AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing beroep tegen besluit handhaving bestemmingsplan en hoorplicht
Eisers verzochten het college van burgemeester en wethouders van Deventer om handhavend op te treden tegen vermeende overtredingen rondom een adres, waaronder het plaatsen van rijwielen op grasstroken, het commerciële gebruik van gymzalen, en strijdig gebruik van de openbare weg. Het college voerde controles uit en wees het verzoek af, waarop eisers bezwaar maakten en vervolgens beroep instelden bij de rechtbank.
De rechtbank oordeelde dat het college terecht het verzoek om handhaving had afgewezen. De controles toonden geen overtredingen aan, en het college had de hoorplicht in bezwaar niet geschonden omdat eisers niet tijdig hadden aangegeven gebruik te willen maken van het recht op een hoorzitting. Daarnaast was het advies van de Algemene bezwaarschriftencommissie over het bestemmingsplan en het gebruik van de gymzalen voldoende gemotiveerd.
Eisers verzochten ook om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank stelde vast dat de overschrijding gerechtvaardigd was door het procesgedrag van eisers, die meerdere keren uitstel vroegen en pas kort voor de zitting aangaven niet te zullen verschijnen. Daarom wees de rechtbank het verzoek om schadevergoeding af en verklaarde het beroep ongegrond.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit tot afwijzing van het handhavingsverzoek wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt afgewezen.
Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 24/3137
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eisers],wonende te [woonplaats],
hierna gezamenlijk te noemen: [eisers]
(gemachtigde: mr. V.W.J.H. Kobossen),
en
het college van burgemeester en wethouders van Deventer
hierna: het college
(gemachtigde: ing. [gemachtigde]).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van het college van het verzoek om handhaving van [eisers] vanwege gestelde overtredingen rondom de [adres 1]. [eisers] zijn het niet eens met de afwijzing. Zij menen dat het college ten aanzien van meerdere klachten ten onrechte niet handhavend heeft opgetreden, geen controles heeft uitgevoerd en in bezwaar de hoorplicht heeft geschonden.
2. De rechtbank oordeelt dat het college terecht het verzoek om handhaving heeft afgewezen en dat het college de hoorplicht in bezwaar niet heeft geschonden. [eisers] krijgen dus geen gelijk en het beroep is daarmee ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
3. [eisers] hebben op 21 maart 2024 het college verzocht om handhavend op te treden tegen de volgende overtredingen: (1) plaatsing van rijwielen op de grasstroken in de [adres 1], (2) het gebruik van de gymzalen van [adres 2] voor niet-maatschappelijke doeleinden, (3) plaatsing van een zitje in openbaar gebied, (4) het aanbrengen van lichtbakken aan de school en (5) strijdig gebruik en strijdige bebouwing op de openbare weg met bestemming ‘Verkeer’.
4. Op 2 april 2024 en 8 april 2024 hebben toezichthouders controles uitgevoerd aan de [adres 1]. Bij besluit van 16 april 2024 heeft het college het verzoek om handhaving afgewezen.
5. Bij besluit van 11 juli 2024 (het bestreden besluit) heeft het college het door [eisers] ingediende bezwaar tegen het besluit van 16 april 2024 ongegrond verklaard en de afwijzing van het verzoek om handhaving in stand gelaten.
6. [eisers] hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
7. Partijen hebben de rechtbank laten weten dat zij een zitting niet nodig vinden en hebben de rechtbank verzocht om uitspraak te doen zonder een zitting. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting. [1]
Beoordeling door de rechtbank
8. [eisers] voeren in hun beroepschrift en de aanvullingen daarop meerdere beroepsgronden aan. De rechtbank zal de gronden hierna puntsgewijs bespreken.
Rijwielen op grasstroken
9. [eisers] stellen zich op het standpunt dat het college ten onrechte geen controles heeft uitgevoerd ten aanzien van de klacht dat er rijwielen worden geplaatst op de grasstroken.
10. De rechtbank overweegt dat uit het dossier blijkt dat het college naar aanleiding van het handhavingsverzoek van [eisers] controles heeft laten uitvoeren op 2 en 8 april 2024. Bij deze controles zijn geen fietsen aangetroffen op de groenstrook. Ook bij later uitgevoerde controles op 6 juni, 11 juni en 12 juni 2024 zijn er geen fietsen aangetroffen op de groenstrook. De foto die [eisers] in beroep hebben overgelegd waarop fietsen te zien zijn die op de groenstrook voor de school staan (met onderschrift: beeld elke dag) is ongedateerd en bovendien pas door [eisers] in het geding gebracht in beroep. In de controlerapporten van de eerder genoemde controles zijn door de controleur ook foto’s genomen en daarop is te zien dat er geen fietsen zijn gestald op de groenstrook. Het college mag in beginsel uitgaan van de juistheid van de opgestelde processen-verbaal van bevindingen. [eisers] bestrijden de inhoud van de controlerapporten ook niet. Gelet hierop heeft het college kunnen menen dat er geen sprake was van overtreding door het plaatsen van rijwielen op de groenstrook en slaagt de klacht dat er ten onrechte geen controles zouden zijn uitgevoerd, niet.
11. De beroepsgrond slaagt niet.
Het zitje en de lichtbakken
12. [eisers] voeren daarnaast aan dat het college handhavend had moeten optreden tegen het zitje en de lichtbakken. Dat deze zijn verwijderd betekent namelijk niet dat er geen last onder dwangsom opgelegd had kunnen worden.
13. Vaststaat dat naar aanleiding van het verzoek van [eisers] om handhaving het zitje dat bij de school was geplaatst is verwijderd en dat de verlichting van de lichtbakken ’s avonds wordt uitgezet. [eisers] erkennen ook dat dit is gebeurd. Dit blijkt uit een door hen aan het college gerichte mail van 9 april 2024. Nu het college ten aanzien van het zitje en de lichtbakken geen overtreding heeft geconstateerd en [eisers] hebben erkend dat aan de klachten ten aanzien van deze punten is tegemoetgekomen, was het college naar het oordeel van de rechtbank niet gehouden om handhavend op te treden tegen deze klachten.
14. De beroepsgrond slaagt hierom niet.
Commerciële verhuur
15. [eisers] stellen zich op het standpunt dat de gymzalen van [adres 2] worden verhuurd aan partijen voor commerciële (niet-maatschappelijke) doeleinden. Dit is in strijd met het bestemmingsplan. Het college heeft hier ten onrechte niet handhavend tegen opgetreden.
16. In het advies van de Algemene bezwaarschriftencommissie wordt ingegaan op de bezwaargrond van [eisers] dat de gymzalen zouden worden gebruikt voor commerciële doeleinden. In het advies wordt geconcludeerd dat de sporthallen worden verhuurd aan sportverenigingen en een musicalvereniging. Het gebruik van de sporthal door deze verenigingen is in overeenstemming met de bestemmingen ‘Sport’ en ‘Maatschappelijk’ van het ter plaatse geldende bestemmingsplan ‘Chw Marke Zuid’, onderdeel van het tijdelijke omgevingsplan van de gemeente Deventer. Het college heeft het advies van de commissie overgenomen en als motivering ten grondslag gelegd aan het bestreden besluit. [eisers] hebben in beroep enkel hun bezwaargrond en stelling herhaald dat er wel sprake is van commerciële verhuur, maar hebben nagelaten om te onderbouwen waarom de motivering van het college op dit punt tekortschiet. Evenmin hebben zij anderszins aangetoond dat er toch sprake zou zijn van strijdig gebruik van de sporthal, gelet op het bestemmingsplan ‘Chw Marke Zuid’.
17. De beroepsgrond slaagt niet.
Strijdig gebruik openbare weg
18. [eisers] stellen zich ook op het standpunt dat het college ten onrechte niet handhavend heeft opgetreden tegen het strijdige gebruik van de openbare weg, zoals dat in het bestemmingsplan is vastgelegd.
19. De rechtbank overweegt ten aanzien van deze beroepsgrond dat [eisers] opnieuw nalaten te onderbouwen waarom het advies van de Algemene bezwaarschriftencommissie en daarmee de motivering van het college in reactie op de identieke bezwaargrond van [eisers] tekortschiet. De enkele stelling dat er wél sprake is van strijdig gebruik van de openbare weg is onvoldoende. Ook overigens ziet de rechtbank geen aanleiding voor de conclusie dat er ten aanzien van de aanwezige hekwerken of tijdelijke bouwcontainer een strijdigheid bestaat met het bestemmingsplan ‘Chw Marke Zuid’.
20. De beroepsgrond slaagt niet.
Het advies van de Algemene bezwaarschriftencommissie
21. [eisers] voeren daarnaast aan dat het advies van de Algemene bezwaarschriftencommissie onjuist is. Ook hebben zij geen compleet dossier ontvangen in de bezwaarfase.
22. De rechtbank overweegt dat [eisers] deze stelling niet verder hebben onderbouwd. Gelet op de overige beroepsgronden en hetgeen de rechtbank daarover heeft opgemerkt, ziet de rechtbank geen aanleiding voor de conclusie dat het advies van de Algemene bezwaarschriften, en daarmee de motivering van het college van het bestreden besluit, tekortschiet. Uit de dossierstukken blijkt verder dat [eisers] in de bezwaarfase wel degelijk beschikten over het volledige dossier.
23. De beroepsgrond slaagt gelet op het bovenstaande niet.
De hoorplicht
24. Tot slot stellen [eisers] zich op het standpunt dat het college de hoorplicht van artikel 7:2 vanPro de Awb heeft geschonden.
25. De rechtbank overweegt als volgt. Volgens artikel 7:2 vanPro de Awb stelt een bestuursorgaan dat op een bezwaar beslist, belanghebbenden in de gelegenheid om te worden gehoord. Volgens artikel 7:3 vanPro de Awb kan van het horen worden afgezien onder bepaalde omstandigheden, bijvoorbeeld als de belanghebbende niet binnen een door het bestuursorgaan gestelde redelijke termijn verklaart dat hij gebruik wil maken van het recht om te worden gehoord (sub d). [eisers] hebben in hun bezwaarschrift(en) niet verzocht om te worden gehoord. De Algemene Bezwarencommissie heeft [eisers] op 30 mei 2024 telefonisch en per mail verzocht om aan te geven of zij voor de behandeling van hun bezwaar beschikbaar zijn voor een hoorzitting op 3 juli 2024. Hierop is niet gereageerd door [eisers] Op 14 juni 2024 zijn [eisers] vervolgens uitgenodigd voor een hoorzitting op 3 juli 2024. Hierop hebben de gemachtigden van [eisers] per mails van 17 juni 2024 en 18 juni 2024 aangegeven verhinderd te zijn. Zij hebben daarbij verzocht om een nieuwe datum voor de hoorzitting. Dit is door de Algemene Bezwarencommissie geweigerd, omdat [eisers] niet tijdig hebben gereageerd.
26. Gelet op het geschetste verloop van omstandigheden hebben [eisers] naar het oordeel van de rechtbank niet binnen een redelijke termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht om te worden gehoord. Het had op de weg van [eisers] gelegen om direct na 30 mei 2024 aan te geven dat zij op 3 juli 2024 verhinderd waren, aanwezig wilden zijn op de hoorzitting en daarom een nieuwe zittingsdatum wilden. Nu [eisers] pas na de derde keer dat zij zijn gewezen op de hoorzitting van 3 juli 2024 en slechts twee weken voor het plaatsvinden van die hoorzitting hebben aangegeven niet beschikbaar te zijn op de betreffende datum, oordeelt de rechtbank dat het college de hoorplicht van artikel 7:2 vanPro de Awb niet heeft geschonden.
27. De beroepsgrond slaagt niet.
Overschrijding redelijke termijn
28. [eisers] hebben bij e-mail van 6 mei 2026, dus na sluiting van het onderzoek, de rechtbank verzocht om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
29. In beginsel is de rechtbank niet gehouden om te toetsen of de redelijke termijn bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is overschreden wanneer in beroep niet over de duur van de procedure wordt geklaagd. Dat is slechts anders indien ten tijde van het sluiten van het onderzoek geen sprake was van een overschrijding van de redelijke termijn en deze, uitgaande van de in artikel 8:66 vanPro de Awb neergelegde termijn voor het doen van een schriftelijke uitspraak, ook niet te voorzien was en de uitspraak in een dergelijk geval desondanks gedaan wordt met overschrijding van die termijn. [2] Dit laatste geval doet zich voor. Het college heeft het bezwaarschrift van [eisers] op 7 mei 2024 ontvangen. De rechtbank heeft het onderzoek op 11 maart 2026 gesloten. Op dat moment was de redelijke termijn van twee jaar nog niet overschreden en nog niet voorzienbaar dat de termijn overschreden zou worden. Omdat de uitspraak van de rechtbank helaas langer op zich heeft laten wachten, zal de rechtbank het verzoek hierna alsnog inhoudelijk behandelen.
30. Volgens vaste rechtspraak is de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6 vanPro het EVRM, overschreden als de duur van de totale procedure te lang is. De termijn vangt aan op het moment van ontvangst van het bezwaarschrift. De termijn eindigt op het moment waarop de rechter die beslist op het verzoek om schadevergoeding, uitspraak doet over het geschil dat de belanghebbenden en het bestuursorgaan verdeeld houdt. De redelijke termijn is voor een procedure in één rechterlijke instantie in beginsel niet overschreden, als die procedure in haar geheel niet langer dan twee jaar heeft geduurd. [3] Bij toepassing van de genoemde termijn geldt dat de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld en het processuele gedrag van de belanghebbende gedurende de gehele procesgang onder omstandigheden aanleiding kunnen geven overschrijding van de als uitgangspunt gehanteerde termijnen gerechtvaardigd te achten. [4]
31. Hoewel de redelijke termijn van twee jaar op 7 mei 2026 is overschreden, acht de rechtbank de overschrijding gerechtvaardigd gelet op het processuele gedrag van (de gemachtigden) van [eisers] De rechtbank heeft namelijk meerdere malen een zitting geprobeerd te plannen met partijen, maar meerdere malen hebben (de gemachtigden) van [eisers] om uitstel verzocht wegens andere verplichtingen. Zo heeft de rechtbank getracht de zitting plaats te laten vinden voor het eerst op 13 juni 2025 en vervolgens op 4 november 2025, 9 december 2025 en 23 december 2025 voor de definitieve zittingsdatum van 12 maart 2026 is gepland. [eisers] hebben slechts enkele dagen voor de uiteindelijke zitting op 12 maart 2026 te kennen gegeven niet te zullen verschijnen ter zitting omdat zij geen behoefte hadden hun beroep nader toe te lichten. Indien ze dat ten aanzien van de eerste geplande zittingsdatum van 13 juni 2025 hadden gedaan, had de zaak toen direct inhoudelijk behandeld kunnen worden. De door [eisers] opgelopen vertraging dient daarom voor rekening van hen zelf te blijven.
32. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het verzoek om schadevergoeding afwijzen.
Conclusie en gevolgen
33. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het college terecht het handhavingsverzoek heeft afgewezen. [eisers] krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.
Beslissing
De rechtbank
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Rozeboom, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.P. Fortuin, griffier, uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Voetnoten
1.Artikel 8:57 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 21 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3350.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 29 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:188.