5.1.Partijen hebben ter zitting ermee ingestemd dat de rechtbank het hbo-beoordelingskader als uitgangspunt neemt. De rechtbank zal het bestreden besluit dan ook zo lezen dat het niet toekennen van studiefinanciering gebaseerd is op artikel 2.14 van de Wsf 2000 en in samenhang bezien met het op 13 februari 2025 ingenomen aanvullende standpunt. Het bestreden besluit bevatte in zoverre geen volledige motivering. Nu deze motivering in de beroepsfase is aangevuld, is dit gebrek door de minister hersteld. Omdat aannemelijk is dat [eiser] hierdoor niet wordt benadeeld, zal het bestreden besluit met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) niet op deze grond worden vernietigd. Deze toepassing van artikel 6:22 van de Awb geeft de rechtbank in dit geval geen aanleiding om de minister te veroordelen in de proceskosten van [eiser] , omdat de noodzaak tot aanvulling van de motivering het gevolg is van een gewijzigd standpunt van [eiser] .
6. Artikel 2.14 (Buitenlandse opleidingen hoger onderwijs) van de Wsf 2000, voor zover hier relevant, luidt:
(…)
3 Van een opleiding in het hoger onderwijs buiten Nederland waarvoor studiefinanciering wordt toegekend is sprake indien:
in Nederland voor een vergelijkbaar soort opleiding studiefinanciering wordt verstrekt;
het niveau en de kwaliteit van de opleiding vergelijkbaar zijn met overeenkomstige opleidingen in de zin van de WHW;
het afsluitend examen voor de opleiding vergelijkbaar is met een afsluitend examen voor overeenkomstige opleidingen in de zin van de WHW; en
e opleiding voldoet aan criteria die bij ministeriële regeling kunnen worden vastgesteld.
4 Onze Minister stelt vast of een opleiding buiten Nederland voldoet aan de criteria, bedoeld in het derde lid. Onze Minister stelt voor de opleiding buiten Nederland de duur en de vorm van de studiefinanciering vast overeenkomstig de duur en de vorm waarin deze voor een vergelijkbare opleiding in Nederland wordt verstrekt.
(…).
Wordt voldaan aan de criteria uit artikel 2.14 van de Wsf 2000?
7. In een uitspraak van 25 november 2020heeft de Centrale Raad van Beroep (hierna: CRvB) overwogen dat volgens vaste rechtspraak artikel 2.14 van de Wsf 2000 zo moet worden uitgelegd dat slechts een aanspraak op studiefinanciering voor opleidingen buiten Nederland kan bestaan voor die opleidingen die in het desbetreffende buitenland behoren tot het hoger onderwijs. Dit betekent dat eerst, en alleen dan, wanneer de buitenlandse opleiding waarvoor studiefinanciering wordt aangevraagd onderdeel uitmaakt van het hoger onderwijs in dat land, aan de hand van de door de Nuffic opgestelde Algemene waarderingscriteria zal worden beoordeeld of de buitenlandse opleiding voldoet aan de criteria, gesteld in (het destijds geldende) artikel 2.14, tweede lid, onder a, van de Wsf 2000.