AH OnSite Zwolle verzonden. Hiermee wordt dus rapport uitgebracht aan de werkgever over een situatie die zich in de woonsfeer heeft voorgedaan.
4.35.
Gelet op de overeenkomsten en het handboek heeft OTTO de verplichting op zich genomen om te zorgen voor huisvesting. Daarbij komt dat zij, gelet op de hiervoor omschreven taken van de
welfare officer,de verplichting heeft om te zorgen voor een veilige woonomgeving. Hoewel dit niet direct een verplichting betreft die voortvloeit uit de arbeidsovereenkomst, gaat het wel om verplichtingen die OTTO als werkgever jegens [verzoeker] als werknemer op zich heeft genomen. Het is dan ook aan OTTO om die verplichtingen na te komen. Gezien het overwogene onder 4.33 en 4.34 heeft OTTO kennelijk ook zeggenschap over in ieder geval een deel van de inspecties en daarmee over de omstandigheden rondom de inspecties. Daarmee heeft OTTO een verantwoordelijkheid op zich genomen om te zorgen dat die inspecties met inachtneming van de belangen van de werknemers op de juiste wijze worden uitgevoerd.
4.36.
Die verantwoordelijkheid eindigt naar het oordeel van de kantonrechter niet bij de inspecties die zijn uitgevoerd door medewerkers van OTTO zelf. Dit volgt uit de zorgplicht die rust op OTTO als werkgever ten aanzien van haar werknemers. Deze zorgplicht van OTTO volgt uit artikel 7:611 BW Pro (goed werkgeverschap) en houdt onder andere een verplichting in om zorgvuldig met de belangen van werknemers om te gaan en daarmee in haar handelen rekening te houden. Uit het hetgeen is overwogen onder 4.32 tot en met 4.34 blijkt dat de huisvesting feitelijk zeer sterk verweven is met de arbeidsrelatie. Dit zorgt ervoor dat de zorgplicht van OTTO als werkgever zich, in dit bijzondere geval, ook uitstrekt tot de woonsituatie van [verzoeker] en de manier waarop [verzoeker] in die situatie is behandeld. Naar het oordeel van de kantonrechter dient OTTO er op grond van de op haar rustende zorgplicht voor te zorgen dat zij voldoende toezicht houdt op de woonomstandigheden, onder meer door de frequentie en de manier van uitvoeren van de inspecties door Labour Housing te controleren en te reguleren en door Labour Housing te wijzen op haar verplichtingen jegens [verzoeker]. Uit niets blijkt dat OTTO dit heeft gedaan. Integendeel, OTTO heeft nooit inhoudelijk op de bezwaren van [verzoeker] gereageerd, maar heeft steeds slechts herhaald dat de inspecties op grond van de overeenkomst en de huisregels zijn toegestaan.
4.37.
Ter zitting heeft Labour Housing verklaard dat de werkwijze is veranderd en dat de medewerkers van Service en Beheer nu allemaal onder Labour Housing vallen. Ook heeft OTTO aangevoerd dat medewerkers van Labour Housing in het verleden e­mailadressen van OTTO gebruikten. OTTO heeft erkend dat dit voor verwarring kan zorgen, waardoor ook dat inmiddels is aangepast. Ook hebben OTTO en Labour Housing toegelicht dat de overeenkomsten vanaf juni 2026 worden aangepast aan de maatschappelijke ontwikkelingen die vereisen dat er meer onderscheid tussen de organisaties is. Tot slot heeft OTTO verklaard dat het niet de bedoeling is dat er door medewerkers van Labour Housing rapporten worden uitgebracht over de woonsituatie aan OTTO als werkgever. Naar het oordeel van de kantonrechter maken deze (recente) veranderingen en erkenningen het handelen van OTTO in het verleden en op dit moment vanzelfsprekend niet ongedaan en brengt dit geen verandering in de verplichtingen die zij heeft en had jegens [verzoeker].
4.38.
Het niet nakomen van de hiervoor onder 4.35 en 4.36 genoemde verplichtingen van OTTO met betrekking tot de inspecties hebben tot gevolg dat OTTO [verzoeker] niet heeft behoed voor de tekortkoming en het onrechtmatig handelen van Labour Housing. Dit handelen en de schendingen van het recht op ongestoord huurgenot en privacy komen daarmee mede voor rekening van OTTO als werkgever. Dit geldt des te meer nu [verzoeker] zich meermaals tot OTTO heeft gewend met klachten en bezwaren, OTTO dus op de hoogte was van de situatie en zij daar niets aan heeft gedaan. De kantonrechter oordeelt dat uit het voorgaande volgt dat OTTO daarmee ernstig verwijtbaar heeft gehandeld jegens [verzoeker].
De billijke vergoeding
4.39.
Nu [verzoeker] het handelen van OTTO dat onder 4.21 en 4.38 door de kantonrechter als ernstig verwijtbaar is aangemerkt, ook aan zijn verzoek tot ontbinding ten grondslag heeft gelegd, zal de kantonrechter op grond van artikel 7:671c lid 2 onder b BW een billijke vergoeding toekennen.
4.40.
Voor het vaststellen van de hoogte van de toe te kennen billijke vergoeding zijn in de rechtspraak uitgangspunten geformuleerd. [3] De kantonrechter moet bij het bepalen van de billijke vergoeding rekening houden met alle omstandigheden van het geval en die vergoeding moet daarbij aansluiten. Het gaat er uiteindelijk om dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever.
4.41.
Waar bij het bepalen van de hoogte van de billijke vergoeding bij ontbinding op verzoek van de werkgever die ernstig verwijtbaar heeft gehandeld alleen de aan het ontslag gerelateerde omstandigheden kunnen worden betrokken, geldt dat voor de ontbinding op verzoek van de werknemer op grond van artikel 7:671c BW niet. De Hoge Raad heeft beslist dat bij de beoordeling van een dergelijk verzoek alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking moeten worden genomen. [4]
4.42.
Zoals hiervoor is overwogen, heeft OTTO ernstig verwijtbaar gehandeld door zonder contact of overleg met [verzoeker] over te gaan tot het arbeidsgeschikt melden van [verzoeker] en door het niet nakomen van de verplichtingen die OTTO als werkgever op zich heeft genomen ten aanzien van de woonsituatie, alsmede door het schenden van haar zorgplicht. Daarmee is de aanleiding voor het ontbindingsverzoek van [verzoeker] (in ieder geval voor een groot deel) aan OTTO te wijten. Ook [verzoeker] heeft zich echter niet altijd constructief opgesteld. Hij heeft mondelinge gesprekken geweigerd en verlangd dat communicatie met OTTO (nota bene zijn werkgever) enkel nog schriftelijk dient plaats te vinden. [verzoeker] heeft hiermee niet verwijtbaar gehandeld, maar de kantonrechter neemt dit aspect wel mee bij het bepalen van de hoogte van de billijke vergoeding.
4.43.
De kantonrechter heeft geen reden om aan te nemen dat de arbeidsovereenkomst met OTTO in andere omstandigheden binnen korte tijd zou zijn geëindigd. Aan de andere kant is er geen reden om ervan uit te gaan dat [verzoeker] geen andere baan in een vergelijkbare functie en/of met een vergelijkbaar inkomen zal kunnen vinden. Zijn leeftijd is ook geen aanleiding om daarvan uit te gaan. Wat betreft die toekomstige baan heeft [verzoeker] ter zitting gezegd dat hij “wel opties op het oog heeft”. Afgezien daarvan heeft [verzoeker] niets gesteld over zijn toekomstige inkomen, eventuele inkomensschade of de gevolgen van de ontbinding voor hemzelf. [verzoeker] heeft wel gesteld dat hij psychische problemen heeft opgelopen door het handelen van OTTO, maar dat heeft OTTO betwist en [verzoeker] heeft dat niet nader onderbouwd. Gesteld noch gebleken is dat deze problemen aan het zoeken van een nieuwe baan in de weg zullen staan.
4.44.
Ten slotte overweegt de kantonrechter dat een billijke vergoeding voor een werkgever ook preventief moet werken. In dit geval vindt de kantonrechter dat ook een zwaarwegend aspect om mee te wegen bij de bepaling van de hoogte van de billijke vergoeding. Alle omstandigheden in aanmerking nemend, zal de kantonrechter OTTO veroordelen tot betaling van een billijke vergoeding van € 15.000,00 bruto.
Het verzoek om immateriële schadevergoeding
4.45.
Het verzoek tot betaling van een immateriële schadevergoeding van (in totaal) € 50.000,00 zal worden afgewezen. Op grond van artikel 6:106 BW Pro kan er recht op immateriële schadevergoeding bestaan indien de benadeelde ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. Van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ is in ieder geval sprake indien de benadeelde geestelijk letsel heeft opgelopen. Maar ook als het bestaan van geestelijk letsel niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde meebrengen dat van de in art. 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. [5] De inbreuk op het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer moet dan voldoende ernstig zijn. Het gaat om ernstige feiten die zonder meer als traumatisch kunnen worden bestempeld. Of daarvan sprake is, hangt af van de aard en ernst van de normschending, het daardoor getroffen belang en de ernst van de feitelijke gevolgen.
4.46.
[verzoeker] heeft gesteld dat hij last heeft psychische klachten door het handelen van verweerders. [verzoeker] heeft echter niet met een medische verklaring of andere stukken onderbouwd dat zijn klachten door het handelen van verweerders komen. Ook is naar het oordeel van de kantonrechter geen sprake van ernstige feiten die zonder meer als traumatisch kunnen worden bestempeld. [verzoeker] heeft onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld waaruit volgt dat verweerders een zodanig ernstige inbreuk op het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer hebben gemaakt dat sprake is van aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’.
Overige verzoeken in verband met de huisvesting
4.47.
De verzochte verklaring voor recht dat de ter beschikking gestelde huisvesting niet als drukmiddel mag worden gebruikt binnen de arbeidsrelatie en niet feitelijk of juridisch afhankelijk mag worden gesteld van de arbeidsovereenkomst, zal worden afgewezen.
Weliswaar heeft de kantonrechter hiervoor geoordeeld dat de inspecties deels onrechtmatig zijn verlopen en inbreuk hebben gemaakt op het ongestoord huurgenot en op de privacy van [verzoeker], maar dat betekent niet dat daarmee ook vast staat dat de huisvesting als drukmiddel is gebruikt in de arbeidsrelatie. [verzoeker] heeft het causaal verband tussen de huisvesting en de inspecties enerzijds en de werkrelatie en de klachten die hij soms uit anderzijds, onvoldoende onderbouwd. Het causaal verband daartussen wordt door verweerders ook uitdrukkelijk betwist. Dat de inspecties een reactie zijn op het uiten van zijn onvrede of het uiten van een klacht en daarmee worden gebruikt als drukmiddel heeft [verzoeker] dan ook onvoldoende onderbouwd.
4.48.
Het verzoek om terugbetaling van € 23.417,10 aan onrechtmatig ingehouden huisvestingskosten zal worden afgewezen. [verzoeker] heeft, gelet op het bestaan van een huurovereenkomst, onvoldoende onderbouwd waarom hij de kosten van huisvesting onterecht zou hebben betaald (althans waarom deze onterecht op zijn loon zouden zijn ingehouden).
4.49.
Ook het verzoek tot betaling van (materiële) schadevergoeding zal worden afgewezen. [verzoeker] heeft niet gesteld dat, en welke, schade hij heeft geleden door het handelen van verweerders.
De verzoeken om voorlopige voorzieningen
4.50.
De verzoeken om voorlopige voorzieningen moeten worden afgewezen. Op grond van artikel 223 Rv Pro kan een voorlopige voorziening alleen worden getroffen voor de duur van de procedure. Deze procedure is echter al geëindigd doordat in deze beschikking een beslissing wordt genomen op de verzoeken van [verzoeker].
De proceskosten
4.51.
Ten aanzien van Labour Housing en EE Accomodations wordt [verzoeker] in het ongelijk gesteld. [verzoeker] moet daarom de proceskosten van Labour Housing en
EE Accomodations betalen. Voor zover Labour Housing en EE Accomodations hebben bedoeld te verzoeken om een veroordeling in de integrale proceskosten, hebben zij dat verzoek niet in het petitum herhaald. Overigens zou er, ook indien er wel om een integrale proceskostenveroordeling zou zijn verzocht, geen aanleiding voor toewijzing zijn. Van misbruik van procesrecht is naar het oordeel van de kantonrechter namelijk geen sprake.
De proceskosten aan de zijde van Labour Housing en EE Accomodations worden begroot op € 576,67 (2/3e x tarief € 865,00) aan salaris gemachtigde.
4.52.
Ten opzichte van OTTO wordt [verzoeker] grotendeels in het gelijk gesteld. OTTO moet daarom de proceskosten van [verzoeker] betalen. Deze worden begroot op:
griffierecht € 93,00
reis, verblijf en verletkosten
€ 50,00
totaal € 143,00
4.53.
De wettelijke rente over de proceskosten zal worden toegewezen vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis.
4.54.
Wat betreft het verzoek om voorlopige voorziening wordt [verzoeker] in het ongelijk gesteld, maar enkel omdat de verzoeken om voorlopige voorziening niet eerder dan de hoofdzaak zijn behandeld. De proceskosten ten aanzien van de voorlopige voorziening zullen daarom tussen partijen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

5.De beslissing

De kantonrechter
op het verzoek
ten aanzien van OTTO
5.1.
ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen [verzoeker] en OTTO met ingang van 1 juli 2026;
5.2.
veroordeelt OTTO om aan [verzoeker] een billijke vergoeding te betalen van € 15.000,00;
5.3.
veroordeelt OTTO in de proceskosten van [verzoeker], begroot op € 143,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;
5.4.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.5.
wijst het meer of anders verzochte af;
ten aanzien van Labour Housing en EE Accomodations
5.6.
wijst de verzoeken van [verzoeker] af;
5.7.
veroordeelt [verzoeker] in de proceskosten van Labour Housing en EE Accomodations, begroot op € 576,67;
5.8.
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
op het verzoek om voorlopige voorziening
5.9.
wijst de verzoeken af;
5.10.
compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.W. Eshuis en in het openbaar uitgesproken op 21 mei 2026. (SB)

Voetnoten

1.Samenvatting opsomming door kantonrechter.
2.bijvoorbeeld op grond van artikel 7:629 jo Pro. 7:660a BW.
3.HR 30 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1187 (
4.HR 21 januari 2022, ECLI:NL:HR:2022:63.
5.HR 15 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:376 en HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793.