Uitspraak
1.Procesverloop
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
18 juli 2025.
Hoge Raad
Derco Beheer en Derco B.V. sloten in 2009 opdrachtovereenkomsten met een maatschap, uitgevoerd door [verweerder 10] en een ander. Tijdens de uitvoering ontstond onenigheid over het handelen van de maatschap, onder meer vanwege het delen van vertrouwelijke informatie met de huisbankier Van Lanschot zonder medeweten van Derco. Derco sprak de overeenkomsten buitengerechtelijk ontbinding uit en stelde de maatschap aansprakelijk voor schade.
De rechtbank stelde vast dat de overeenkomsten terecht waren ontbonden en dat de maatschap tekort was geschoten, maar wees de schadevergoeding af wegens onvoldoende bewijs van geleden schade. Het hof bekrachtigde dit oordeel en wees ook een vordering tot terugbetaling van betaalde voorschotten af, omdat de prestatie niet waardeloos was.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof onterecht de feitelijke grondslag van het verweer heeft aangevuld door te oordelen over de waarde van de prestatie zonder dat de verweerders dit hadden aangevoerd. Tevens heeft het hof onvoldoende gemotiveerd waarom het niet op essentiële stellingen over gemaakte kosten als gevolg van normschending is ingegaan. De Hoge Raad vernietigt het arrest en verwijst de zaak terug naar het hof Amsterdam voor verdere behandeling en beslissing.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof Den Haag en verwijst de zaak naar het hof Amsterdam voor verdere behandeling en beslissing.