Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2026:3070

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
3 juni 2026
Publicatiedatum
3 juni 2026
Zaaknummer
12188162 \ CV EXPL 26-1336
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:625 BWArt. 7:626 BWArt. 233 RvArt. 237 RvArt. 254 lid 1 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing vordering betaling achterstallig loon in kort geding

In deze kortgedingprocedure vordert eiser betaling van achterstallig loon over de periode van 1 maart 2025 tot en met 17 oktober 2025. De procedure omvatte een mondelinge behandeling op 28 mei 2026, waarbij eiser een deel van zijn vordering introk. Gedaagde verscheen niet en verstek werd verleend.

De kantonrechter oordeelt dat er sprake is van spoedeisend belang vanwege de aard van de vordering tot betaling van achterstallig loon. De vordering wordt toegewezen omdat deze niet onrechtmatig of ongegrond is. Daarnaast worden buitengerechtelijke kosten toegewezen conform het Rapport BGK-integraal.

Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van het achterstallige loon, wettelijke verhoging en rente, alsmede de buitengerechtelijke kosten en proceskosten. Tevens wordt gedaagde verplicht om binnen vijf dagen na betekening de bruto/netto salarisspecificaties te verstrekken, onder dreiging van een dwangsom. Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat naleving kan worden afgedwongen ondanks eventuele hoger beroep.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van achterstallig loon, wettelijke verhoging, rente, buitengerechtelijke kosten en proceskosten, met uitvoerbaarheid bij voorraad.

Uitspraak

RECHTBANKOVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: 12188162 \ CV EXPL 26-1336
Vonnis in kort geding van 3 juni 2026
in de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
gemachtigde: mr. A. Lansons,
tegen
[gedaagde] B.V.,
statutair gevestigd te [vestigingsplaats] en kantoorhoudende te [kantoorplaats],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
niet verschenen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties;
- de mondelinge behandeling van 28 mei 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. [eiser] heeft op de zitting zijn vordering onder I sub b van het petitum van zijn dagvaarding (die ziet op betaling van een bedrag van € 21,23 bruto per maand) ingetrokken;
- de verstekverlening tegen [gedaagde].

2.De beoordeling

2.1.
Een vordering in kort geding kan worden toegewezen als de eisende partij hierbij zoveel spoed heeft dat die de uitkomst van een gewone procedure niet hoeft af te wachten. [1] Uit de stellingen van [eiser] volgt dat deze spoed aanwezig is nu het gaat om een vordering tot (gedeeltelijke) betaling van achterstallig loon.
2.2.
De vordering wordt toegewezen omdat deze niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt. [2] De buitengerechtelijke kosten, ten aanzien waarvan [eiser] zich ter zitting voor wat betreft de omvang heeft gerefeerd aan het oordeel van de kantonrechter, worden overeenkomstig de aanbevelingen van het “Rapport BGK-integraal” en de daarin opgenomen staffel toegewezen tot het bedrag van € 601,20
2.3.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen omdat zij ongelijk heeft. [3] De kantonrechter begroot deze kosten aan de kant van [eiser] op € 156,75 aan dagvaardingskosten, € 265,- aan griffierecht, € 577,- aan salaris voor de gemachtigde. Het gevorderde bedrag van € 132,- aan nakosten zal ook worden toegewezen. Dat is in totaal
€ 1.130,75. Hier kan nog een bedrag bijkomen als dit vonnis wordt betekend.
2.4.
Dit vonnis wordt, zoals verzocht, uitvoerbaar bij voorraad verklaard. [4] Dit betekent dat wanneer het geschil ook nog aan een hogere rechter wordt voorgelegd, in afwachting van die uitspraak voorlopig toch al naleving van dit vonnis kan worden afgedwongen door de partij die in het gelijk is gesteld, zij het op eigen risico (de hogere rechter kan anders oordelen).

3.De beslissing

De kantonrechter
3.1.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van € 4.761,99 bruto ter zake van het achterstallige loon over de periode van 1 maart 2025 tot en met 17 oktober 2025;
3.2.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 over Pro het onder 3.1 toegewezen bedrag vanaf de datum van verzuim tot aan de dag der volledige betaling;
3.3.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van de wettelijke rente over de onder 3.1 en 3.2 toegewezen bedragen vanaf de datum van verzuim tot aan de dag der algehele voldoening;
3.4.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van de buitengerechtelijke kosten van € 601,20;
3.5.
veroordeelt [gedaagde] om binnen vijf dagen na betekening van dit vonnis aan [eiser] te verstrekken de deugdelijke bruto/netto salarisspecificaties over de maanden maart 2025 tot en met oktober 2025 en de toekomstige salarisspecificaties conform artikel 7:626 BW Pro, op straffe van een dwangsom van € 250,-- voor iedere dag dat [gedaagde] ter zake van de verstrekking van die specificaties in gebreke zal blijven, met een maximum van € 4.761,99;
3.6.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van [eiser] worden begroot op € 1.130,75, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
3.7.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.R.H. Lutjes en in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2026.

Voetnoten

1.Artikel 254 lid 1 Rv Pro.
2.Artikel 139 Rv Pro.
3.Artikel 237 Rv Pro.
4.Artikel 233 Rv Pro.