Uitspraak
RECHTBANK Overijssel
1.De procedure
- de dagvaarding van 24 januari 2025 met producties;
- de conclusie van antwoord in conventie en van eis in voorwaardelijke reconventie van 9 april 2025 met producties;
- de conclusie van antwoord in voorwaardelijke reconventie van 21 mei 2025 met producties;
- de akte eiswijziging in voorwaardelijke reconventie met aanvullende producties van 23 juli 2025;
- de onttrekking van mr. Gijlstra als advocaat van [partij B] van 6 januari 2026;
- de e-mail van 2 maart 2026 van de rechtbank aan [partij B] met het verzoek om te laten weten of zich een andere advocaat zal stellen voor hem;
- de e-mails van 24 maart 2026 van [partij B] aan de rechtbank met een verzoek om uitstel van de mondelinge behandeling;
- de e-mail van 24 maart 2026 van [naam] aan de rechtbank met de mededeling dat hij zich wenst te stellen voor [partij B];
- de mondelinge behandeling van 25 maart 2026, waarbij mr. Schoonhoven spreekaantekeningen heeft voorgedragen en de griffier aantekeningen heeft gemaakt van wat verder is besproken;
- het bericht van de rechtbank van 25 maart 2026 in reactie op de e-mail van
2.De feiten
- offerte [offertenummer 1] voor alle werkzaamheden op de eerste verdieping van de woning;
- offerte [offertenummer 2] voor alle werkzaamheden op de begane grond van de woning;
- offerte [offertenummer 3] voor extra egalisatiewerkzaamheden om een verlaagde vloer op te hogen.
- sloopwerkzaamheden;
- loodgieterswerkzaamheden;
- elektrawerkzaamheden;
- het plaatsen van een nieuwe voordeur;
- stucwerkzaamheden in de badkamer;
- het aanbrengen van beton cire in de badkamer(s) en toilet(ten);
- extra egalisatie om de verlaagde vloer van de hal, sauna en garage op te hogen;
- het sealen en egaliseren van de vloeren;
- het aanbrengen van vloerverwarming;
- het aanbrengen van een PU gietvloer.
3.Het geschil
4.De beoordeling
“Gezien de data die je me stuurt zal ik jammergenoeg genoodzaakt zijn om de werkzaamheden te ontbinden.”) een duidelijke verklaring gericht op beëindiging van de overeenkomst is. Dit is echter niet de volledige inhoud van het bericht. Hierna vraagt [partij A] aan [partij B] of hij kan kijken of hij de overeengekomen werkzaamheden tóch eerder kan voortzetten en laat hij weten dat ze het project dan alsnog met elkaar kunnen afronden:
“Onze huur is opgezegd per 1 oktober en ook zal de keuken in week geplaatst worden. Hiermee rekening houdende zou de vloer daarvoor al gelegd moeten zijn en voor
- [partij A] niet meer gehouden is om de rest van de overeengekomen offerteprijs te betalen;
- [partij B] de overeengekomen werkzaamheden niet meer hoeft af te maken;
- voor beide partijen een verbintenis tot ongedaanmaking is ontstaan van de door hen al ontvangen prestaties. Voor zover de aard van de prestatie uitsluit dat zij ongedaan wordt gemaakt, moet de waarde van die prestatie worden vergoed.
€ 19.710,24aan [partij B] heeft (aan)betaald. Op [partij B] rust de verplichting tot ongedaanmaking van deze prestatie, dat wil zeggen: tot terugbetaling van dit bedrag aan [partij A]. Daar staat tegenover dat [partij B] ook prestaties heeft geleverd. Hij heeft namelijk werkzaamheden uitgevoerd in de woning van [partij A], te weten: een deel van de overeengekomen sloop-, elektra- en egalisatiewerkzaamheden. Deze werkzaamheden kunnen naar hun aard niet ongedaan worden gemaakt. Daarom moet [partij A] de waarde van deze werkzaamheden aan [partij B] vergoeden. De rechtbank zal hieronder de waarde van deze werkzaamheden bepalen. Daarbij zal de rechtbank – zoals partijen dat in hun processtukken ook hebben gedaan – eerst de objectieve waarde bepalen: de waarde die bij een deugdelijke uitvoering in het economische leven aan de verrichte prestaties wordt toegekend. In dit kader draagt [partij B] de stelplicht als de partij die zich beroept op het rechtsgevolg van artikel 6:272 BW Pro: vergoeding van de waarde van zijn prestaties. [2] Vervolgens zal worden ingegaan op de door [partij A] gevorderde schadevergoeding voor de door hem gestelde gebreken in de elektra- en egalisatiewerkzaamheden. [partij A] draagt de stelplicht voor het bestaan van deze gebreken.
€ 1.006,00. De rechtbank gaat hier dan ook van uit.
voltooideelektrawerkzaamheden. Niet in geschil is dat daarvan geen sprake is, zo is hiervoor in rechtsoverweging 4.16 al overwogen. Het is dan ook logisch dat de waarde van de daadwerkelijk uitgevoerde werkzaamheden (iets) lager uitkomt dan dit factuurbedrag. [partij A] heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat hij uitgaat van € 2.000,00 op basis van een berekening van een erkend installateur, die is uitgegaan van de stand van het werk op het moment van ontbinding van de overeenkomst – niet voltooid – en van een deugdelijke uitvoering. De rechtbank ziet daarin voldoende aanleiding om de berekening van de installateur te volgen en stelt de objectieve waarde van de uitgevoerde elektrawerkzaamheden vast op
€ 2.000,00.
“Extra egalisatie ivm ophogen van de hal + sauna + garage”) gaat over deze werkzaamheden. In deze offerte is een bedrag van
€ 522,92. De rechtbank zal de waarde van de uitgevoerde egalisatiewerkzaamheden dan ook vaststellen op dit bedrag.
€ 1.006,00
€ 2.000,00
€ 522,92+
als gevolg vanzijn tekortkoming. [partij A] heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat de bouw sowieso veel trager is verlopen dan hij had ingeschat, dat bij de verbouwing meerdere partijen betrokken zijn geweest, dat ook een andere partij heeft gezorgd voor veel vertraging en dat de verbouwing nog steeds niet klaar is. De rechtbank kan op basis van deze stellingen van [partij A] niet vaststellen dat zijn dubbele woonlasten het gevolg zijn van de tekortkoming van [partij B], laat staan in welke mate. Gevolg is dat dit deel van de vordering van [partij A] wordt afgewezen.
€ 1.223,31– daarom toewijzen.
€ 19.710,24
€ 3.528,92-
€ 1.223,31+