ECLI:NL:RBOVE:2026:325

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
27 januari 2026
Publicatiedatum
27 januari 2026
Zaaknummer
08.138965.25 (P)
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak van verdachte voor voorbereidingshandelingen tot terroristische misdrijven

Op 27 januari 2026 heeft de Rechtbank Overijssel uitspraak gedaan in de zaak tegen een verdachte die werd beschuldigd van het verrichten van voorbereidingshandelingen tot het plegen van diverse ernstige misdrijven met terroristisch oogmerk. De rechtbank sprak de verdachte vrij van deze beschuldigingen, omdat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs was om de tenlastelegging te ondersteunen. De zaak werd behandeld op openbare terechtzittingen op 12 augustus 2025, 28 oktober 2025 en 13 januari 2026. De officier van justitie had vrijspraak gevorderd voor het eerste feit, terwijl het tweede feit, bedreiging met een terroristisch misdrijf, als bewezen werd beschouwd. De rechtbank oordeelde dat de verdachte niet strafbaar was, omdat hij ten tijde van het feit onder invloed van een psychische stoornis verkeerde, zoals vastgesteld door een psychiater. De rechtbank heeft de verdachte ontslagen van alle rechtsvervolging en gelast de teruggave van in beslag genomen goederen. De beslissing is genomen in het kader van artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht, dat bedreiging met een terroristisch misdrijf strafbaar stelt.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Almelo
Parketnummer: 08.138965.25 (P)
Datum vonnis: 27 januari 2026
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1990 in [geboorteplaats] ,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
nu verblijvende bij [locatie] ,
[adres 1] .

1.Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 12 augustus 2025, 28 oktober 2025 en 13 januari 2026.
De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsvrouw mr. D.H. van Bommel, advocaat in Arnhem, naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:
feit 1:voorbereidingshandelingen heeft verricht tot het plegen van diverse ernstige misdrijven, te begaan met een terroristisch oogmerk;
feit 2:de Amerikaanse ambassade, de Tweede Kamer, Schiphol, de Rotterdamse Haven en de AIVD heeft bedreigd met het plegen van terroristische aanslagen.
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
1
hij op één of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 februari 2025 tot en met 6 mei 2025 te Enschede, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, opzettelijk, met het oogmerk om ter voorbereiding en/of ter bevordering van de/het te plegen misdrij(f)(ven) omschreven in artikel 83 en/of 289(a) en/of 288a en/of 157 en/of 176a en/of 176b van het Wetboek van Strafrecht, te weten: moord en/of doodslag en/of het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit feit iemands dood ten gevolge heeft,(te) begaan met een terroristisch oogmerk
- gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van het misdrijf zich en/of anderen heeft getracht te verschaffen en/of
- één of meer voorwerp(en) voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, wist dat deze bestemd was/waren tot het plegen van het misdrijf en/of
- plannen voor de uitvoering van het misdrijf, welke bestemd zijn om aan anderen te worden medegedeeld, in gereedheid heeft gebracht of onder zich heeft gehad,
immers heeft hij(ten behoeve van één of meer (te plegen) aanslag(en))
a. zich het radicaal islamitisch extremistisch gedachtegoed eigen gemaakt en/of
b. met (een) ander(en) perso(o)n(en) gecommuniceerd en/of emailberichten gedeeld, met betrekking tot en/of inhoudende (onder meer) (gewelddadig) optreden in en tegen Nederland en diens ongelovige bevolking en/of
c. plannen beschreven en een lijst met targets opgesteld en/of
d. telefonisch een of meer aanslagen aangekondigd;
2
Hij op of omstreeks 6 mei 2025 te Enschede, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, de US Ambassade te Den Haag en/of de Tweede Kamer en/of Schiphol en/of Rotterdam(se) haven en/of de AIVD te Zoetermeer, althans diens medewerkers mondeling heeft bedreigd met een terroristisch misdrijf, door
- telefonisch een medewerker van de AIVD op de hoogte te brengen dat hij verdachte, die dag om 16 uur een aanslag zou plegen op de Tweede Kamer, en/of Schiphol en/of luchthaven Rotterdam en/of AIVD in Zoetermeer en/of Amerikaanse ambassade in Den Haag en/of
- telefonisch een medewerker van de Nederlandse Ambassade te Washington een bericht doorgeeft zijnde “dat de US Ambassade in Den Haag, de Tweede Kamer Schiphol, Rotterdam en AIVD wordt aangevallen. Ze worden morgen aangevallen, terroristische aanval.”
althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

3.De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4.De bewijsmotivering

4.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft voor het onder 1 tenlastegelegde feit vrijspraak gevorderd. Het onder 2 tenlastegelegde feit kan wettig en overtuigend bewezen worden verklaard.
4.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit dat verdachte van het onder 1 en 2 tenlastegelegde moet worden vrijgesproken.
4.3
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1
Feit 1
De rechtbank is, in navolging van de standpunten van de officier van justitie en de raadsvrouw, van oordeel dat verdachte van het onder 1 tenlastegelegde moet worden vrijgesproken omdat voldoende wettig en overtuigend bewijs ontbreekt.
De rechtbank overweegt daarbij het volgende.
Verdachte ontkent dit feit. De bij hem aangetroffen e-mailberichten, documenten en de door hem telefonisch aangekondigde aanslagen zijn onvoldoende voor het aannemen van opzet op voorbereidings- of bevorderingshandelingen van het plegen van een of meer misdrijven met terroristisch oogmerk zoals is tenlastegelegd: moord, doodslag, brandstichting of het teweeg brengen van een ontploffing. Dat verdachte zich het radicaal islamitisch extremistisch gedachtegoed eigen heeft gemaakt kan bovendien evenmin worden vastgesteld.
4.3.2
Feit 2
Verdachte bekent dat hij de ten laste gelegde telefoongesprekken heeft gevoerd.
Het verweer van de verdediging is tweeledig en komt er op neer dat (a) van de door verdachte gedane telefonische mededelingen niet kan worden gezegd dat zij tot doel hadden en geschikt waren om vrees aan te jagen en (b) de bruikbaarheid voor het bewijs van het ambtsbericht van de AIVD wordt betwist.
4.3.2.1 De vaststelling van de feiten en omstandigheden
Op grond van de inhoud van het dossier en de behandeling ter terechtzitting stelt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden vast.
Verdachte belt op 6 mei 2025 thuis in [plaats] met de AIVD. In het telefoongesprek met een medewerker van de AIVD zegt hij dat hij die dag om 16.00 uur een aanslag zal plegen op de Tweede Kamer, Schiphol, de luchthaven Rotterdam, de AIVD in Zoetermeer en de Amerikaanse ambassade in Den Haag. De AIVD brengt de Politie Oost-Nederland mondeling van dit telefoongesprek op de hoogte en bevestigt het schriftelijk, in de vorm van een ambtsbericht.
Naar aanleiding van de mondelinge melding wordt onmiddellijk een telefoontap geplaatst op het nummer waarmee verdachte had gebeld. Die tap levert het volgende gesprek op. Op 6 mei 2025 om 18:41:59 neemt verdachte, nog steeds thuis in [plaats] , telefonisch contact op met de Nederlandse ambassade in Washington, Verenigde Staten, en deelt in het Engels aan een medewerker het volgende (vertaald in het Nederlands) mee: “Ik heb een bericht dat de US Ambassade in Den Haag, de Tweede Kamer Schiphol, Rotterdam en AIVD wordt aangevallen. Ze worden morgen aangevallen, terroristische aanval”.
De politie neemt daags erna contact op met de ambassade en spreekt met de plaatsvervangend operationeel manager die vertelt dat de medewerker met wie het gesprek was gevoerd, geschrokken was van het “vreemde” telefoongesprek en dat de ambassade nog geen verdere actie had ondernomen.
4.3.2.2 Beoordelingskader bedreiging met een terroristisch misdrijf
De vraag is of op basis van de vastgestelde feiten en omstandigheden de ten laste gelegde bedreiging met een terroristisch misdrijf bewezen verklaard kan worden.
Voor een bewezenverklaring van de in art. 285, derde lid, Sr strafbaar gestelde bedreiging met een terroristisch oogmerk is vereist dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde in redelijkheid de vrees kon ontstaan (a) dat het misdrijf waarmee wordt gedreigd een terroristisch misdrijf betreft en (b) dat dit misdrijf ook zou worden uitgevoerd. Gelet op de omschrijving van een terroristisch oogmerk in art. 83a Sr brengt dit voor de terroristische misdrijven die dit oogmerk vereisen mee dat voor een veroordeling wegens bedreiging met zo een terroristisch misdrijf is vereist dat uit de bewijsvoering blijkt dat bij de bedreigde in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat het misdrijf dat zou worden uitgevoerd erop was gericht (i) de bevolking of een deel van de bevolking van een land ernstige vrees aan te jagen, dan wel (ii) een overheid of internationale organisatie wederrechtelijk te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden, dan wel (iii) de fundamentele politieke, constitutionele, economische of sociale structuren van een land of een internationale organisatie ernstig te ontwrichten of vernietigen. Daarnaast is voor zo een veroordeling vereist dat het - tenminste voorwaardelijke - opzet van de verdachte erop was gericht deze vrees te laten ontstaan. [1]
4.3.2.3 Toepassing beoordelingskader op vastgestelde feiten en omstandigheden
Verdachte heeft de medewerkers van de AIVD en de Nederlandse ambassade in vrijwel gelijkluidend bewoordingen medegedeeld dat er op een specifieke datum en tijd (terroristische) aanslagen zouden plaatsvinden. Die aanslagen zouden diezelfde dag, respectievelijk de dag erna, plaatsvinden. Aanslagen op openbare en druk bezochte plekken: de luchthavens van Rotterdam en Schiphol. Aanslagen ook op overheidsinstellingen zoals de Tweede Kamer, de AIVD en de ambassade van de Verenigde Staten. Hij deed dit op het moment dat, zoals algemeen bekend, strenge veiligheidsmaatregelen werden getroffen in aanloop naar de NATO-top in Nederland in juni 2025 in Den Haag. Verdachte was zich daarvan ook bewust, hetgeen de rechtbank afleidt uit de vermelding van die top in de aantekeningen van verdachte. [2]
Bij de bedreigde medewerker van de AIVD kón niet alleen in redelijkheid de vrees ontstaan dat de aanslagen waarmee werd gedreigd zouden worden uitgevoerd, maar deze medewerker vreesde dat ook daadwerkelijk. De AIVD nam immers de dreiging zeer serieus en verwittigde onmiddellijk de politie die op haar beurt direct tot opsporing overging en daarmee het tweede telefoongesprek met de ambassademedewerker onderschepte. Die medewerker was geschrokken, maar nog afgezien daarvan: ook deze mededeling kon in redelijkheid de vereiste vrees doen ontstaan. Desondanks zal de rechtbank van het tweede gedachtestreepje vrijspreken, hetgeen hierna wordt uitgelegd.
De inhoud van de bedreigingen (met (terroristische) aanslagen) was onmiskenbaar gericht op het ernstig vrees aanjagen van de bevolking en daarmee als terroristisch misdrijf te kwalificeren, waarbij de rechtbank van oordeel is dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat deze vrees zou ontstaan.
4.3.2.4 Het (ambts)bericht van de AIVD als bewijsmiddel
De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit en daartoe aangevoerd (a) dat het telefoongesprek met de AIVD niet gecontroleerd kan worden en (b) dat een ambtsbericht van de AIVD in beginsel niet als bewijs kan worden gebruikt.
( a)
Betrouwbaarheid
Voor zover de raadsvrouw heeft bedoeld de betrouwbaarheid van de mondelinge en daarop volgende schriftelijke mededeling van de AIVD over de inhoud van het telefoongesprek te betwisten, is dat verweer onvoldoende onderbouwd. De rechtbank heeft bovendien geen enkele aanleiding aan de betrouwbaarheid van de AIVD-informatie te twijfelen.
( b)
Bruikbaarheid
De AIVD heeft eerst mondeling en daarna schriftelijk aan de politie bericht wat de inhoud van het gesprek met verdachte is geweest. De AIVD communiceert middels ambtsberichten. Over de bruikbaarheid voor het bewijs van dergelijke ambtsberichten is vaste rechtspraak gevormd. Die rechtspraak bevat in de kern als boodschap aan de feitenrechter dat met de nodige behoedzaamheid beoordeeld moet worden of een concreet ambtsbericht voor het bewijs kan worden gebezigd.
Maar, de in deze zaak als ambtsbericht gepresenteerde informatie is niet een ambtsbericht dat de samenvatting is van eigen onderzoek door de AIVD als waarvan in de rechtspraak over het algemeen gediscussieerd wordt. Het is in feite niet meer dan een telefoonnotie van een door een medewerker van de AIVD ontvangen enkel telefoontje. Tegen het gebruik daarvan voor het bewijs in een strafzaak bestaat geen enkel rechtens te respecteren bezwaar. Het verweer wordt verworpen.
4.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de opgenomen bewijsmiddelen in de bijlage, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:
2.
hij op
of omstreeks6 mei 2025 te Enschede,
in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, de US Ambassade te Den Haag en/of de Tweede Kamer en/of Schiphol en/of Rotterdam(se) haven en/ofde AIVD te Zoetermeer
, althans diens een medewerker van de AIVD en een medewerker van de Nederlandse ambassade in Washingtonmondeling heeft bedreigd met een terroristisch misdrijf, door
- telefonisch een medewerker van de AIVD op de hoogte te brengen dat hij verdachte, die dag om 16 uur een aanslag zou plegen op de Tweede Kamer en
/ofSchiphol en
/ofluchthaven Rotterdam en/
ofAIVD in Zoetermeer en
/ofAmerikaanse ambassade in Den Haag
en/of- telefonisch een medewerker van de Nederlandse Ambassade te Washington een bericht door te geven “dat de US Ambassade in Den Haag, de Tweede Kamer Schiphol, Rotterdam en AIVD wordt aangevallen. Ze worden morgen aangevallen, terroristische aanval.”.
De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.
Ten aanzien van het ten laste gelegde onder het tweede gedachtestreepje oordeelt de rechtbank dat dit
feitelijkedeel van de tenlastelegging bewezen verklaard kan worden maar dat in het
kwalificatievegedeelte van de tenlastelegging de medewerker van de Nederlandse ambassade niet in het impliciet primaire deel is opgenomen. De rechtbank zal verdachte vrijspreken van het onder het tweede gedachtestreepje ten laste gelegde omdat wettig en overtuigend bewijs ontbreekt dat de bedreiging gericht aan de medewerker van de Nederlandse ambassade in Washington de medewerker van de AIVD heeft bereikt.
De rechtbank heeft ook de overige in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

5.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in artikel 285 Sr. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:
feit 2
het misdrijf: bedreiging met een terroristisch misdrijf.

6.De strafbaarheid van verdachte

6.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op basis van de bevindingen van de psychiater op het standpunt gesteld dat als verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar moet worden beschouwd en moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
6.2
Het standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft bepleit dat verdachte, gelet op de bevindingen van de psychiater, ontoerekeningsvatbaar moet worden verklaard en heeft verzocht verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging.
6.3
Het oordeel van de rechtbank
6.3.1
Het Pro Justitia rapport van de psychiater
Voor de beantwoording van de vraag of verdachte strafbaar is voor het door hem gepleegde strafbare feit is het Pro Justitia rapport van 8 november 2025 van J.C. Laheij, psychiater, van belang.
Dit rapport houdt onder meer het volgende in. Verdachte is een sinds 2006 chronisch psychotische man die vanuit zijn schizofrenie met recidiverende decompensaties ten opzichte van zijn pre morbide functioneren (cognitief) minder belastbaar is. Hij is extra kwetsbaar gebleken bij spanningen. Bij een toename van zijn psychose worden de auditieve hallucinaties meer prominent, verdiept verdachte zich meer in bepaalde onderwerpen zoals spionage, is er een paranoïde gedachtegang (denkt hij een spion te zijn of dat anderen dat zijn en hem iets willen aandoen) en treden angst, agitatie en desorganisatie op.
Ten tijde van het tenlastegelegde waren er meerdere stressoren. Zo kwam verdachte rondom de periode van het ten laste gelegde terug uit Malawi waar hij een nieuwe relatie was aangegaan. Hij voelde een financiële druk om zijn nieuwe partner naar Nederland te laten komen, richtte zich niet meer op scholing, maar ging zich extra belasten door zijn dagbestedingsuren uit te breiden om meer werkritme te krijgen. Daarnaast was er stress door een verplichte inburgeringscursus en lukte het niet om een nieuw paspoort te krijgen. Tot slot was verdachte teleurgesteld over de zoveelste afwijzing door een universiteit. Verdachte voelde bij dit alles de druk om praktische zaken te regelen, omdat hij binnen enkele maanden weer naar Malawi terug wilde.
Uit de vele aangetroffen zoekopdrachten en handgeschreven teksten/steekwoorden blijkt dat verdachte in korte tijd erg gepreoccupeerd raakte met uiteenlopende onderwerpen van wiskundige cijferreeksen, exacte vakken, het universum tot aan de AIVD en aanslagen toe. Verdachte deed tevens psychotische uitlatingen zoals een spion te zijn en bekend te zijn bij verschillende spionagediensten. Feitelijk is echter in voorgaande maanden en jaren geen enkele aanwijzing dat verdachte politiek of religieus geëngageerd was of radicaliseerde. Ook was zijn denken en handelen niet logisch en dat wijst op desorganisatie en paranoïde: hij gaf aan een spion te zijn, wilde terroristische aanslagen rapporteren en plegen, maar nam desondanks zelf contact op met de AIVD. Het is voorstelbaar vanuit de kwetsbaarheid van
verdachte dat door de vele spanningen een psychotische decompensatie geluxeerd werd.
Hoewel er geen nauwkeurig delictscenario kan worden achterhaald doordat er geen goed zicht is gekomen op de belevingswereld en drijfveren van verdachte, was zijn gedachtegang en handelen in relatief korte tijd dermate afwijkend geworden ten opzichte van zijn alledaagse functioneren dat het niet anders te verklaren valt dan dat zijn keuzevrijheid volledig beïnvloed werd door een psychose. De psychische stoornis heeft het gedrag van verdachte beïnvloed ten tijde van het ten laste gelegde.
De psychiater adviseert om het aan verdachte het ten laste gelegde niet toe te rekenen.
6.3.2
De overwegingen en conclusie van de rechtbank
De rechtbank overweegt dat de psychiater gemotiveerd en op goede gronden tot het advies en de conclusies is gekomen. De rechtbank neemt deze over en is van oordeel dat bij verdachte ten tijde van het plegen van het strafbare feit sprake was van een psychische stoornis en dat hij het feit onder invloed daarvan heeft begaan. Het bewezenverklaarde feit kan daarom niet aan verdachte worden toegerekend en verdachte is dus niet strafbaar voor het bewezenverklaarde feit. De rechtbank zal verdachte ontslaan van alle rechtsvervolging.

7.Geen straf of maatregel

7.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat aan verdachte geen maatregel wordt opgelegd.
7.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit aan verdachte geen maatregel op te leggen.
7.3
Het oordeel van de rechtbank
De psychiater acht klinische behandeling van verdachte noodzakelijk om recidive te voorkomen. Het advies om de mogelijkheid van een zorgmachtiging te onderzoeken heeft niet tot het verzoek van de officier van justitie tot verlening van een dergelijke zorgmachtiging geleid. Ter terechtzitting is gebleken dat verdachte bereid is zich op vrijwillige basis te laten opnemen bij [locatie] en zich aan de behandeling daar te onderwerpen, om te beginnen een klinische behandeling en daarna poliklinische behandeling en verdere geïndiceerde hulpverlening. Verdachte ziet in dat hij (meer) hulp moet accepteren en dat hij zijn familieleden en vrienden moet betrekken bij (het omgaan met) zijn ziekte. Verdachte is gemotiveerd voor behandeling in een vrijwillig kader en heeft dit ook de afgelopen jaren laten zien. Hij is goed ingesteld op medicatie en is medicatietrouw.
Ter terechtzitting is verder gebleken dat verdachte op 14 januari 2026 bij [locatie] opgenomen kon worden. Om die opname mogelijk te maken is de voorlopige hechtenis geschorst met ingang van het moment van opname op 14 januari 2026 en is verdachte vanuit detentie naar [locatie] overgebracht.
Oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling is geen optie omdat er geen dubbelrapportage heeft plaatsgevonden. Het rapport van de psychiater geeft de rechtbank geen aanleiding daarvoor alsnog opdracht te geven, mede gelet op de inmiddels gerealiseerde vrijwillige opname van verdachte.
7.4
De inbeslaggenomen voorwerpen
De rechtbank is van oordeel dat de in beslag genomen telefoon, usb-sticks, computer, laptop en administratie niet kunnen worden verbeurdverklaard, omdat verbeurdverklaring een (bijkomende) straf is en aan verdachte geen straf kan worden opgelegd omdat hij wordt ontslagen van alle rechtsvervolging. De inbeslaggenomen voorwerpen kunnen ook niet worden onttrokken aan het verkeer, omdat deze niet van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.
De rechtbank zal daarom de teruggave aan verdachte gelasten van de onder hem in beslag genomen voorwerpen zoals vermeld op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst.
8. De voorlopige hechtenis
De rechtbank zal het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis per datum vonnis opheffen.

9.De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op het hiervoor genoemde wetsartikel.

10.De beslissing

De rechtbank:
vrijspraak
- verklaart niet bewezen dat verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
feit 2: het misdrijf: bedreiging met een terroristisch misdrijf
;
strafbaarheid verdachte
- verklaart verdachte niet strafbaar voor het onder 2 bewezen verklaarde en ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging;
de in beslag genomen voorwerpen
- gelast de teruggave aan verdachte van de inbeslaggenomen goederen zoals vermeld op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst;
opheffing bevel voorlopige hechtenis
- heft op het (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis op met ingang van heden.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.M.G. Ellenbroek, voorzitter, mr. R.A. Heblij en
mr. I. Piksen, rechters, in tegenwoordigheid van M.M. Diepenmaat, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 27 januari 2026.
Bijlage bewijsmiddelen
Leeswijzer
Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.
Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Oost-Nederland met nummer ONRAA25013 / LENTE25. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar pagina’s van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.
1.
Het proces-verbaal van de terechtzitting van 13 januari 2026, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van verdachte:
Het klopt dat ik op 6 mei 2025 telefonisch contact heb opgenomen met een medewerker van de AIVD en dat ik de bewoordingen heb geuit zoals aan mij ten laste gelegd. Ik heb dit gedaan vanuit mijn woning in [plaats] .
2.
Een schriftelijk bescheid als bedoeld in artikel 344, eerste lid, onder 3º Sv, te weten een ambtsbericht opgemaakt door de AIVD van 14 mei 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (pagina 100):
Dit betreft de schriftelijke bevestiging van het mondeling op 6 mei 2025 om 15.45
uur uitgebrachte ambtsbericht dat luidde:
De AIVD beschikt vanuit zijn wettelijke taakuitvoering over de volgende
betrouwbare informatie:
[verdachte] [geboortedatum] 1990, volgens GBA ingeschreven op adres [adres 2]
, belt vandaag rond 15.00 uur de dienst dat hij vandaag om 16.00 uur een aanslag gaat plegen op de Tweede Kamer, en/of Schiphol en/of luchthaven Rotterdam en/of AIVD in Zoetermeer en/of de Amerikaanse ambassade in Den Haag. Hij belt met telefoonnummer [telefoonnummer] .

Voetnoten

2.Dossier blz. 286, bijlage bij het verhoor waarin dit aan verdachte is voorgehouden.