Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2026:3072

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
3 juni 2026
Publicatiedatum
3 juni 2026
Zaaknummer
12172837 \ EJ VERZ 26-110
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:230a BWArt. 7:290 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek kwalificatie overeenkomst als huurovereenkomst en verlenging ontruimingstermijn

In deze zaak verzoekt verzoeker de kantonrechter te oordelen dat de mondelinge overeenkomst tussen hem en verweerder kwalificeert als een huurovereenkomst op grond van artikel 7:290 BW Pro, dan wel subsidiair als een huurovereenkomst onder het 7:230a BW regime. Tevens verzoekt hij om verlenging van de ontruimingstermijn met twaalf maanden.

De feiten betreffen een mondelinge overeenkomst uit de jaren ’90 waarbij verzoeker een deel van een perceel gebruikt voor zijn autogaragebedrijf. Verweerder heeft de huurovereenkomst met de gemeente overgenomen en is eigenaar van het perceel. Verzoeker heeft betalingsachterstanden en verweerder heeft het gebruik per 1 april 2026 beëindigd.

De voorzieningenrechter heeft reeds geoordeeld dat er geen sprake is van een bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:290 BW Pro en de ontruiming toegewezen. De kantonrechter bevestigt dit oordeel en wijst het primaire verzoek af. Ook het subsidiaire verzoek tot verlenging van de ontruimingstermijn wordt afgewezen omdat het belang van verweerder zwaarder weegt dan dat van verzoeker.

De kantonrechter veroordeelt verzoeker tot betaling van de proceskosten en verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Het verzoek om kwalificatie van de overeenkomst als huurovereenkomst en verlenging van de ontruimingstermijn wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANKOVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer / rekestnummer: 12172837 \ EJ VERZ 26-110
Beschikking van 3 juni 2026
in de zaak van
[verzoeker],
wonende te [woonplaats 1],
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoeker],
gemachtigde: mr. K. van Polen,
tegen
[verweerder],
wonende te [woonplaats 2],
verwerende partij,
hierna te noemen: [verweerder],
gemachtigde: mr. J.L. Kale,

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift met bijlage 1, waarin de kort geding dagvaarding met producties 1 tot en met 16 is overgelegd,
- de producties 1 tot en met 15 van [verweerder],
- de akte met aanvullende productie 17 van [verzoeker],
- het verweerschrift van [verweerder],
- de pleitnota van [verzoeker],
- de pleitnota van [verweerder],
- de mondelinge behandeling van 20 mei 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
De beschikking is bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
Omstreeks de jaren ’90 is tussen [verzoeker] en de grootvader van [verweerder] een mondelinge overeenkomst tot stand gekomen op grond waarvan [verzoeker] een deel van het door [verweerder] van de gemeente gehuurde terrein aan de [adres] (hierna te noemen: het perceel) mocht gebruiken. [verzoeker] heeft daar sindsdien zijn autogarage gevestigd en richt zich op de reparatie van personenauto’s en het (laten) uitvoeren van Apk-keuringen.
2.2.
Met ingang van 1 oktober 2024 heeft [verweerder] de huurovereenkomst tussen zijn grootvader en de gemeente Kampen overgenomen.
2.3.
In mei 2025 zijn [verweerder] en [verzoeker] mondeling overeengekomen dat [verzoeker] 465 m2 van het perceel mag gebruiken tegen een bedrag van € 147,32 exclusief btw (€ 178,26 inclusief btw). Ook zijn partijen mondeling overeengekomen dat de stroomkosten van € 800,00 inclusief btw bij helfte zullen worden verdeeld en dat [verzoeker] daarvoor maandelijks een bedrag van € 330,58 exclusief btw (€ 400,00 inclusief btw) zou betalen. In totaal diende [verzoeker] maandelijks € 578,26 aan [verweerder] te betalen.
2.4.
[verzoeker] heeft de vergoedingen van de maand mei 2025 en vanaf november 2025 niet betaald. De vergoeding van de maanden september en oktober 2025 heeft hij gedeeltelijk betaald.
2.5.
Op 21 januari 2026 heeft [verweerder] een aangetekende brief aan [verzoeker] gestuurd met de volgende tekst:

(…). Daarom laat ik u weten dat ik het gebruik van het terrein en alle bijbehorende voorzieningen beëindig per 1 april. (…).
2.6.
[verzoeker] heeft bij kort geding dagvaarding van 17 april 2026 gevorderd dat het [verweerder] - kort gezegd - wordt verboden om het perceel te ontruimen. Bij vonnis van 3 juni 2026 heeft de voorzieningenrechter de vordering van [verzoeker] in conventie afgewezen en de vordering in reconventie van [verweerder] tot ontruiming van het perceel toegewezen (zaaknummer 12172154 \ CV EXPL 26-1118).

3.Het verzoek en het verweer

3.1.
[verzoeker] verzoekt de kantonrechter op grond van artikel 7:230a BW:
Primair
- te oordelen dat niet het 230a-regime van toepassing is op deze huurovereenkomst, maar het 290-regime;
Subsidiair
  • de termijn waarbinnen de ontruiming moet plaatvinden te verlengen met één jaar (12 maanden) vanaf de einddatum van de huurovereenkomst, althans in goede justitie te bepalen andere termijn;
  • te bepalen dat gedurende deze termijn de rechten en verplichtingen uit de huurovereenkomst van kracht blijven;
Zowel primair als subsidiair
- verweerder te veroordelen in de kosten van deze procedure.
3.2.
Aan het verzoek heeft [verzoeker] ten grondslag gelegd dat het door hem gehuurde perceel kwalificeert als een bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:290 BW Pro, omdat hij daar een autogaragebedrijf uitoefent. Als en voor zover de kantonrechter tot het oordeel komt dat er geen sprake is van een 290-bedrijfsruimte, dan kwalificeert de tussen partijen gesloten overeenkomst als een 230a-bedrijfsruimte. [verzoeker] verzoekt de kantonrechter om daarbij de in het kort geding aangevoerde stellingen als herhaald en ingelast te beschouwen.
3.3.
[verzoeker] verzet zich tegen toewijzing van het verzoek en voert daartoe het volgende aan. De overeenkomst tussen partijen kwalificeert niet als een huurovereenkomst (ex artikel 7:290 BW Pro of 7:230a BW), maar als ingebruikgeving van een onroerende zaak. De overeenkomst is daarom terecht door [verweerder] opgezegd.

4.De beoordeling

Kwalificatie van de overeenkomst (het primaire verzoek)
4.1.
[verzoeker] verzoekt primair dat de kantonrechter oordeelt dat de overeenkomst tussen partijen kwalificeert als een huurovereenkomst ex artikel 7:290 BW Pro. De voorzieningenrechter heeft in haar vonnis van 3 juni 2026 geoordeeld dat er geen sprake is van een bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:290 BW Pro. De primaire vordering van [verweerder] zal daarom worden afgewezen.
Het subsidiaire verzoek
4.2.
Subsidiair verzoekt [verzoeker] - kort gezegd - om verlenging van de ontruimingstermijn. De kantonrechter overweegt daarover als volgt.
4.3.
Indien de huur van een bedrijfsruimte ex artikel 7:230a BW eindigt, dan kan de huurder na het einde van de huurovereenkomst de rechter verzoeken de termijn waarbinnen ontruiming moet plaats vinden, te verlengen. Het verzoek wordt slechts toegewezen indien de belangen van de huurder, door de ontruiming ernstiger worden geschaad dan die van de verhuurder bij voortzetting van het gebruik door de huurder. Het verzoek wordt niettemin afgewezen, indien de verhuurder aannemelijk maakt dat van hem wegens onbehoorlijk gebruik van het verhuurde, wegens ernstige overlast, de medegebruikers dan wel hemzelf aangedaan, of wegens wanbetaling niet gevergd kan worden dat de huurder langer het recht op het gebruik van de zaak of gedeelte daarvan behoudt.
4.4.
De voorzieningenrechter heeft bij vonnis van 3 juni 2026 de belangen van partijen afgewogen en is daarbij tot het oordeel gekomen dat het belang van [verzoeker] om langer gebruik te mogen maken van het perceel niet zo zwaar weegt dat het belang van [verweerder] om de overeenkomst op te zeggen en het perceel weer tot zijn beschikking te hebben daarvoor moet wijken. Niet is gebleken dat door ontruiming de belangen [verzoeker] ernstiger worden geschaad, dan die van [verweerder] bij voortzetting van het gebruik door [verzoeker]. Het subsidiaire verzoek van [verzoeker] zal daarom worden afgewezen.
Proceskosten
4.5.
De proceskosten komen voor rekening van [verzoeker], omdat hij overwegend ongelijk krijgt. De proceskosten aan de zijde van [verzoeker] worden begroot op € 432,00 (€ 288,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
wijst het verzoek af,
5.2.
veroordeelt [verzoeker] in de proceskosten van € 432,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [verzoeker] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,
5.3. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. W.R.H. Lutjes en in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2026.
EA