Partijen zijn in geschil over de hoogte van de servicekosten en kosten voor nutsvoorzieningen met individuele meter over het jaar 2023 voor een gehuurd appartement. De Huurcommissie had de kosten vastgesteld op €1.833,99, maar verhuurder [partij A] vordert een hogere vaststelling van €2.820,16. Huurders [partij B] vorderen in reconventie een verklaring dat zij slechts gehouden zijn tot betaling van wettelijke kostenposten en subsidiair de uitspraak van de Huurcommissie te volgen.
De kantonrechter oordeelt dat partijen gebonden zijn aan de vaststellingsovereenkomst uit 2022 en stelt de verdeelsleutel voor gemeenschappelijke kosten vast op 1/110, conform de splitsingsakte en VvE-verdeling. De kantonrechter gaat uit van de door verhuurder overgelegde en tijdig ingebrachte facturen en eindafrekeningen, die de Huurcommissie niet volledig heeft meegewogen.
De kantonrechter wijst een korting van 25% toe op de verwarmingskosten van gemeenschappelijke ruimtes vanwege niet-toegankelijke ruimten, maar volgt de huurders niet in hun betwisting van overige posten. De totale vastgestelde kosten voor nutsvoorzieningen en servicekosten bedragen €2.589,25. De vorderingen van de huurders in reconventie worden afgewezen. Proceskosten worden deels gecompenseerd en deels aan de huurders opgelegd.