Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2026:3069

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
3 juni 2026
Publicatiedatum
3 juni 2026
Zaaknummer
ak_24_3138_3139_en_3200
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4.3 Invoeringswet OmgevingswetArt. 3.9 WaboArt. 7:2 AwbArt. 7:3 AwbArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen omgevingsvergunning sporthal en afwijzing schadevergoeding redelijke termijn

Het college van burgemeester en wethouders van Deventer verleende op 17 april 2024 een omgevingsvergunning voor het bouwen van een sporthal. [Eisers] maakten bezwaar en stelden dat de vergunning in strijd was met het bestemmingsplan, dat er ten onrechte geen stikstofberekening was gemaakt, en dat het college het fair play-beginsel en de hoorplicht had geschonden.

De rechtbank oordeelde dat de vergunning terecht was verleend en dat het college niet in strijd had gehandeld met het fair play-beginsel of de hoorplicht. De rechtbank vond dat de stikstofberekening wel was uitgevoerd en dat de bezwaren onvoldoende concreet waren onderbouwd.

Daarnaast verzocht [eisers] om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank stelde vast dat de overschrijding gerechtvaardigd was door het procesgedrag van [eisers], die meerdere keren uitstel vroegen en pas kort voor de zitting aangaven niet te zullen verschijnen.

De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond, wees de schadevergoeding af en bepaalde dat [eisers] het griffierecht niet terugkrijgen en geen proceskostenvergoeding ontvangen.

Uitkomst: Het beroep tegen de omgevingsvergunning wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Bestuursrecht
zaaknummers: ZWO 24/3138, 24/3139 en 24/3200

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen

[eisers],
wonende te [woonplaats],
hierna te noemen: [eisers]
(gemachtigden: mr. V.W.J.H. Kobossen en mr. F.J.M. Kobossen),
en

het college van burgemeester en wethouders van Deventer,

hierna: het college
(gemachtigde: ing. [gemachtigde]).
Als derde-partij neemt aan de zaken deel: Gemeente Deventer (de vergunninghouder).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de door het college verleende omgevingsvergunning van 17 april 2024 voor het bouwen van een sporthal aan de [adres]. [eisers] zijn het niet eens met deze omgevingsvergunning. Zij menen dat de omgevingsvergunning is verleend in strijd met het bestemmingsplan, dat er ten onrechte geen stikstofberekening is uitgevoerd en dat het college zowel het fair play-beginsel als de hoorplicht heeft geschonden.
2. De rechtbank oordeelt dat het college terecht de omgevingsvergunning heeft verleend en dat het college niet heeft gehandeld in strijd met het fair play-beginsel of de hoorplicht in bezwaar heeft geschonden. [eisers] krijgen dus geen gelijk en de beroepen zijn daarmee ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

3. Gemeente Deventer heeft op 8 december 2023 een aanvraag ingediend bij het college voor het bouwen van een sporthal ([locatie]) aan de [adres].
4. Bij besluit van 10 april 2024 heeft het college de gevraagde omgevingsvergunning verleend. Op 17 april 2024 heeft het college een gewijzigd besluit genomen op de aanvraag om een omgevingsvergunning, omdat er een aantal voorwaarden ontbraken. Daarbij heeft het college besloten dat het besluit van 17 april 2024 het besluit van 10 april 2024 vervangt.
5. Gemachtigde mr. V.W.J.H. Kobossen heeft op 25 april 2024, onder aanvulling van 28 mei 2024, namens [eiser 1] bezwaar gemaakt tegen het besluit van 17 april 2024.
6. Gemachtigde en belanghebbende mr. F.J.M. Kobossen heeft bij bezwaarschrift van 10 mei 2024, onder aanvulling van 28 mei 2024, namens V.P.F. Kobossen en [eiser 5] bezwaar gemaakt tegen het besluit van 17 april 2024.
7. Op 13 mei 2024, onder aanvulling van 28 mei 2024, heeft gemachtigde mr. V.W.J.H. Kobossen eveneens namens [eiser 2], [eiser 3] en [eiser 4] bezwaar gemaakt tegen het besluit van 17 april 2024.
8. Bij drie afzonderlijke besluiten van 11 juli 2024 heeft het college de ingediende bezwaren ongegrond verklaard en het besluit van 17 april 2024 in stand gelaten.
9. Mr. V.W.J.H. Kobossen heeft op 25 juli 2024 namens [eiser 2], F.J.M. Kobossen en [eiser 4] beroep ingesteld bij de rechtbank. Dit beroep staat geregistreerd onder zaaknummer ZWO 24/3138.
10. Mr. V.W.J.H. Kobossen heeft op 25 juli 2024 afzonderlijk beroep ingesteld namens [eiser 1]. Dit beroep staat geregistreerd onder zaaknummer ZWO 24/3139.
11. Op 1 augustus 2024 heeft mr. F.J.M. Kobossen beroep ingesteld namens V.P.F. Kobossen en [eiser 5]. Dit beroep staat geregistreerd onder zaaknummer ZWO 24/3200.
12. Het college heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.
13. Partijen hebben de rechtbank laten weten dat zij een zitting niet nodig vinden en hebben de rechtbank verzocht om uitspraak te doen zonder een zitting. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten en de zaken niet behandeld op een zitting. [1]

Beoordeling door de rechtbank

Juridisch kader
14. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wabo.
15. De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 8 december 2023. Dat betekent dat in dit geval het recht zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.
De beroepen
16. [eisers] hebben in hun afzonderlijke beroepschriften en aanvullingen daarop meerdere beroepsgronden aangevoerd. Omdat de beroepsgronden in de afzonderlijke zaaknummers bijna volledig overlappen, zal de rechtbank de beroepen hierna gezamenlijk bespreken.
Strijd met het bestemmingsplan
17. [eisers] stellen zich op het standpunt dat de verleende omgevingsvergunning in strijd is met het bestemmingsplan.
18. Ten tijde van het nemen van een beslissing op de aanvraag en op de bezwaren van [eisers] gold ter plaatse het bestemmingsplan ‘Chw Marke Zuid’. De aanvraag om een omgevingsvergunning is getoetst aan dit bestemmingsplan en door het college in overeenstemming bevonden met de regels van het bestemmingsplan. In bezwaar heeft het college dit standpunt – in navolging van het advies van de Algemene Bezwarencommissie – gehandhaafd. [eisers] hebben geen concrete argumenten aangevoerd waarom het standpunt van het college dat de aanvraag om een omgevingsvergunning in overeenstemming is met de regels van het geldende bestemmingsplan onjuist is, of waarom het advies van de Algemene Bezwarencommissie, dat onderdeel uitmaakt van de motivering van de beslissing op bezwaar, op dit punt tekortschiet. Nu [eisers] geen enkel aanknopingspunt bieden dat hun standpunt ondersteunt dat de omgevingsvergunning in strijd is met de regels uit het bestemmingsplan, ziet de rechtbank geen aanleiding om uit te gaan van de onjuistheid van het standpunt van het college dat de omgevingsvergunning is verleend in overeenstemming met de regels van het bestemmingsplan. Ook overigens ziet de rechtbank daar geen aanleiding voor.
19. De beroepsgrond slaagt niet.
Stikstof
20. [eisers] voeren daarnaast aan dat een stikstofberekening een verplicht onderdeel is van de omgevingsvergunning, omdat de activiteiten plaatsvinden binnen een zeer beperkte afstand tot een Natura 2000-gebied.
21. De rechtbank begrijpt de beroepsgrond van [eisers] als dat zij zich op het standpunt stellen dat er ten onrechte geen stikstofberekening plaats heeft gevonden bij de beoordeling van de aanvraag om een omgevingsvergunning. Dit is echter onjuist. In het dossier heeft de rechtbank een projectberekening aangetroffen, gemaakt met de AERIUS Calculator, waarin een stikstofberekening is gemaakt voor de (mogelijke) gevolgen op het nabijgelegen Natura 2000-gebied voor de aanlegfase (bijlage 37 bij de omgevingsvergunning).
22. De beroepsgrond slaagt hierom niet.
Het fair play-beginsel
23. [eisers] stellen zich verder op het standpunt dat het college gedurende de procedure van het verlenen van de omgevingsvergunning en in de bezwaarfase erna in strijd heeft gehandeld met het fair play beginsel. Het college zou hebben geprobeerd om [eisers] op het verkeerde been te zetten door informatie achter te houden en de procedure te frustreren. Zo zijn [eisers] bewust niet op de hoogte gehouden van de besluitvorming en is er in de bezwaarfase geen dossier overgelegd.
24. De rechtbank overweegt dat er geen aanleiding is om aan te nemen dat het college in strijd heeft gehandeld met het fair play-beginsel. Dat het college [eisers] niet op de hoogte hebben gebracht na het verlenen van de omgevingsvergunning, terwijl het college daartoe wel een toezegging had gedaan, is onvoldoende om tot die conclusie te komen. Bovendien heeft het college dit erkend en in de bezwaarfase daar excuses voor gemaakt. Het heeft ook geen gevolgen gehad voor [eisers], nu zij alsnog tijdig bezwaar hebben gemaakt. Verder blijkt uit de bij de rechtbank ingediende stukken dat [eisers] wel in bezwaar het volledige dossier toegestuurd hebben gekregen, zij het digitaal via een Zivver-link. Uit het dossier blijkt ook dat [eisers] deze link hebben geopend en hebben vastgesteld dat het circa 700 pagina’s betreft. De rechtbank concludeert hieruit dat het college geen informatie heeft achter gehouden aan [eisers] om hen te frustreren in de rechtsgang. [eisers] hebben hun beroepsgrond verder niet concreet onderbouwd.
25. De beroepsgrond slaagt niet.
De hoorplicht
26. [eisers] stellen zich tot slot op het standpunt dat het college de hoorplicht van artikel 7:2 van Pro de Awb heeft geschonden.
27. De rechtbank overweegt als volgt. Volgens artikel 7:2 van Pro de Awb stelt een bestuursorgaan dat op een bezwaar beslist, belanghebbenden in de gelegenheid om te worden gehoord. Volgens artikel 7:3 van Pro de Awb kan van het horen worden afgezien onder bepaalde omstandigheden, bijvoorbeeld als de belanghebbende niet binnen een door het bestuursorgaan gestelde redelijke termijn verklaart dat hij gebruik wil maken van het recht om te worden gehoord (sub d). [eisers] hebben in hun bezwaarschrift(en) niet verzocht om te worden gehoord. De Algemene Bezwarencommissie heeft [eisers] op 30 mei 2024 telefonisch en per mail verzocht om aan te geven of zij voor de behandeling van hun bezwaar beschikbaar zijn voor een hoorzitting op 3 juli 2024. Hierop is niet gereageerd door [eisers] Op 14 juni 2024 zijn [eisers] vervolgens uitgenodigd voor een hoorzitting op 3 juli 2024. Hierop hebben de gemachtigden van [eisers] per mails van 17 juni 2024 en 18 juni 2024 aangegeven verhinderd te zijn. Zij hebben daarbij verzocht om een nieuwe datum voor de hoorzitting. Dit is door de Algemene Bezwarencommissie geweigerd, omdat [eisers] niet tijdig hebben gereageerd.
28. Gelet op het geschetste verloop van omstandigheden hebben [eisers] naar het oordeel van de rechtbank niet binnen een redelijke termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht om te worden gehoord. Het had op de weg van [eisers] gelegen om direct na 30 mei 2024 aan te geven dat zij op 3 juli 2024 verhinderd waren, aanwezig wilden zijn op de hoorzitting en daarom een nieuwe zittingsdatum wilden. Nu [eisers] pas na de derde keer dat zij zijn gewezen op de hoorzitting van 3 juli 2024 en slechts twee weken voor het plaatsvinden van die hoorzitting hebben aangegeven niet beschikbaar te zijn op de betreffende datum, oordeelt de rechtbank dat het college de hoorplicht van artikel 7:2 van Pro de Awb niet heeft geschonden.
29. De beroepsgrond slaagt niet.
Overschrijding redelijke termijn
30. [eisers] hebben bij e-mail van 6 mei 2026, dus na sluiting van het onderzoek, de rechtbank verzocht om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
31. In beginsel is de rechtbank niet gehouden om te toetsen of de redelijke termijn bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is overschreden wanneer in beroep niet over de duur van de procedure wordt geklaagd. Dat is slechts anders indien ten tijde van het sluiten van het onderzoek geen sprake was van een overschrijding van de redelijke termijn en deze, uitgaande van de in artikel 8:66 van Pro de Awb neergelegde termijn voor het doen van een schriftelijke uitspraak, ook niet te voorzien was en de uitspraak in een dergelijk geval desondanks gedaan wordt met overschrijding van die termijn. [2] Dit laatste geval doet zich voor. Het college heeft de bezwaarschriften van [eisers] op 22 april 2024, 10 mei 2024 en 13 mei 2024 ontvangen. De rechtbank heeft het onderzoek op 11 maart 2026 gesloten. Op dat moment was de redelijke termijn van twee jaar nog niet overschreden en nog niet voorzienbaar dat de termijn overschreden zou worden. Omdat de uitspraak van de rechtbank helaas langer op zich heeft laten wachten, zal de rechtbank het verzoek hierna alsnog inhoudelijk behandelen.
32. Volgens vaste rechtspraak is de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6 van Pro het EVRM, overschreden als de duur van de totale procedure te lang is. De termijn vangt aan op het moment van ontvangst van het bezwaarschrift. De termijn eindigt op het moment waarop de rechter die beslist op het verzoek om schadevergoeding, uitspraak doet over het geschil dat de belanghebbenden en het bestuursorgaan verdeeld houdt. De redelijke termijn is voor een procedure in één rechterlijke instantie in beginsel niet overschreden, als die procedure in haar geheel niet langer dan twee jaar heeft geduurd. [3] Bij toepassing van de genoemde termijn geldt dat de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld en het processuele gedrag van de belanghebbende gedurende de gehele procesgang onder omstandigheden aanleiding kunnen geven overschrijding van de als uitgangspunt gehanteerde termijnen gerechtvaardigd te achten. [4]
33. Hoewel de redelijke termijn van twee jaar op 13 mei 2026 is overschreden, acht de rechtbank de overschrijding gerechtvaardigd gelet op het processuele gedrag van (de gemachtigden) van [eisers]. De rechtbank heeft namelijk meerdere malen een zitting geprobeerd te plannen met partijen, maar meerdere malen hebben (de gemachtigden) van [eisers] om uitstel verzocht wegens andere verplichtingen. Zo heeft de rechtbank getracht de zitting plaats te laten vinden voor het eerst op 13 juni 2025 en vervolgens op 4 november 2025, 9 december 2025 en 23 december 2025 voor de definitieve zittingsdatum van 12 maart 2026 is gepland. [eisers] hebben slechts enkele dagen voor de uiteindelijke zitting op 12 maart 2026 te kennen gegeven niet te zullen verschijnen ter zitting omdat zij geen behoefte hadden hun beroep nader toe te lichten. Indien ze dat ten aanzien van de eerste geplande zittingsdatum van 13 juni 2025 hadden gedaan, had de zaak toen direct inhoudelijk behandeld kunnen worden. De door [eisers] opgelopen vertraging dient daarom voor rekening van hen zelf te blijven.
34. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het verzoek om schadevergoeding afwijzen.

Conclusie en gevolgen

35. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat het college terecht de omgevingsvergunning heeft verleend. [eisers] krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart de beroepen ongegrond;
- wijst de verzoeken om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Rozeboom, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.P. Fortuin, griffier, uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 21 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3350.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 29 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:188.
4.Zie de voormelde uitspraak, ECLI:NL:RVS:2014:188, r.o. 4.3.1.