Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2026:3193

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
27 mei 2026
Publicatiedatum
7 juni 2026
Zaaknummer
C/08/328583 / HA ZA 25-48
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BWArt. 6:119a BWArt. 6:271 BWArt. 6:272 BWArt. 7:764 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding aannemingsovereenkomst en financiële afwikkeling na voortijdige beëindiging

Partijen sloten in de zomer van 2023 een aannemingsovereenkomst voor verbouwingswerkzaamheden in de woning van partij A. Na onenigheid over planning en voortgang stopte partij B met de werkzaamheden na 1 september 2023. Partij A stelde partij B in gebreke en ontbond de overeenkomst op 23 november 2023.

De rechtbank oordeelt dat het bericht van partij A van 1 september 2023 niet als beëindiging van de overeenkomst mocht worden opgevat, zodat de overeenkomst na die datum nog doorliep. Partij B kwam daardoor in verzuim door de werkzaamheden niet voort te zetten en niet te reageren op de ingebrekestelling.

De ontbinding leidt tot ongedaanmaking van de reeds verrichte prestaties. Partij A heeft recht op terugbetaling van de aanbetaling minus de waarde van de uitgevoerde werkzaamheden, die de rechtbank objectief heeft vastgesteld. Vorderingen van partij A voor herstelkosten en dubbele woonlasten worden afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing of causaal verband.

De vordering van partij B in voorwaardelijke reconventie wordt niet inhoudelijk beoordeeld omdat de voorwaarde (opzegging) niet is vervuld. Partij B wordt veroordeeld tot betaling van het toegewezen bedrag, wettelijke rente, buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank oordeelt dat de aannemingsovereenkomst rechtsgeldig is ontbonden op 23 november 2023 en veroordeelt partij B tot betaling van € 17.404,63 plus rente, incassokosten en proceskosten aan partij A.

Uitspraak

RECHTBANK Overijssel

Civiel recht
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: C/08/328583 / HA ZA 25-48
Vonnis van 27 mei 2026
in de zaak van
[partij A],
te [woonplaats 1],
eisende partij in conventie,
verwerende partij in voorwaardelijke reconventie,
hierna te noemen: [partij A],
advocaat: mr. J.K. Schoonhoven,
tegen
[partij B], handelend onder de naam [bedrijf],
te [woonplaats 2],
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in voorwaardelijke reconventie,
advocaat: voorheen mr. V.N. Gijlstra, thans geen advocaat,
hierna te noemen: [partij B].
Samenvatting
Tussen [partij A] en [partij B] bestond een overeenkomst van aanneming van werk. [partij A] heeft deze aannemingsovereenkomst voortijdig beëindigd. In geschil is wanneer en op welke wijze de overeenkomst is geëindigd en hoe de beëindiging financieel moet worden afgewikkeld.
Kort gezegd is de rechtbank oordeel dat [partij A] de overeenkomst op 23 november 2023 rechtsgeldig heeft ontbonden. Als gevolg van de ontbinding heeft [partij A] recht op terugbetaling van een groot deel van de door hem aan [partij B] gedane (aan)betalingen. De rechtbank wijst de vorderingen van [partij A] in conventie daarom grotendeels toe. Aan een inhoudelijke beoordeling van de vorderingen van [partij B] in voorwaardelijke reconventie wordt niet toegekomen, omdat de voorwaarde waaronder deze vorderingen zijn ingesteld, niet is vervuld.

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 24 januari 2025 met producties;
  • de conclusie van antwoord in conventie en van eis in voorwaardelijke reconventie van 9 april 2025 met producties;
  • de conclusie van antwoord in voorwaardelijke reconventie van 21 mei 2025 met producties;
  • de akte eiswijziging in voorwaardelijke reconventie met aanvullende producties van 23 juli 2025;
  • de onttrekking van mr. Gijlstra als advocaat van [partij B] van 6 januari 2026;
  • de e-mail van 2 maart 2026 van de rechtbank aan [partij B] met het verzoek om te laten weten of zich een andere advocaat zal stellen voor hem;
  • de e-mails van 24 maart 2026 van [partij B] aan de rechtbank met een verzoek om uitstel van de mondelinge behandeling;
  • de e-mail van 24 maart 2026 van [naam] aan de rechtbank met de mededeling dat hij zich wenst te stellen voor [partij B];
  • de mondelinge behandeling van 25 maart 2026, waarbij mr. Schoonhoven spreekaantekeningen heeft voorgedragen en de griffier aantekeningen heeft gemaakt van wat verder is besproken;
  • het bericht van de rechtbank van 25 maart 2026 in reactie op de e-mail van
[naam].
1.2
Aan het eind van de mondelinge behandeling is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1
In de zomer van 2023 zijn [partij A] en [partij B] overeengekomen dat [partij B] verbouwings- en renovatiewerkzaamheden in de woning van [partij A] zou uitvoeren. Partijen hebben vervolgens verschillende keren overleg gehad over de uit te voeren werkzaamheden en [partij B] heeft verscheidene offertes opgesteld. Uiteindelijk heeft [partij A] drie offertes geaccepteerd:
  • offerte [offertenummer 1] voor alle werkzaamheden op de eerste verdieping van de woning;
  • offerte [offertenummer 2] voor alle werkzaamheden op de begane grond van de woning;
  • offerte [offertenummer 3] voor extra egalisatiewerkzaamheden om een verlaagde vloer op te hogen.
2.2
Samengevat bestaan de overeengekomen werkzaamheden uit:
  • sloopwerkzaamheden;
  • loodgieterswerkzaamheden;
  • elektrawerkzaamheden;
  • het plaatsen van een nieuwe voordeur;
  • stucwerkzaamheden in de badkamer;
  • het aanbrengen van beton cire in de badkamer(s) en toilet(ten);
  • extra egalisatie om de verlaagde vloer van de hal, sauna en garage op te hogen;
  • het sealen en egaliseren van de vloeren;
  • het aanbrengen van vloerverwarming;
  • het aanbrengen van een PU gietvloer.
Het totaalbedrag van de drie offertes bedraagt € 27.707,21 inclusief BTW. Voor de sloop- en loodgieterswerkzaamheden en voor het plaatsen van een nieuwe voordeur is in de offertes echter geen bedrag opgenomen. Voor de sloop- en loodgieterswerkzaamheden wordt een uurloon genoemd. Over de kosten voor het plaatsen van een nieuwe voordeur wordt opgemerkt dat dit afhangt van het gewenste type voordeur.
2.3
In de tweede helft van juni 2023 is [partij B] begonnen met de werkzaamheden.
2.4
Gedurende de werkzaamheden hebben partijen onenigheid gekregen over de planning, de communicatie en de voortgang van de werkzaamheden. Na een aantal gesprekken en uitgewisselde mails heeft [partij B] op 31 augustus 2023 een WhatsApp-bericht aan [partij A] gestuurd met, voor zover van belang, de volgende inhoud:
“Goed om te horen dat jij de samenwerking door wilt zetten. Dit wil ik uiteraard ook. Ik denk dat we bepaalde discussiepunten in het midden moeten laten omdat we er niet uitkomen. Ik ben altijd positief ingesteld en zie daarom ook graag dat we dit op een prettige manier kunnen afronden.
Doordat er zoveel werkzaamheden tussen zijn gekomen en er meerdere partijen bij betrokken zijn heb ik helaas geen invloed meer gehad op de planning. De geplande werkzaamheden konden daarom niet meer uitgevoerd worden wat betekend dat ik nu in week 39, 29 september tussen 12.00-13.00 tijd heb om de planning door te nemen. Wij kunnen dan eventueel week 42 op maandag 16 Oktober de werkzaamheden uitvoeren. De vloerverwarming plaatsen, egaliseren, gietvloer, beton Cire. (…)
Ik stel voor dat je wanneer je nog vragen/punten hebt die je wil bespreken we dat in het gesprek van 29 september oppakken. (…)”
2.5
Op 1 september 2023 heeft [partij A] hier als volgt op geantwoord:
“Ben het met je eens mbt de discussiepunten en lijkt het mij ook goed dit te laten bij wat het is. Gezien de data die je me stuurt zal ik jammergenoeg genoodzaakt zijn om de werkzaamheden te ontbinden. Onze huur is opgezegd per 1 oktober en ook zal de keuken in week geplaatst worden. Hiermee rekening houdende zou de vloer daarvoor al gelegd moeten zijn en voor 1 oktober de badkamers. Als jij nog een keer hier naar zou willen kijken of dit voor jullie ook haalbaar is, dan zou dat erg fijn zijn en kunnen we het zo alsnog met elkaar afronden. Lukt dit jammergenoeg toch niet dan wil ik wel graag voor die tijd samen zitten om het teveel betaalde terug te krijgen. En verwacht ik dat dit aankomende week opgelost moet zijn. Zal je hier geen tijd voor hebben laat me dit dan vandaag weten want dan reken ik het verschil dit weekend uit en stuur ik je dit overzicht toe.”
2.6
Na dit bericht van 1 september 2023 zijn er door [partij B] geen werkzaamheden meer verricht in de woning van [partij A].
2.7
Op 27 oktober 2023 heeft de advocaat van [partij A] [partij B] in gebreke gesteld en gesommeerd om binnen zeven dagen een planning voor de nog te verrichten werkzaamheden aan te leveren en om de werkzaamheden binnen dertig dagen volledig en deugdelijk af te ronden.
2.8
Op 5 november 2023 heeft [partij B] hierop, voor zover nu van belang, het volgende geantwoord:
“(…) In uw brief geeft u aan dat ik namens uw cliënt in gebreken wordt gesteld en dat de offerte/werkzaamheden worden ontbonden als ik niet aan de zogenoemde verplichtingen voldoe. Ik wil u er daarom op attenderen dat uw client op vrijdag
1-9-2023 zelfde offerte/werkzaamheden heeft ontbonden en daarmee gezegd uw brief waarin ik in gebreken wordt gesteld niet gegrond is. (…)”
2.9
Op 23 november 2023 heeft de advocaat van [partij A], voor zover van belang, geantwoord dat, mocht er nog sprake zijn van een overeenkomst, [partij A] die overeenkomst ontbindt.
2.1
Partijen hebben hierna nog verschillende mails uitgewisseld waarin zij hun standpunten nader hebben toegelicht. Deze mails hebben niet geleid tot overeenstemming.
2.11
In totaal heeft [partij A] € 19.710,24 aan [partij B] betaald en heeft [partij B] een deel van de overeengekomen sloopwerkzaamheden, elektrawerkzaamheden en egalisatiewerkzaamheden in de woning van [partij A] uitgevoerd.

3.Het geschil

In conventie
3.1
[partij A] vordert – samengevat – dat de rechtbank [partij B] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeelt tot betaling van een bedrag van € 23.946,04 (inclusief BTW), te vermeerderen met rente, buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten.
3.2
[partij A] stelt dat hij de overeenkomst met [partij B] op 23 november 2023 rechtsgeldig heeft ontbonden, omdat [partij B] – ook na een ingebrekestelling – weigerde de overeengekomen werkzaamheden voort te zetten en af te ronden en daarmee tekortschoot in de nakoming van de overeenkomst. [partij A] vordert terugbetaling van hetgeen hij aan [partij B] heeft betaald (€ 19.710,24), te verminderen met de waarde van de door [partij B] wel uitgevoerde werkzaamheden (door [partij A] begroot op € 3.469,34), te vermeerderen met een bedrag van € 4.374,51 aan herstelkosten omdat deze werkzaamheden gebrekkig bleken te zijn uitgevoerd en te vermeerderen met een bedrag van € 2.107,32 als vergoeding voor zijn dubbele woonlasten. [partij A] vordert verder een bedrag van € 1.223,31 aan herstelkosten van zijn meterkast en stelt (uiteindelijk) dat [partij B] en hij hadden afgesproken dat [partij B] deze kosten aan hem zou vergoeden. In totaal is [partij B] hem daarom: € 19.710,24 - € 3.469,34 + € 4.374,51 + € 2.107,32 + € 1.223,31 = € 23.946,04 aan hoofdsom verschuldigd, aldus [partij A].
3.3
[partij B] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [partij A], met veroordeling van [partij A] in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente. [partij B] betwist dat hij – door na 1 september 2023 te weigeren de overeengekomen werkzaamheden voort te zetten – is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst. Hij voert daartoe aan dat [partij A] de overeenkomst op 1 september 2023 al had beëindigd, waardoor hij niet meer hoefde na te komen. De beëindiging van 1 september 2023 moet volgens [partij B] worden aangemerkt als opzegging, omdat [partij A] toen niet bevoegd was om de overeenkomst te ontbinden. Voor zover de overeenkomst wel door ontbinding is geëindigd, betoogt [partij B] dat de waarde van de uitgevoerde werkzaamheden aanmerkelijk hoger is dan door [partij A] is begroot. [partij B] betwist ook dat het door hem uitgevoerde werk gebrekkig is en dat hij enige vorm van schadevergoeding verschuldigd is aan [partij A].
In voorwaardelijke reconventie
3.4
[partij B] vordert – samengevat en na wijziging van eis – dat de rechtbank [partij A] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeelt tot betaling van een bedrag van
€ 22.766,23, te vermeerderen met rente en proceskosten. De vordering in reconventie is ingesteld onder de voorwaarde dat in conventie door de rechtbank wordt geoordeeld dat sprake is van opzegging van de aannemingsovereenkomst.
3.5
Aan deze vordering legt [partij B] ten grondslag dat [partij A] hem als gevolg van de opzegging van de overeenkomst een vergoeding uit hoofde van artikel 7:764 lid 2 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) verschuldigd is. Deze vergoeding bedraagt volgens [partij B]
€ 22.766,23 en bestaat uit: € 1.006,00 aan uitgevoerde sloopwerkzaamheden, € 9.599,79 aan uitgevoerde elektrawerkzaamheden, € 1.019,15 aan uitgevoerde egalisatiewerkzaamheden,
€ 7.500,00 aan verloren werkdagen en € 3.641,29 aan winst over het gehele werk.
3.6
[partij A] voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [partij B], dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [partij B], met veroordeling van [partij B] in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente. [partij A] herhaalt hetgeen hij in conventie heeft aangevoerd over de waarde van de uitgevoerde werkzaamheden, betwist de door [partij B] gestelde verloren werkdagen en de hoogte van de door [partij B] gehanteerde winstmarge en beroept zich op verrekening met de door hem aan [partij B] gedane (aan)betaling van € 19.710,24.
3.7
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

vooraf
4.1
Nadat de advocaat van [partij B] zich op 6 januari 2026 had onttrokken, heeft de rechtbank [partij B] op 2 maart 2026 gevraagd of zich een andere advocaat zou stellen voor hem. In de middag van 24 maart 2026 ontving de rechtbank van [partij B] in reactie daarop een verzoek om uitstel van de mondelinge behandeling met het oog op het zoeken van een nieuwe advocaat. Enkele minuten daarna ontving de rechtbank een nieuwe mail van [partij B] met de mededeling dat hij een nieuwe advocaat had gevonden, maar dat het voor deze advocaat niet haalbaar was om zich nog in te lezen en (voorbereid) aanwezig te zijn bij de mondelinge behandeling. De rechtbank heeft vervolgens telefonisch contact gezocht met [partij B] en uitgelegd dat een eventuele nieuwe advocaat zich eerst moet stellen en vervolgens een (gemotiveerd) uitstelverzoek namens hem kan indienen. De rechtbank heeft [partij B] erop gewezen dat zijn uitstelverzoek alleen dan in behandeling zou worden genomen, dat de mondelinge behandeling anders sowieso doorgang zou vinden en dat hij – als hij daar zonder advocaat zou verschijnen – ook zijn kant van het verhaal zou mogen toelichten, maar geen proceshandelingen zou mogen verrichten. De rechtbank heeft de rest van de middag geen bericht meer ontvangen van of namens [partij B].
4.2
Op de mondelinge behandeling van 25 maart 2026 is [partij B] zonder advocaat verschenen. De rechtbank heeft [partij B] toen nogmaals uitgelegd dat hij partij is in een zaak met verplichte procesvertegenwoordiging en dat hij – zonder advocaat – wel het recht heeft om het woord te voeren, maar geen proceshandelingen mag verrichten. [partij B] heeft verklaard dat te accepteren en de procedure zonder juridische bijstand te willen voortzetten. De zaak is vervolgens inhoudelijk besproken met beide partijen. Aan het eind van de mondelinge behandeling is vonnis bepaald.
4.3
Na afloop van de mondelinge behandeling is op de griffie van de rechtbank een
e-mail van [naam] binnengekomen, met de mededeling dat hij zich wenst te stellen voor [partij B]. Deze e-mail was op 24 maart 2026 al verstuurd, maar naar de informatiebalie en niet naar de griffie van kanton & handel. Als gevolg van deze onjuiste adressering heeft de rechtbank deze mail pas op 25 maart 2026 en na de mondelinge behandeling onder ogen gekregen. De rechtbank heeft op de mail geantwoord dat sprake is van een handelszaak, dat in een handelszaak alleen een advocaat zich kan stellen en dat [naam] niet op het advocatentableau staat. De rechtbank heeft verder medegedeeld dat de mondelinge behandeling al had plaatsgevonden – in aanwezigheid van [partij B] – en dat al vonnis was bepaald. Hierop is geen reactie meer gekomen.
4.4
De rechtbank ziet in het voorgaande geen aanleiding om af te wijken van hetgeen met partijen is besproken aan het eind van de mondelinge behandeling, namelijk dat vonnis wordt gewezen, en wel op basis van de processtukken van beide zijden – van de zijde van [partij B] zijn alle processtukken immers door zijn voormalig advocaat ingediend – en op basis van hetgeen partijen tijdens de mondelinge behandeling naar voren hebben gebracht.
in conventie
4.5
De overeenkomst tussen partijen moet worden aangemerkt als een aannemingsovereenkomst. Dat is tussen partijen ook niet in geschil. Evenmin is in geschil dat deze overeenkomst door [partij A] is beëindigd. De kern van het geschil is hoe en wanneer de overeenkomst is geëindigd en op welke wijze partijen de beëindiging financieel moeten afwikkelen.
Hoe en wanneer is de aannemingsovereenkomst tussen partijen geëindigd?
[partij A] heeft de aannemingsovereenkomst niet op 1 september 2023 beëindigd
4.6
De rechtbank constateert dat partijen een heel andere lezing hebben over het verloop van de werkzaamheden in de eerste maanden. Volgens [partij A] was er een planning met als streefdatum 1 september 2023 en hield [partij B] zich niet aan deze planning. Volgens [partij B] was het echter [partij A] die ervoor zorgde dat de planning en de streefdatum niet werden gehaald door werkzaamheden uit te stellen en het voorbereidende werk niet tijdig klaar te hebben, waardoor [partij B] pas later dan gepland kon beginnen. Wie de oorzaak is van de vertraging in deze eerste maanden, kan in het midden blijven. Partijen zijn het er namelijk over eens dat 1 september 2023 slechts een streefdatum was en geen harde opleverdatum en dat het enkele verstrijken van deze datum [partij A] niet de bevoegdheid gaf om de overeenkomst te ontbinden.
4.7
Waar partijen het niet over eens zijn, is hoe dan het bericht dat [partij A] op
1 september 2023 aan [partij B] heeft gestuurd, moet worden geduid. [partij B] betoogt dat [partij A] de aannemingsovereenkomst met dat bericht heeft beëindigd (‘ontbonden’). Omdat [partij A] toen niet tot ontbinding gerechtigd was, moet de beëindiging worden aangemerkt als opzegging, aldus [partij B]. [partij A] betoogt dat zijn bericht van
1 september 2023 geen beëindiging van de aannemingsovereenkomst inhield, maar slechts gericht was op nader overleg over de planning.
4.8
De rechtbank is van oordeel dat [partij B] [partij A] bericht van 1 september 2023 redelijkerwijs niet heeft mogen opvatten als gericht op de beëindiging van de overeenkomst. Voorop staat dat het bericht moet worden gelezen in het licht van de eerdere correspondentie tussen partijen. Vast staat dat partijen vlak voor dit bericht naar elkaar hadden uitgesproken de discussie over de vertraging in de werkzaamheden achter zich te willen laten en de samenwerking te willen voortzetten. Op 31 augustus 2023 stelt [partij B] vervolgens voor om op 29 september 2023 de planning door te nemen en om vanaf 16 oktober 2023 de werkzaamheden voort te zetten. [partij A] reageert daar vervolgens op met zijn bericht van 1 september 2023. Het standpunt van [partij B] is dat de eerste zin van dit bericht (
“Gezien de data die je me stuurt zal ik jammergenoeg genoodzaakt zijn om de werkzaamheden te ontbinden.”) een duidelijke verklaring gericht op beëindiging van de overeenkomst is. Dit is echter niet de volledige inhoud van het bericht. Hierna vraagt [partij A] aan [partij B] of hij kan kijken of hij de overeengekomen werkzaamheden tóch eerder kan voortzetten en laat hij weten dat ze het project dan alsnog met elkaar kunnen afronden:
“Onze huur is opgezegd per 1 oktober en ook zal de keuken in week geplaatst worden. Hiermee rekening houdende zou de vloer daarvoor al gelegd moeten zijn en voor
1 oktober de badkamers. Als jij nog een keer hier naar zou willen kijken of dit voor jullie ook haalbaar is, dan zou dat erg fijn zijn en kunnen we het zo alsnog met elkaar afronden.”De insteek van deze passage is juist de voortzetting van de overeenkomst, althans in elk geval het samen uitzoeken of dat nog mogelijk is. Het bericht van 1 september 2023 is daarmee dus niet duidelijk en ondubbelzinnig gericht op het beëindigen van de overeenkomst. Gelet hierop en gelet op het gegeven dat partijen in de dagen daarvoor nadrukkelijk naar elkaar hadden uitgesproken de samenwerking te willen voorzetten, mocht [partij B] er niet zomaar van uitgaan dat het bericht van 1 september 2023 betekende dat [partij A] de overeenkomst wilde beëindigen. Hij had dit op zijn minst bij [partij A] moeten navragen. Dit geldt te meer, nu de gedragingen van [partij A] na dit bericht er geenszins op wezen dat hij de overeenkomst wilde beëindigen. Integendeel, [partij A] heeft tijdens de mondelinge behandeling namelijk onweersproken aangevoerd dat hij in de dagen na
1 september 2023 meermalen aan [partij B] heeft laten weten dat hij de overeenkomst sowieso wilde voortzetten en dat hij ook meerdere keren heeft geprobeerd om met [partij B] om tafel te gaan om een planning te maken voor de nog te verrichten werkzaamheden, maar dat [partij B] dit steeds weigerde.
4.9
Gelet het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat [partij B] [partij A] bericht van 1 september 2023 redelijkerwijs niet heeft mogen opvatten als gericht op de beëindiging van de overeenkomst. De overeenkomst liep dus na 1 september 2023 nog door en partijen waren dus ook na 1 september 2023 nog gehouden tot nakoming van hun verplichtingen uit de overeenkomst.
[partij A] heeft de overeenkomst op 23 november 2023 rechtsgeldig ontbonden
4.1
[partij A] stelt echter dat [partij B] na 1 september 2023 weigerde om nog met hem in overleg te treden en de werkzaamheden voort te zetten. [partij B] heeft dit tijdens de mondelinge behandeling bevestigd. De reden hiervoor was, zo heeft hij toegelicht, dat hij vond dat hij niet meer hoefde na te komen omdat [partij A] de overeenkomst op
1 september 2023 al had beëindigd. De rechtbank heeft hiervoor al overwogen dat [partij B] [partij A] bericht van 1 september 2023 niet zo heeft mogen opvatten en dat de overeenkomst na die datum nog doorliep. [partij B] was dus ook na 1 september 2023 nog gehouden tot nakoming van zijn verplichtingen uit de overeenkomst. Het weigeren om de overeengekomen werkzaamheden voort te zetten levert dan ook een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst op. [partij B] is dit tegenover [partij A] blijven weigeren en heeft vervolgens ook op de ingebrekestelling niet tijdig en niet toereikend gereageerd. Hij heeft immers niet binnen de daarin genoemde termijn van zeven dagen (uiterlijk
3 november 2023) een planning aangeleverd en ook in zijn mail van 5 november 2023 heeft hij zich niet bereid verklaard tot nakomen, maar alleen (nogmaals) herhaald dat de overeenkomst al door [partij A] was beëindigd. Gelet op het voorgaande is [partij B] (in elk geval) op 4 november 2023 – de dag na het verstrijken van de in de ingebrekestelling genoemde termijn – in verzuim komen te verkeren. [partij A] was vanaf toen dus gerechtigd om de overeenkomst te ontbinden, wat hij vervolgens op 23 november 2023 heeft gedaan.
4.11
De conclusie is dus dat de aannemingsovereenkomst op 23 november 2023 is beëindigd door ontbinding van de zijde van [partij A].
De gevolgen van de ontbinding van de aannemingsovereenkomst
4.12
De vraag die partijen vervolgens verdeeld houdt, is wat de gevolgen zijn van de ontbinding van de overeenkomst. De rechtbank overweegt als volgt.
Ongedaanmakingsverbintenissen
4.13
De ontbinding van de aannemingsovereenkomst heeft tot gevolg dat:
  • [partij A] niet meer gehouden is om de rest van de overeengekomen offerteprijs te betalen;
  • [partij B] de overeengekomen werkzaamheden niet meer hoeft af te maken;
  • voor beide partijen een verbintenis tot ongedaanmaking is ontstaan van de door hen al ontvangen prestaties. Voor zover de aard van de prestatie uitsluit dat zij ongedaan wordt gemaakt, moet de waarde van die prestatie worden vergoed.
4.14
Niet in geschil is dat [partij A] een bedrag van
€ 19.710,24aan [partij B] heeft (aan)betaald. Op [partij B] rust de verplichting tot ongedaanmaking van deze prestatie, dat wil zeggen: tot terugbetaling van dit bedrag aan [partij A]. Daar staat tegenover dat [partij B] ook prestaties heeft geleverd. Hij heeft namelijk werkzaamheden uitgevoerd in de woning van [partij A], te weten: een deel van de overeengekomen sloop-, elektra- en egalisatiewerkzaamheden. Deze werkzaamheden kunnen naar hun aard niet ongedaan worden gemaakt. Daarom moet [partij A] de waarde van deze werkzaamheden aan [partij B] vergoeden. De rechtbank zal hieronder de waarde van deze werkzaamheden bepalen. Daarbij zal de rechtbank – zoals partijen dat in hun processtukken ook hebben gedaan – eerst de objectieve waarde bepalen: de waarde die bij een deugdelijke uitvoering in het economische leven aan de verrichte prestaties wordt toegekend. In dit kader draagt [partij B] de stelplicht als de partij die zich beroept op het rechtsgevolg van artikel 6:272 BW Pro: vergoeding van de waarde van zijn prestaties. [2] Vervolgens zal worden ingegaan op de door [partij A] gevorderde schadevergoeding voor de door hem gestelde gebreken in de elektra- en egalisatiewerkzaamheden. [partij A] draagt de stelplicht voor het bestaan van deze gebreken.
De (objectieve) waarde van de werkzaamheden
- sloopwerkzaamheden
4.15
Partijen zijn het erover eens dat de sloopwerkzaamheden die [partij B] heeft uitgevoerd, een waarde hebben van
€ 1.006,00. De rechtbank gaat hier dan ook van uit.
- elektrawerkzaamheden
4.16
Niet in geschil is dat de elektrawerkzaamheden van [partij B] betrekking hebben gehad op het realiseren van 16 stopcontacten op de eerste verdieping van de woning van [partij A]. [partij B] heeft daarvoor sleuven gefreesd, pvc-buizen aangebracht, bedrading getrokken en vervolgens de sleuven weer dichtgesmeerd. [partij B] heeft zijn werkzaamheden ten behoeve van deze 16 stopcontacten echter niet voltooid, want toen hij zijn werkzaamheden neerlegde, was de bedrading nog niet aangesloten en waren de wandcontactdozen nog niet gemonteerd, zo is niet in geschil.
4.17
Partijen verschillen van mening over de objectieve waarde van de door [partij B] uitgevoerde elektrawerkzaamheden. [partij B] begroot de waarde op € 9.599,79. [partij A] begroot de waarde op € 2.000,00.
4.18
De rechtbank stelt voorop dat de door [partij B] begrote waarde aanzienlijk afwijkt van de door hem uitgebrachte en door [partij A] geaccepteerde offerte(s). In offerte [offertenummer 1] is voor de elektrawerkzaamheden op de eerste verdieping een bedrag van
€ 1.280,00 exclusief BTW opgenomen (uurloon: € 40,00 per uur). Partijen zijn het erover eens dat zij met dit bedrag een vaste aanneemsom waren overeengekomen voor het aanbrengen van 8 stopcontacten op de eerste verdieping. Volgens [partij A] zijn zij voor elk extra stopcontact een meerprijs van € 45,00 overeengekomen en volgens [partij B] een meerprijs van € 45,00 per stopcontact plus € 40,00 per uur. Ook als van dit laatste wordt uitgegaan, is niet te begrijpen waarom [partij B] aan werkzaamheden die betrekking hebben op twee keer zoveel stopcontacten (16 in plaats van 8) een ruim zeven keer zo hoge waarde toekent, terwijl hij niet heeft gesteld dat de 8 extra stopcontacten in verhouding meer tijd of materiaal hebben gekost dan de 8 oorspronkelijk overeengekomen stopcontacten.
4.19
[partij B] heeft het door hem begrote bedrag ook tijdens de mondelinge behandeling niet van een inzichtelijke onderbouwing voorzien. Hij heeft verwezen naar drie facturen die hij naar [partij A] heeft gestuurd. De eerste factuur ([factuurnummer 1]) ziet op sloopwerkzaamheden op de begane grond. Het bedrag op deze factuur (€ 640,00) is – zo heeft [partij B] tijdens de mondelinge behandeling ook erkend – al meegenomen bij de bepaling van de waarde van de sloopwerkzaamheden. Niet valt in te zien waarom dit bedrag dan (nogmaals) zou moeten worden meegenomen bij de bepaling van de waarde van de elektrawerkzaamheden op de eerste verdieping. De tweede factuur ([factuurnummer 2]) met een totaalbedrag van € 1.419,73 ziet op het plaatsen van 16 stroompunten op de eerste verdieping. De derde factuur ([factuurnummer 3]) met een bedrag van € 2.321,66 betreft een aanpassing van deze factuur, zo heeft de rechtbank uit de uitleg van [partij B] tijdens de mondelinge behandeling begrepen. Zonder nadere toelichting – die niet is gegeven – valt niet in te zien waarom naast de aangepaste factuur ook de oorspronkelijke factuur moet worden meegenomen in de berekening van de waarde van de door [partij B] verrichte elektrawerkzaamheden. [partij B] heeft verder nog aangevoerd dat zijn onderaannemers en hij nog bijna 100 uren extra hebben besteed aan elektrawerkzaamheden. 13,5 uur daarvan is in rekening gebracht met de door hem ingebrachte factuur [factuurnummer 4], de rest is niet in rekening gebracht, aldus [partij B]. Volgens [partij B] moeten deze uren ook worden meegenomen bij het bepalen van de waarde van de uitgevoerde elektrawerkzaamheden. [partij A] heeft echter betwist dat deze 100 extra uren zijn gemaakt en onweersproken aangevoerd dat hij factuur [factuurnummer 4] onder protest heeft betaald, omdat [partij B] dreigde de werkzaamheden stil te leggen bij het uitblijven van betaling. Gelet op deze betwisting had het op de weg van [partij B] gelegen om de door hem gestelde extra uren (nader) te verantwoorden en toe te lichten waaraan deze uren zijn besteed. Dat heeft hij echter nagelaten, terwijl de rechtbank hem hier tijdens de mondelinge behandeling meermalen naar heeft gevraagd.
4.2
Gevolg is dat de rechtbank in hetgeen [partij B] naar voren heeft gebracht alleen in factuur [factuurnummer 3] een concreet aanknopingspunt ziet voor de bepaling van de waarde van de elektrawerkzaamheden. Het met die factuur in rekening gebrachte bedrag
(€ 2.321,66) verschilt niet veel van het door [partij A] begrote bedrag (€ 2.000,00). Het factuurbedrag van € 2.321,66 gaat echter uit van
voltooideelektrawerkzaamheden. Niet in geschil is dat daarvan geen sprake is, zo is hiervoor in rechtsoverweging 4.16 al overwogen. Het is dan ook logisch dat de waarde van de daadwerkelijk uitgevoerde werkzaamheden (iets) lager uitkomt dan dit factuurbedrag. [partij A] heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat hij uitgaat van € 2.000,00 op basis van een berekening van een erkend installateur, die is uitgegaan van de stand van het werk op het moment van ontbinding van de overeenkomst – niet voltooid – en van een deugdelijke uitvoering. De rechtbank ziet daarin voldoende aanleiding om de berekening van de installateur te volgen en stelt de objectieve waarde van de uitgevoerde elektrawerkzaamheden vast op
€ 2.000,00.
- egalisatiewerkzaamheden
4.21
Niet in geschil is dat de egalisatiewerkzaamheden van [partij B] alleen betrekking hebben gehad op de (extra) ophoging van de verlaagde hal, sauna en garage. Partijen zijn het er verder over eens dat offerte [offertenummer 3] (
“Extra egalisatie ivm ophogen van de hal + sauna + garage”) gaat over deze werkzaamheden. In deze offerte is een bedrag van
€ 570,45 opgenomen voor het egaliseren van circa 30 m2 met een laagdikte van
5 millimeter. Partijen zijn het er ook over eens dat [partij B] geen 30 m2, maar 27,5 m2 heeft geëgaliseerd.
4.22
[partij B] betoogt dat bij de berekening van de waarde van zijn egalisatiewerkzaamheden niet kan worden uitgegaan van offerte [offertenummer 3]. In de offerte is namelijk gerekend met een lagere prijs dan hij normaal gesproken hanteert. Hij verwijst naar een offerte uit 2025 waarin hij een prijs van € 18,53 per m2 in rekening heeft gebracht bij een laagdikte van 3 millimeter. Omdat bij [partij A] een egalisatielaag van 6 millimeter is aangebracht, komt de waarde van zijn egalisatiewerkzaamheden volgens [partij B] uit op: € 18,53 x 27,5 x 2 = € 1.019,15.
4.23
[partij A] stelt zich op het standpunt dat wél moet worden uitgegaan van offerte [offertenummer 3]. Hij heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat hij vanuit de overeengekomen offerteprijs voor 30 m2 heeft teruggerekend en daarbij is uitgekomen op een waarde van € 463,35 bij een oppervlakte van 27,5 m2.
4.24
De rechtbank stelt voorop dat het bij de vaststelling van de waarde van de door [partij B] verrichte prestatie gaat om de waarde ten tijde van de ontvangst van de prestatie. De rechtbank hanteert hierbij als uitgangspunt de waarde die partijen zelf aan de prestatie hebben toegekend. Dat is het bedrag genoemd in de door [partij B] uitgebrachte en door [partij A] geaccepteerde offerte: € 570,45 voor het egaliseren van 30 m2 met een laagdikte van 5 millimeter. De rechtbank ziet in de omstandigheid dat [partij B] in 2025
– twee jaar later dus – bij een derde een hogere prijs in rekening heeft gebracht, geen aanleiding om te concluderen dat de met [partij A] overeengekomen offerteprijs niet de economische waarde van de prestatie ten tijde van haar ontvangst vertegenwoordigde. [partij B] heeft dat ook niet gesteld. Verder komt niet vast te staan dat, in afwijking van de offerte, een egalisatielaag van 6 millimeter in plaats van 5 millimeter is aangebracht. [partij B] heeft dit namelijk niet onderbouwd, terwijl dit door [partij A] is betwist. De rechtbank volgt [partij A] dan ook in zijn standpunt dat moet worden teruggerekend vanuit de offerteprijs van € 570,45 voor 30 m2 naar een prijs voor 27,5 m2. De rechtbank komt daarbij echter wel uit op een ander bedrag dan [partij A], namelijk: € 570,45 / 30 m2 x 27,5 m2 =
€ 522,92. De rechtbank zal de waarde van de uitgevoerde egalisatiewerkzaamheden dan ook vaststellen op dit bedrag.
Conclusie
4.25
[partij A] moet [partij B] voor de door hem uitgevoerde werkzaamheden een waardevergoeding betalen van in totaal:
sloopwerkzaamheden:
€ 1.006,00
elektrawerkzaamheden:
€ 2.000,00
egalisatiewerkzaamheden:
€ 522,92+
totaal: € 3.528,92
[partij A] heeft geen recht op schadevergoeding
4.26
[partij A] betoogt dat hij recht heeft op schadevergoeding, bestaande uit de kosten van herstel van de elektrawerkzaamheden (€ 2.057,00), de kosten van herstel van de egalisatiewerkzaamheden (€ 2.317,51) en compensatie voor zijn dubbele woonlasten gedurende drie maanden (€ 2.107,32).
Herstelkosten elektrawerkzaamheden
4.27
[partij A] stelt dat [partij B] de elektrawerkzaamheden ondeugdelijk heeft uitgevoerd door gebruik te maken van brandgevaarlijke bedrading. [partij B] heeft dit gemotiveerd betwist en aangevoerd dat de bedrading voldoet aan de normen, dat hij altijd van deze bedrading gebruik maakt en dat hij nooit klachten heeft gehad. Gelet op deze gemotiveerde betwisting had het op de weg van [partij A] gelegen om zijn stelling dat de door [partij B] gebruikte bedrading ondeugdelijk was (nader) te onderbouwen. Dit heeft [partij A] echter nagelaten. Het gevolg is dat niet komt vast te staan dat [partij B] de elektrawerkzaamheden ten behoeve van het realiseren van 16 stopcontacten ondeugdelijk heeft uitgevoerd. [partij A] heeft dan ook geen recht op de door hem in dit kader gevorderde schadevergoeding.
4.28
Ten overvloede overweegt de rechtbank nog dat [partij A], ook als wel sprake zou zijn van een ondeugdelijke uitvoering, geen recht zou hebben op de door hem gevorderde schadevergoeding. Nakoming is namelijk niet blijvend onmogelijk, met als gevolg dat [partij A] pas recht heeft op schadevergoeding als [partij B] in verzuim is. Omdat niet is gesteld of gebleken dat een van de in artikel 6:83 BW Pro genoemde omstandigheden zich heeft voorgedaan, is daarvoor een ingebrekestelling vereist. [partij A] heeft [partij B] weliswaar in gebreke gesteld, maar alleen in verband met de weigering van [partij B] om de overeengekomen werkzaamheden voort te zetten en de door hem gestelde ondeugdelijke uitvoering van de egalisatiewerkzaamheden. De ingebrekestelling had dus geen betrekking op het door [partij A] gestelde gebrek in de uitvoering van de elektrawerkzaamheden.
Herstelkosten egalisatiewerkzaamheden
4.29
[partij A] stelt dat [partij B] de egalisatiewerkzaamheden ondeugdelijk heeft uitgevoerd door zonder overleg mortel te smeren in de hal. Daardoor is volgens hem geen egaal resultaat bereikt. [partij B] heeft betwist dat hij niet heeft overlegd over het gebruik van mortel en dat zijn egalisatiewerkzaamheden geen egaal resultaat hebben opgeleverd. Hij heeft verder aangevoerd dat mortel een gebruikelijk egalisatiemiddel is. Gelet op deze betwisting had het op de weg van [partij A] gelegen om zijn stelling dat [partij B] de egalisatiewerkzaamheden ondeugdelijk heeft uitgevoerd (nader) te onderbouwen. Dit heeft [partij A] echter nagelaten. Gevolg is dat niet komt vast te staan dat sprake is van een ondeugdelijke uitvoering. [partij A] heeft dan ook geen recht op de door hem in dit kader gevorderde schadevergoeding.
Dubbele woonlasten
4.3
[partij A] maakt verder aanspraak op vergoeding van zijn dubbele woonlasten gedurende drie maanden, te rekenen vanaf de datum dat [partij B] in verzuim is komen te verkeren met de nakoming van zijn verplichtingen uit de aannemingsovereenkomst. [partij B] heeft betwist dat hij aansprakelijk is voor deze door [partij A] gestelde schade.
4.31
De rechtbank overweegt als volgt. [partij B] is alleen verplicht de schade te vergoeden die [partij A] heeft geleden
als gevolg vanzijn tekortkoming. [partij A] heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat de bouw sowieso veel trager is verlopen dan hij had ingeschat, dat bij de verbouwing meerdere partijen betrokken zijn geweest, dat ook een andere partij heeft gezorgd voor veel vertraging en dat de verbouwing nog steeds niet klaar is. De rechtbank kan op basis van deze stellingen van [partij A] niet vaststellen dat zijn dubbele woonlasten het gevolg zijn van de tekortkoming van [partij B], laat staan in welke mate. Gevolg is dat dit deel van de vordering van [partij A] wordt afgewezen.
[partij A] heeft wel recht op het bedrag van € 1.223,31 voor het herstel van de meterkast
4.32
[partij A] stelt dat de meterkast in zijn woning tijdens de werkzaamheden van [partij B] onherstelbaar is beschadigd en moest worden vervangen en dat hij en [partij B] een discussie hebben gevoerd over wie de veroorzaker van deze beschadigingen was. Volgens [partij B] was namelijk niet hij dat, maar een van de andere partijen die in de woning werkzaamheden uitvoerde. [partij A] stelt dat [partij B] uiteindelijk heeft aangeboden om de herstelkosten wel te vergoeden – om de discussie te beslechten – en dat hij daarmee akkoord is gegaan. Dit is tijdens de mondelinge behandeling door [partij B] bevestigd.
4.33
De rechtbank leidt uit het voorgaande af dat partijen (uiteindelijk) zijn overeengekomen dat [partij B] de herstelkosten voor de meterkast zou vergoeden. Vast staat dat dat nog niet is gebeurd. [partij B] heeft de door [partij A] gestelde hoogte van de herstelkosten niet betwist. De rechtbank zal dit deel van de vordering van [partij A] – een bedrag van
€ 1.223,31– daarom toewijzen.
Conclusie
4.34
De vordering van [partij A] zal worden toegewezen tot een bedrag van:
ongedaanmaking (aan)betaling [partij A]:
€ 19.710,24
waardevergoeding prestaties [partij B]:
€ 3.528,92-
overeengekomen betaling herstelkosten meterkast:
€ 1.223,31+
totaal: € 17.404,63
Wettelijke rente
4.35
[partij A] vordert de wettelijke handelsrente over de hoofdsom. Gesteld noch gebleken is echter dat sprake is van een handelsovereenkomst in de zin van artikel 6:119a BW. De rechtbank zal daarom in plaats van de wettelijke handelsrente de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro toewijzen.
4.36
De ingangsdatum van de verschuldigdheid van de wettelijke rente is, ook in het geval van een verbintenis tot ongedaanmaking als gevolg van de ontbinding van een overeenkomst, het moment waarop de schuldenaar met de nakoming van die verbintenis in verzuim is.
4.37
Over de ingangsdatum van de wettelijke rente over het bedrag van € 16.181,32 (de ongedaanmakingsverbintenis) overweegt de rechtbank het volgende. [partij A] heeft de aannemingsovereenkomst ontbonden op 23 november 2023. Met de ontvangst van die brief is de ongedaanmakingsverbintenis voor [partij B] ontstaan. Er dient dan ook te worden nagegaan of, en zo ja met ingang van wanneer, [partij B] in verzuim verkeerde ten aanzien van de nakoming van deze ongedaanmakingsverbintenis. [partij A] heeft [partij B] bij e-mail van 2 februari 2024 in gebreke gesteld en gesommeerd om binnen 14 dagen tot (terug)betaling over te gaan. Vast staat dat [partij B] niet binnen deze termijn heeft terugbetaald. Dit betekent dat [partij B] vanaf 17 februari 2024 in verzuim is, zodat de wettelijke rente vanaf die datum zal worden toegewezen.
4.38
Over de ingangsdatum van de wettelijke rente over het bedrag van € 1.223,31 (de verbintenis uit de overeenkomst met betrekking tot de betaling van de herstelkosten van de meterkast) overweegt de rechtbank het volgende. [partij A] heeft [partij B] in bovengenoemde mail van 2 februari 2024 ook op dit punt in gebreke gesteld en gesommeerd om binnen 14 dagen tot betaling over te gaan. Dat heeft [partij B] niet gedaan. Ook voor dit deel van de hoofdsom is het verzuim dus ingetreden op 17 februari 2024, zodat de wettelijke rente vanaf die datum zal worden toegewezen.
Buitengerechtelijke incassokosten
4.39
[partij A] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten op grond van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De hoofdvordering heeft echter slechts ten dele betrekking op één van de situaties waarin dit Besluit van toepassing is. De rechtbank zal de vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn daarom toetsen aan de voor de individuele delen van de vordering geldende vereisten.
4.4
Voor zover de hoofdvordering is gegrond op een tussen partijen gesloten overeenkomst tot betaling van een geldsom (de overeengekomen betaling door [partij B] van € 1.223,31 voor het herstel van de meterkast), is het Besluit van toepassing. [partij A] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat hiervoor buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Een enkele brief, zoals in dit geval de brief van
2 februari 2024, is voldoende. Conform het in het Besluit bepaalde tarief komt [partij A] voor dit deel van de vordering een vergoeding toe van € 183,50.
4.41
De rest van de hoofdvordering valt niet onder het toepassingsbereik van het Besluit. De rechtbank zal de vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn over dit deel van de hoofdvordering daarom toetsen aan de eisen voor dergelijke vorderingen, zoals die zijn geformuleerd in het Rapport BGK-integraal. Die eisen houden in dat [partij A] niet alleen moet stellen dat hij buitengerechtelijke incassokosten heeft gemaakt, maar ook dat hij moet stellen en specificeren dat die kosten zien op werkzaamheden die meer omvatten dan een enkele sommatie, het enkel doen van een schikkingsvoorstel of het inwinnen van inlichtingen. Dat laatste heeft [partij A] nagelaten. Voor dit deel van de vordering komt [partij A] daarom geen vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten toe.
4.42
Het bovenstaande leidt tot de conclusie dat de rechtbank van de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten een bedrag van € 183,50 zal toewijzen.
Proceskosten
4.43
[partij B] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [partij A] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
145,45
- griffierecht
1.374,00
- salaris advocaat
1.672,00
(2 punten × € 836,00)
- nakosten
296,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
3.487,45
4.44
[partij A] vordert de wettelijke handelsrente over de proceskosten. Aangezien proceskosten niet voortvloeien uit een handelsovereenkomst, is deze vordering niet toewijsbaar. De rechtbank zal de wettelijke rente over de proceskosten toewijzen zoals vermeld in de beslissing.
in voorwaardelijke reconventie
4.45
De vordering in reconventie is voorwaardelijk ingesteld, namelijk onder de voorwaarde dat in conventie door de rechtbank zou worden geoordeeld dat sprake is geweest van een opzegging van de aannemingsovereenkomst. De gestelde voorwaarde is niet vervuld. Hiervoor is namelijk overwogen dat de aannemingsovereenkomst door ontbinding – en niet door opzegging – is geëindigd. De rechtbank komt dan ook niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van de vordering in reconventie.
4.46
[partij A] heeft echter wel kosten moeten maken om zich te verweren tegen de vordering in voorwaardelijke reconventie en vordert veroordeling van [partij B] in deze kosten. Daarover dient de rechtbank wel een beslissing te nemen. [3] [partij B] heeft de vordering in reconventie ingesteld onder de voorwaarde dat hij zou worden gevolgd in zijn stelling in conventie dat de aannemingsovereenkomst door [partij A] is opgezegd. Gelet op deze samenhang van de gedingen in conventie en in reconventie ziet de rechtbank aanleiding om [partij B] – als de in conventie in het ongelijk gestelde partij – ook in de proceskosten van [partij A] in (voorwaardelijke) reconventie te veroordelen. Daarbij zal op het salaris gemachtigde een factor 0,5 worden toegepast.
De proceskosten van [partij B] in reconventie worden begroot op € 836,00 aan salaris gemachtigde (2 punten x factor 0,5 x € 836,00).
4.47
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De rechtbank
in conventie
5.1
veroordeelt [partij B] om aan [partij A] te betalen een bedrag van € 17.404,63, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag, met ingang van 17 februari 2024, tot de dag van volledige betaling,
5.2
veroordeelt [partij B] om aan [partij A] te betalen een bedrag van € 183,50 aan buitengerechtelijke kosten,
5.3
veroordeelt [partij B] in de proceskosten van € 3.487,45, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [partij B] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,
5.4
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 5.1 tot en met 5.3 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,
5.5
wijst het meer of anders gevorderde af,
in (voorwaardelijke) reconventie
5.6
verstaat dat de voorwaarde waaronder de vordering in reconventie is ingesteld, niet is vervuld zodat niet aan een beoordeling van de vordering in reconventie wordt toegekomen,
5.7
veroordeelt [partij B] in de proceskosten van € 836,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,
5.8
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 5.7. genoemde beslissing uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. N.P. Heisterkamp en in het openbaar uitgesproken op
27 mei 2026.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 6:271 en Pro 6:272 BW.
2.HR 18 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1156.
3.Hoge Raad 11 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO9673.