ECLI:NL:RBOVE:2026:293

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
20 januari 2026
Publicatiedatum
23 januari 2026
Zaaknummer
AK_24_3529
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Recht op studiefinanciering voor theologische opleiding in Duitsland

In deze zaak heeft eiser, die een theologische opleiding in Duitsland volgde, een aanvraag voor studiefinanciering ingediend. De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap heeft deze aanvraag afgewezen omdat de opleiding niet erkend is door de Akkreditierungsrat. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld, waarbij hij verschillende gronden aanvoert, waaronder vrijheid van godsdienst en ongelijke behandeling. De rechtbank heeft de zaak op 9 december 2025 behandeld. De rechtbank oordeelt dat de minister op goede gronden heeft besloten geen studiefinanciering toe te kennen, omdat de opleiding niet voldoet aan de criteria van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000). De rechtbank concludeert dat de weigering van de minister geen inbreuk maakt op de vrijheid van godsdienst van eiser en dat er geen sprake is van ongelijke behandeling ten opzichte van andere studenten. Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 24/3529

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser, hierna: [eiser]

gemachtigde: mr. dr. T. van Kooten
en
de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, verweerder, hierna: de minister
gemachtigde: mr. F. Fekkes

Samenvatting

[eiser] wenst studiefinanciering te ontvangen voor de periode dat hij een theologische opleiding in Duitsland heeft gevolgd. De minister heeft deze aanvraag om studiefinanciering afgewezen, omdat de betreffende opleiding in Duitsland niet erkend is door de Akkreditierungsrat. Volgens [eiser] heeft hij wel recht op studiefinanciering. Hij heeft hiertoe verschillende beroepsgronden aangevoerd. De rechtbank is van oordeel dat de minister op goede gronden geen studiefinanciering aan [eiser] heeft toegekend. Het beroep is ongegrond.

Inleiding

1. Bij besluit van 21 mei 2024 heeft de minister [eiser] geen recht op studiefinanciering toegekend voor zijn opleiding Pastoral Track aan de onderwijsinstelling [onderwijsinstelling] (hierna: [onderwijsinstelling]) in [plaats] in de Bondsrepubliek Duitsland.
1.1.
[eiser] heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van
23 augustus 2024 op het bezwaar van [eiser] is de minister bij de afwijzing gebleven.
1.2.
[eiser] heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 9 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiser] , vergezeld door zijn gemachtigde en [moeder] (de moeder van [eiser] ). Namens de minister is de gemachtigde verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

Aanleiding
2. [eiser] heeft op 22 april 2024 bij de minister een aanvraag ingediend om hem studiefinanciering toe te kennen. In het aanvraagformulier heeft [eiser] vermeld dat hij met ingang van 1 oktober 2024 de mbo-opleiding Pastoral gaat volgen aan de onderwijsinstelling [onderwijsinstelling] in [plaats] in Duitsland. Deze opleiding wordt ook wel als Pastoral Track aangeduid.
2.1.
De minister heeft de aanvraag om studiefinanciering in het primaire besluit van 21 mei 2024 afgewezen, omdat uit de aanwezige informatie niet blijkt dat er een door de Duitse overheid erkend diploma wordt behaald.
2.2.
Nadat [eiser] bezwaar heeft gemaakt, heeft de minister op 23 juli 2024 advies gevraagd aan de Samenwerkingsorganisatie Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (hierna: SBB).
2.3.
Met inachtneming van het advies van de SBB heeft de minister in het bestreden besluit van 23 augustus 2024 het bezwaar van [eiser] ongegrond verklaard. Volgens de SBB voldoet de opleiding niet aan het criterium 'erkende opleiding', onder meer omdat de opleiding niet is erkend door de daarvoor bevoegde instantie.
2.4.
Op 26 augustus 2024 is [eiser] met de opleiding Pastoral Track aan de [onderwijsinstelling] begonnen.
2.5.
[eiser] heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Tijdens de beroepsprocedure heeft [eiser] het standpunt ingenomen dat de [onderwijsinstelling] gelijk te stellen is met een hbo-instelling en dat de opleiding Pastoral Track als hbo-opleiding aangemerkt zou moeten worden.
2.6.
Naar aanleiding van dit standpunt heeft de minister advies gevraagd aan de Nuffic. Op 23 januari 2025 heeft de Nuffic advies aan de minister uitgebracht. Volgens de Nuffic is de instelling [onderwijsinstelling] niet erkend en leidt de opleiding niet tot een nationaal erkend diploma, nu de Akkreditierungsrat geen accreditatie heeft verleend.
2.7.
Met inachtneming van het beoordelingskader voor hbo-opleidingen en op basis van het advies van de Nuffic is de minister (nog steeds) van mening dat de grondslag ontbreekt om studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (hierna: Wsf 2000) aan [eiser] toe te kennen.
Standpunt van de minister
3. Er zijn twee routes voor studiefinanciering in het buitenland. Voor een mbo-opleiding is het kader neergelegd in artikel 2.13a van de Wsf 2000 en voor een hbo-opleiding is dit neergelegd in artikel 2.14 van de Wsf 2000. Bij hbo-opleidingen geldt volgens de minister dat slechts aanspraak op studiefinanciering kan bestaan voor opleidingen die in het desbetreffende land tot het hoger onderwijs behoren. Bij de beoordeling van de opleiding is in beide gevallen een tweeledige toets aan de orde: een accreditatietoets en een vergelijkbaarheidstoets. De Nuffic heeft in het advies van 23 januari 2025 een analyse gemaakt van de status van de [onderwijsinstelling] binnen het Duitse onderwijsstelsel. Daarbij is vastgesteld dat in Duitsland de Akkreditierungsrat de enige instantie is die accreditaties mag verlenen voor hoger onderwijs.
Overwegingen
Actuele situatie
4. Ter zitting is duidelijk geworden dat [eiser] na een jaar is gestopt met de studie Pastoral Track aan de [onderwijsinstelling] in Duitsland en dat hij nu in Nederland de studie Social Work doet. [eiser] ontvangt inmiddels studiefinanciering.
Mbo of hbo?
5. In het bestreden besluit heeft de minister het beoordelingskader voor studiefinanciering voor een mbo-opleiding gehanteerd. Gelet op wat [eiser] zelf bij de aanvraag heeft aangegeven, ligt dat ook voor de hand. Pas in de beroepsfase is naar voren gekomen dat de door [eiser] gevolgde opleiding als hbo-opleiding aangemerkt zou moeten worden. Daarop heeft de minister de aanvraag van [eiser] ook nog beoordeeld aan de hand van het beoordelingskader voor een hbo-opleiding. Het standpunt hierover is neergelegd in een brief van 13 februari 2025.
5.1.
Partijen hebben ter zitting ermee ingestemd dat de rechtbank het hbo-beoordelingskader als uitgangspunt neemt. De rechtbank zal het bestreden besluit dan ook zo lezen dat het niet toekennen van studiefinanciering gebaseerd is op artikel 2.14 van de Wsf 2000 en in samenhang bezien met het op 13 februari 2025 ingenomen aanvullende standpunt. Het bestreden besluit bevatte in zoverre geen volledige motivering. Nu deze motivering in de beroepsfase is aangevuld, is dit gebrek door de minister hersteld. Omdat aannemelijk is dat [eiser] hierdoor niet wordt benadeeld, zal het bestreden besluit met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) niet op deze grond worden vernietigd. Deze toepassing van artikel 6:22 van de Awb geeft de rechtbank in dit geval geen aanleiding om de minister te veroordelen in de proceskosten van [eiser] , omdat de noodzaak tot aanvulling van de motivering het gevolg is van een gewijzigd standpunt van [eiser] .
Wettelijk kader
6. Artikel 2.14 (Buitenlandse opleidingen hoger onderwijs) van de Wsf 2000, voor zover hier relevant, luidt:
(…)
3 Van een opleiding in het hoger onderwijs buiten Nederland waarvoor studiefinanciering wordt toegekend is sprake indien:
in Nederland voor een vergelijkbaar soort opleiding studiefinanciering wordt verstrekt;
het niveau en de kwaliteit van de opleiding vergelijkbaar zijn met overeenkomstige opleidingen in de zin van de WHW;
het afsluitend examen voor de opleiding vergelijkbaar is met een afsluitend examen voor overeenkomstige opleidingen in de zin van de WHW; en
e opleiding voldoet aan criteria die bij ministeriële regeling kunnen worden vastgesteld.
4 Onze Minister stelt vast of een opleiding buiten Nederland voldoet aan de criteria, bedoeld in het derde lid. Onze Minister stelt voor de opleiding buiten Nederland de duur en de vorm van de studiefinanciering vast overeenkomstig de duur en de vorm waarin deze voor een vergelijkbare opleiding in Nederland wordt verstrekt.
(…).
Wordt voldaan aan de criteria uit artikel 2.14 van de Wsf 2000?
7. In een uitspraak van 25 november 2020 [1] heeft de Centrale Raad van Beroep (hierna: CRvB) overwogen dat volgens vaste rechtspraak artikel 2.14 van de Wsf 2000 zo moet worden uitgelegd dat slechts een aanspraak op studiefinanciering voor opleidingen buiten Nederland kan bestaan voor die opleidingen die in het desbetreffende buitenland behoren tot het hoger onderwijs. Dit betekent dat eerst, en alleen dan, wanneer de buitenlandse opleiding waarvoor studiefinanciering wordt aangevraagd onderdeel uitmaakt van het hoger onderwijs in dat land, aan de hand van de door de Nuffic opgestelde Algemene waarderingscriteria zal worden beoordeeld of de buitenlandse opleiding voldoet aan de criteria, gesteld in (het destijds geldende) artikel 2.14, tweede lid, onder a, van de Wsf 2000.
7.1.
De rechtbank leidt hieruit af dat allereerst moet worden bezien of de opleiding Pastoral Track aan de [onderwijsinstelling] tot het hoger onderwijs behoort. Pas als dat het geval is, komt de inhoudelijke beoordeling en vergelijkbaarheid met een Nederlandse opleiding in beeld.
7.2.
De Nuffic heeft in het advies van 23 januari 2025 beschreven dat in Duitsland de enige instantie die accreditaties mag verlenen de Akkreditierungsrat is. Deze instantie beheert een openbare database met alle erkende Master- en Bacheloropleidingen. Daarnaast zijn alle Diplom-opleidingen in Duitsland erkend, zolang ze worden aangeboden door een erkende instelling. Erkende instellingen staan zowel vermeld in de database van de Akkreditierungsrat als in het Hochschulkompass-register. De Nuffic heeft vastgesteld dat de [onderwijsinstelling] niet voorkomt op de websites van de Akkreditierungsrat en het Hochschulkompass-register. In het advies heeft de Nuffic geconcludeerd dat de [onderwijsinstelling] een niet-erkende/geaccrediteerde instelling is en dat de opleiding Pastoral Track geen nationaal erkend diploma oplevert.
7.3.
De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of de minister op basis van het ontbreken van een erkenning door de Akkreditierungsrat heeft mogen concluderen dat de opleiding Pastoral Track aan de [onderwijsinstelling] in Duitsland niet tot het hoger onderwijs behoort. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend en kent hierbij veel gewicht toe aan het advies van de Nuffic. De Nuffic wordt bij uitstek geacht deskundig te zijn in het beoordelen van buitenlandse opleidingen op het terrein van het hoger onderwijs en heeft geconcludeerd dat de [onderwijsinstelling] een niet-erkende/geaccrediteerde instelling is en de opleiding geen nationaal erkend diploma oplevert. Ter zitting heeft de minister hierbij toegelicht dat de opleiding tot het hoger onderwijs moet behoren en dus erkend moet zijn als hoger onderwijs opleiding.
Gelet op deze toelichting en de door de Nuffic verstrekte informatie staat voor de rechtbank genoegzaam vast dat de door [eiser] gevolgde opleiding aan de [onderwijsinstelling] niet behoort tot het hoger onderwijs in Duitsland. De door [eiser] overgelegde erkenning van het Ministerium für Kultus, Jugend und Sport in Baden-Württemberg, maakt dit niet anders nu deze erkenning enkel gericht is op de mogelijkheid tot het verkrijgen van Duitse studiefinanciering. De stelling van [eiser] dat de minister het European Qualifications Framework (hierna: EQF) als leidraad had moeten nemen bij de beoordeling, volgt de rechtbank evenmin. Het EQF-niveau van een opleiding is namelijk niet doorslaggevend voor de vraag of een opleiding tot het hoger onderwijs behoort. [2] Zoals ook door de minister is aangegeven, is het EQF een vergelijkingsinstrument dat de transparantie tussen verschillende onderwijssystemen bevordert, maar doet dit niet af aan de nationale classificatie van opleidingen. Ook de samenwerking met de Lee University in de Verenigde Staten bij de opleiding Pastoral Track is naar het oordeel van de rechtbank niet doorslaggevend voor de vraag of een opleiding tot het hoger onderwijs behoort. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich op het standpunt mogen stellen dat niet voldaan wordt aan de criteria uit artikel 2.14 van de Wsf 2000.
Hardheidsclausule
8. [eiser] heeft zich op het standpunt gesteld dat de minister de hardheidsclausule had moeten toepassen en heeft hierbij gewezen op het feit dat het om een ambtsopleiding voor een geestelijke gaat. Ook heeft hij in dit kader gewezen op de uniciteit van de opleiding.
8.1.
Naar het oordeel van de rechtbank is hier geen sprake van een onbillijkheid van overwegende aard. Zoals ook volgt uit de eerdergenoemde uitspraak van de CRvB van 25 november 2020 heeft de wetgever de uitdrukkelijke bedoeling gehad de toepassing van artikel 2.14 van de Wsf 2000 te beperken tot opleidingen die in het land waar zo’n opleiding wordt gevolgd tot het hoger onderwijs behoren. De minister heeft daarom geen aanleiding hoeven zien om aan [eiser] met toepassing van de hardheidsclausule studiefinanciering toe te kennen.
Vrijheid van godsdienst
9. [eiser] heeft zich op het standpunt gesteld dat de weigering van de minister om hem studiefinanciering te verstrekken voor de opleiding Pastoral Track inbreuk maakt op zijn recht op vrijheid van godsdienst.
9.1.
In een democratische samenleving, waarin bevolkingsgroepen verschillende godsdiensten aanhangen, moet de vrijheid om godsdienst of levensovertuiging tot uiting te brengen in overeenstemming worden gebracht met de beperkingen die passend zijn om de belangen van verschillende groepen met elkaar te verenigen en te garanderen dat de overtuiging van een ieder wordt gerespecteerd. Dit volgt uit artikel 9, tweede lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM), in samenhang bezien met de positieve verplichtingen van de Staat die voortvloeien uit artikel 1 van het EVRM om de rechten en vrijheden te erkennen van een ieder die onder zijn rechtsmacht valt. Dit vloeit voort uit rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM). De rechtbank verwijst in dit kader naar de uitspraak van 13 juni 2023 van de CRvB. [3]
9.2.
Uitgangspunt in de rechtspraak van het EHRM is dat de toepassing van algemene wettelijke regels die neutraal zijn geformuleerd en geen enkel verband leggen met de persoonlijke geloofs- of levensovertuiging van de betrokkene, in beginsel niet kunnen worden beschouwd als een inbreuk op zijn of haar rechten op grond van artikel 9 van het EVRM. [4]
9.3.
Naar het oordeel van de rechtbank wordt [eiser] door het bestreden besluit niet beperkt in de uitoefening van zijn recht op vrijheid van godsdienst. De weigering om [eiser] studiefinanciering toe te kennen is gebaseerd op artikel 2.14 van de Wsf 2000. Deze wettelijke bepaling en de rechtspraak hierover zijn neutraal geformuleerd en leggen geen verband met enige persoonlijke, godsdienstige of levensovertuiging. Om deze reden vormt de weigering van de minister om studiefinanciering aan [eiser] toe te kennen in beginsel geen inbreuk op zijn rechten op grond van artikel 9 van het EVRM. Er is geen reden om specifiek voor de situatie van [eiser] anders te oordelen. [eiser] is vrij in zijn keuze om de opleiding Pastoral Track in Duitsland te volgen en heeft dit ook kunnen doen. Dit betekent echter niet dat op de Nederlandse Staat een positieve verplichting rust om studiefinanciering toe te kennen in verband met het volgen van deze opleiding. Het beroep van [eiser] op de vrijheid van godsdienst slaagt daarom niet.
Ongelijke behandeling?
10. [eiser] heeft betoogd dat hij, door de weigering om hem studiefinanciering te verstrekken voor de opleiding Pastoral Track, achtergesteld wordt bij andere studenten die een opleiding volgen voor een kerkelijke ambtsopleiding en hiervoor wel studiefinanciering ontvangen.
10.1.
De rechtbank begrijpt dit betoog zo dat [eiser] zijn situatie – hij deed een theologische opleiding in Duitsland die niet erkend is door de Akkreditierungsrat – vergelijkt met die van Nederlandse studenten die een wel erkende theologische opleiding in Duitsland volgen en wel studiefinanciering ontvangen. Volgens [eiser] is hiermee sprake van ongerechtvaardigde ongelijke behandeling.
10.2.
Studiefinanciering valt binnen het toepassingsbereik van artikel 2 van het Eerste Protocol bij het EVRM, waardoor getoetst kan worden aan het accessoire discriminatieverbod neergelegd in artikel 14 van het EVRM. Daarnaast kan worden getoetst aan artikel 1 van het Twaalfde Protocol bij het EVRM. Beide artikelen verbieden niet iedere ongelijke behandeling van gelijke gevallen maar alleen die als discriminatie moet worden beschouwd. Hiervan is sprake indien een objectieve en redelijke rechtvaardiging voor die ongelijke behandeling ontbreekt. [5]
10.3.
Aan verdragspartijen bij het EVRM komt op het gebied van de sociale zekerheid en sociaal beleid in het algemeen een ruime beoordelingsvrijheid toe bij het beantwoorden van de vraag of gevallen als gelijk moeten worden beschouwd, en, als dat zo is, of een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat om die gevallen toch in verschillende zin te regelen.
10.4.
De rechtbank is van oordeel dat de gevallen waar [eiser] zich mee vergelijkt geen vergelijkbare gevallen zijn. Het aanwezig zijn van een erkenning door de Akkreditierungsrat van een opleiding maakt dat hiervan geen sprake is. Daarom slaagt deze beroepsgrond niet. Voor zover de beroepsgrond zo moet worden begrepen dat sprake is van ongerechtvaardigd onderscheid tussen Nederlandse studenten van Duitse interne kerkelijke opleidingen en Nederlandse studenten van andere Duitse (al dan niet theologische) opleidingen, omdat gelet op het Duitse recht geen overheidserkenning mogelijk is voor interne kerkelijke opleidingen zoals de Pastoral Track, overweegt de rechtbank dat [eiser] die beroepsgrond onvoldoende heeft onderbouwd.
Vrij verkeer van personen
11. [eiser] heeft zich op het standpunt gesteld dat de Wsf 2000 hem belemmert in zijn rechten op vrij verkeer van personen en heeft hierbij gewezen op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 23 oktober 2007, zaken C-11/06 en C-12/06.
12. Zoals ook door de CRvB is overwogen in de uitspraak van 20 juni 2008 [6] , is in het door [eiser] aangehaalde arrest - kort samengevat - geoordeeld dat in het geval studiefinanciering wordt verleend voor opleidingen in een andere lidstaat, ervoor moet worden zorg gedragen dat de modaliteiten waaronder wordt toegekend er niet toe leiden dat studenten worden ontmoedigd om gebruik te maken van dat recht. Van een situatie als in dit arrest bedoeld is geen sprake nu voor de opleiding die [eiser] heeft gevolgd geen studiefinanciering is verstrekt. Ter zitting heeft [eiser] weliswaar gewezen op de zich verder ontwikkelde regelgeving en de Wet NLQF [7] , maar dit maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat de uitspraak van de CRvB van 20 juni 2008 hier niet langer gevolgd zou moeten worden.

Conclusie en gevolgen

13. Het voorgaande betekent dat het beroep niet slaagt en het bestreden besluit in stand blijft. Voor het stellen van prejudiciële vragen ziet de rechtbank geen aanleiding.
13.1.
Het beroep is ongegrond. [eiser] krijgt daarom het griffierecht niet terug en krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.T. de Kwaasteniet, voorzitter, mr. M. Eikelenboom en mr. R.J. Ouderdorp, leden, in aanwezigheid van mr. H. Richart, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hoger beroepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

2.Zie de uitspraak van 25 november 2020 van CRvB, ECLI:NL:CRVB:2020:2973, rechtsoverweging 4.4.
4.Zie de beslissing van het EHRM van 3 december 2009, ECLI:CE:ECHR:2009:1203DEC004001004, Skugar e.a. tegen Rusland.
5.De rechtbank verwijst naar de uitspraak van 16 september 2025 van de CRvB, ECLI:NL:CRVB:2025:1353.
7.Vaststelling van regels voor het Nederlands kwalificatieraamwerk voor een leven lang leren