Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2026:3280

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
10 juni 2026
Zaaknummer
08-243971-25 en 08-297613-25 (ttz. gev.) (P)
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 285 SrArt. 300 SrArt. 36f SrArt. 57 SrArt. 6:106 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling mishandeling met zwaar lichamelijk letsel en bedreiging penitentiair medewerker

Op 15 september 2025 heeft verdachte in een telecomwinkel in Enschede het slachtoffer met een krachtige vuistslag van achteren in het gezicht gestompt, wat heeft geleid tot ernstig en blijvend letsel aan het rechteroog van het slachtoffer. Verdachte werd vrijgesproken van opzet op zwaar lichamelijk letsel, maar schuldig bevonden aan mishandeling met zwaar lichamelijk letsel als gevolg.

Op 26 oktober 2025 bedreigde verdachte, terwijl hij in voorarrest was in de Penitentiaire Inrichting te Zwolle, een medewerker met woorden die verwezen naar zware mishandeling, wat wettig en overtuigend bewezen werd verklaard.

De rechtbank verwierp het beroep op noodweer en noodweerexces, oordeelde dat verdachte zich willens en wetens in een agressieve situatie begaf en dat zijn gedragingen strafbaar zijn. Verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier maanden, met aftrek van voorarrest, en tot betaling van een schadevergoeding van € 39.063,70 aan het slachtoffer, inclusief materiële en immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente. Tevens werd een schadevergoedingsmaatregel opgelegd waarbij de Staat de incasso verzorgt.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot vier maanden gevangenisstraf en betaling van ruim € 39.000 schadevergoeding voor mishandeling met zwaar lichamelijk letsel en bedreiging.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Almelo
Parketnummer: 08-243971-25 en 08-297613-25 (ttz. gev.) (P)
Datum vonnis: 9 juni 2026
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum 1] 1996 in [geboorteplaats],
zonder vaste woon- of verblijfplaats,
postadres: [adres].

1.Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 26 mei 2026.
De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door de uitdrukkelijk gemachtigde raadsman mr. R.J.H. van der Wal, advocaat in Hengelo (O), naar voren is gebracht. Verdachte is niet ter zitting verschenen.
Ook heeft de rechtbank kennis genomen van de door [slachtoffer] voorgedragen slachtofferverklaring en van wat namens de benadeelde partij [slachtoffer] door mr. D.J. von Rosenstiel, advocaat in Enschede, is aangevoerd.

2.De tenlastelegging

Parketnummer 08-243971-25
De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 15 september 2025 in Enschede [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht (
primair),dan wel heeft mishandeld met zwaar lichamelijk letsel als gevolg
(subsidiair).
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
hij op of omstreeks 15 september 2025 te Enschede
aan een ander, te weten [slachtoffer]
opzettelijk
zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, door die [slachtoffer] in het gezicht te
stompen;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij op of omstreeks 15 september 2025 te Enschede
[slachtoffer] heeft mishandeld, door die [slachtoffer] in het gezicht te stompen,
terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge had.
Parketnummer 08-297613-25
De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 26 oktober 2025 in Zwolle een medewerker van de penitentiaire inrichting heeft bedreigd.
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
hij op of omstreeks 26 oktober 2025 te Zwolle
een medewerker van de PI (medewerker [nummer]) heeft bedreigd
met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling,
door die medewerker dreigend de woorden toe te voegen "ik sla je tanden uit je bek
en/of ik sla het licht uit je ogen net als mijn slachtoffer en/of ik sla je net als mijn
slachtoffer hartstikke blind", althans woorden van gelijke dreigende aard of
strekking.

3.De bewijsmotivering

3.1
Parketnummer 08-243971-25
3.1.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.
3.1.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft primair bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde wegens een beroep op noodweer. Subsidiair bepleit de raadsman tot ontslag van alle rechtsvervolging wegens een beroep op noodweerexces. Meer subsidiair pleit de raadsman tot schuldigverklaring aan het subsidiair ten laste gelegde feit wegens het ontbreken van (voorwaardelijk) opzet op zwaar lichamelijk letsel, zoals primair ten laste gelegd.
3.1.3
Het oordeel van de rechtbank
De redengevende feiten en omstandigheden
De rechtbank stelt op basis van het dossier en het verhandelde ter zitting de volgende feiten en omstandigheden vast.
Op 15 september 2025 was aangever [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer]) samen met - onder meer - zijn broer [naam 1] (hierna: [naam 1]) werkzaam in een telecomwinkel in Enschede. Verdachte stond bij de ingang van de winkel en vroeg of hij zijn fiets in de winkel kon neerzetten. Kort nadat [slachtoffer] en [naam 1] deze vraag negatief beantwoordden, kwam verdachte de winkel binnen. Verdachte had een dreigende houding, was aan het schreeuwen en vertoonde agressief gedrag. Verdachte liep op [naam 1] af, ging neus aan neus met hem staan en maakte een slaande beweging in zijn richting. Daarna ontstond een worsteling, waarbij [slachtoffer] en [naam 1] samen met andere collega’s verdachte onder controle probeerden te houden. Op een gegeven moment liet [slachtoffer] verdachte los. Hij dacht dat de worsteling voorbij was. [slachtoffer] liep weg bij verdachte. Op dat moment stompte verdachte [slachtoffer], van achteren, hard met een vuist in zijn gezicht. [slachtoffer] viel door de vuistslag op de grond. Direct daarna verliet verdachte de winkel.
[slachtoffer] werd door verdachte geraakt bij zijn rechteroog. [slachtoffer] is diezelfde dag nog geopereerd vanwege een perforatie van zijn rechteroog. In de controles daarna werd er bloed en ook een netvliesloslating in het oog gezien. Op 29 september 2025 vond opnieuw een operatie plaats. Toen bleek sprake te zijn van een zeer ernstige netvliesloslating, waarbij enig herstel onmogelijk was. De oogarts heeft geconcludeerd dat het oog van [slachtoffer] niet meer zal herstellen.
Bewijsoverwegingen
De rechtbank overweegt het volgende. Niet wordt betwist dat verdachte [slachtoffer] in het gezicht heeft gestompt. De vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is hoe de gedraging van verdachte juridisch moet worden gekwalificeerd.
Primair: vrijspraak zware mishandeling
De rechtbank stelt voorop dat voor een zware mishandeling is vereist dat verdachte opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan het slachtoffer.
Naar het oordeel van de rechtbank kan op basis van de bewijsmiddelen niet worden vastgesteld dat verdachte [slachtoffer] heeft gestompt met als doel hem zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, zodat van vol opzet geen sprake is. De vervolgvraag is of sprake is van voorwaardelijk opzet. Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg, zoals in dit geval het zwaar lichamelijk letsel, is aanwezig indien verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het moet gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. [1]
Vast staat dat verdachte [slachtoffer], van achteren, met een gebalde vuist in zijn gezicht heeft gestompt en dat [slachtoffer] is geraakt op zijn rechteroog. De rechtbank stelt op basis van het letsel van [slachtoffer] alsook zijn verklaring en die van getuige [naam 1] verder vast dat verdachte met kracht heeft geslagen.
De rechtbank stelt voorop dat – bij de beoordeling van het voorwaardelijk opzet – niet in zijn algemeenheid kan worden gesteld dat een enkele krachtige vuistslag op het hoofd of in het gezicht de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel in het leven roept. Bijkomende omstandigheden – zoals specifieke gerichtheid van de vuistslag, concrete fixatie van het slachtoffer of een onverwachte zijwaartse aanval – kunnen deze aanmerkelijke kans in het leven roepen. Van dergelijke omstandigheden geeft het dossier onvoldoende blijk. Daarbij overweegt de rechtbank dat door getuige [naam 1] is verklaard dat [slachtoffer] van achteren door verdachte is gestompt. [slachtoffer] stond dus met zijn rug naar verdachte toe gekeerd toen verdachte hem met zijn vuist stompte. Hierdoor lijkt van een gerichte en gecoördineerde vuistslag op het oog geen sprake te zijn. Gelet op deze omstandigheden kan de rechtbank dan ook niet vaststellen dat door het handelen van verdachte er een aanmerkelijke kans bestond op zwaar lichamelijk letsel (het verlies van zicht aan een oog), en of verdachte die kans gelet op de aard van zijn gedragingen bewust heeft aanvaard. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van het primair ten laste gelegde.
Subsidiair: mishandeling met zwaar lichamelijk letsel als gevolg
Naar het oordeel van de rechtbank kan op basis van de bewijsmiddelen wel worden vastgesteld dat verdachte aangever heeft mishandeld door hem met kracht met gebalde vuist in het gezicht te stompen, als gevolg waarvan aangever zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Verdachte heeft bekend aangever in het gezicht te hebben gestompt, en gelet op de aard en ernst van het bij [slachtoffer] geconstateerde letsel, de noodzaak en aard van het medisch ingrijpen en het permanente verlies van zicht aan het rechteroog, is de rechtbank van oordeel dat sprake is van zwaar lichamelijk letsel.
Het beroep op noodweer(exces)
Onder mishandeling als bedoeld in artikel 300 van Pro het Wetboek van Strafrecht (Sr) moet worden verstaan ‘het aan een ander toebrengen van lichamelijk letsel zonder dat daarvoor een rechtvaardigingsgrond bestaat’. In het begrip mishandeling ligt de wederrechtelijkheid van de gedraging besloten. De bewijsvraag omvat dus ook de beoordeling van het gevoerde noodweerverweer. Omwille van de overzichtelijkheid wordt hieronder ook het (subsidiair) gevoerde noodweerexcesverweer behandeld.
Zowel het beroep op noodweer, als het beroep op noodweerexces kunnen naar het oordeel van de rechtbank niet slagen, hetgeen hierna zal worden toegelicht. De rechtbank stelt voorop dat voor een geslaagd beroep op noodweer(exces) is vereist dat aannemelijk is geworden dat het feit is begaan, geboden door de noodzakelijke verdediging tegen een (dreigende) ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van iemands eigen of een anders lijf, eerbaarheid of goed.
De rechtbank gaat uit van de volgende, aan wettige bewijsmiddelen ontleende, feiten en omstandigheden. Op 15 september 2025 kwam verdachte met een dreigende houding de telecomwinkel in Enschede binnen, waar op dat moment (onder meer) [slachtoffer] en [naam 1] werkzaam waren. Verdachte vertoonde fysiek en verbaal agressief gedrag. Verdachte liep op [naam 1] af, verhief zijn stem en ging neus aan neus voor hem staan, waarbij hij een slaande beweging in zijn richting maakte. Verdachtes houding bleef onverminderd agressief, waarop een worsteling ontstond tussen verdachte en verschillende winkelmedewerkers, waaronder ook het latere slachtoffer [slachtoffer]. De (gewelds)handelingen van de winkelmedewerkers waren erop gericht om verdachte onder controle te krijgen. Zij wilden dat verdachte de winkel zou verlaten. Op het moment dat de worsteling voorbij leek te zijn, gaf verdachte [slachtoffer] nog een harde vuistslag in zijn gezicht.
Hoewel uit bovenstaande feiten en omstandigheden blijkt dat meerdere winkelmedewerkers geweldshandelingen hebben verricht jegens verdachte, blijkt hieruit ook dat de handelingen van verdachte voorafgaand aan de worsteling (het verheffen van zijn stem, het neus aan neus staan en het maken van een slaande beweging) als aanvallend moeten worden beschouwd, en gericht waren of in ieder geval gericht leken op een confrontatie. Verdachte heeft zich dus willens en wetens in een situatie begeven waarin een fysieke en agressieve reactie van het latere slachtoffer te verwachten was. Gelet op deze gedragingen van verdachte voorafgaand aan de worsteling kan het beroep van verdachte op noodweer dan wel noodweerexces niet slagen (Vgl. ECLI:NL:HR:2010:BK4788 en ECLI:NL:HR:2016:456, rechtsoverweging 3.3, 3.6.1 en 3.7.2).
Conclusie
De rechtbank acht op grond van het voorgaande wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het subsidiair ten laste gelegde, mishandeling met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg.
3.2
Parketnummer 08-297613-25
3.2.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.
3.2.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde wegens het ontbreken van overtuigend bewijs.
3.1.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.
Op 26 oktober 2025 was de medewerker met nummer [nummer] (hierna: aangever) werkzaam bij de Penitentiaire Inrichting in Zwolle. Aangever was, net als verdachte, in de recreatieruimte aanwezig. Verdachte was onrustig en werd op enig moment door aangever uit de recreatieruimte naar zijn cel begeleid. Verdachte verzette zich daarbij hevig en riep: “Ik sla je tanden uit je bek” en “Ik sla het licht uit je ogen net als mijn slachtoffer”, waardoor aangever zich erg bedreigd voelde. Meerdere collega’s van aangever waren getuige van de bedreiging.
Conclusie
De rechtbank acht op grond van het voorgaande wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een bedreiging met zware mishandeling zoals tenlastegelegd. De rechtbank acht, anders dan de officier van justitie, niet bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, zodat de rechtbank verdachte van dit gedeelte van de tenlastelegging zal vrijspreken.
3.3
De bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaringen steunen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:
Parketnummer 08-243971-25
hij op 15 september 2025 te Enschede [slachtoffer] heeft mishandeld, door die [slachtoffer] in het gezicht te stompen, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge had;
Parketnummer 08-297613-25
hij op 26 oktober 2025 te Zwolle een medewerker van de PI (medewerker [nummer]) heeft bedreigd met zware mishandeling, door die medewerker dreigend de woorden toe te voegen "ik sla je tanden uit je bek en ik sla het licht uit je ogen net als mijn slachtoffer en/of ik sla je net als mijn slachtoffer hartstikke blind".
De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Zoals hiervoor reeds is besproken komt verdachte in de zaak met parketnummer 08-243971-26 geen beroep toe op noodweerexces. Er zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit en de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten.
Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 285 en 300 Sr. Het bewezenverklaarde levert op:
Parketnummer 08-243971-25
subsidiair
het misdrijf: mishandeling, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft;
Parketnummer 08-297613-25
het misdrijf: bedreiging met zware mishandeling.

5.De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

6.De op te leggen straf of maatregel

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman verzoekt de rechtbank - wanneer zij niet komt tot een vrijspraak of ontslag van alle rechtsvervolging - bij de strafmaat ten volle rekening te houden met de psychiatrische kwetsbaarheid van verdachte, het uitlokkende gedrag van het winkelpersoneel, waaronder het slachtoffer, en het ontbreken van een deskundigenrapport.
6.3
De gronden voor een straf of maatregel
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
De ernst van de feiten
Verdachte heeft zich ten eerste schuldig gemaakt aan de mishandeling van [slachtoffer], als gevolg waarvan die [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Verdachte heeft – als geoefend kickbokser – aan [slachtoffer] een harde vuistslag uitgedeeld. Van enige uitlokking – wat daar overigens ook van zij –, is niet gebleken. Verdachte heeft met zijn handelen een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van [slachtoffer], die blijvend het zicht aan zijn rechteroog volledig is verloren. In zijn slachtofferverklaring heeft [slachtoffer] ter zitting naar voren gebracht dat het door verdachte toegebrachte letsel tot op de dag van vandaag veel (negatieve) impact heeft op de warmte, plezier en vrijheid die hij ervaart in zijn leven. Slechts enkele weken na voornoemd geweldsincident heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan de bedreiging van een medewerker van de penitentiaire inrichting in Zwolle, waar verdachte op dat moment in voorarrest verbleef. Met zijn handelswijze heeft verdachte gevoelens van angst en onveiligheid teweeggebracht. De rechtbank acht het kwalijk dat verdachte in beide situaties op zeer agressieve en bedreigende wijze heeft gehandeld. De rechtbank rekent dit alles verdachte aan.
De persoon van verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte van 2 maart 2026. Hieruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Er is sprake van een recente veroordeling op 17 juni 2025 in Duitsland, waarvoor verdachte ten tijde van de bewezenverklaarde feiten nog in een proeftijd liep.
De rechtbank heeft verder kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 17 september 2025, opgemaakt door I.M. Bramer, reclasseringswerker bij Reclassering Nederland. Uit dit rapport, dat is opgesteld in het kader van de voorgeleiding bij de rechter-commissaris, komt naar voren dat verdachte is belast met persoonlijkheidsproblematiek welke in het verleden ook voor ernstige gedragsproblemen heeft gezorgd.
De rechtbank heeft ook acht geslagen op de “retourzending opdracht reclasseringsadvies” van reclasseringswerker [naam 2] van 1 oktober 2025 en van D. Meijer van 4 maart 2026. De rechtbank stelt vast dat het de reclassering niet gelukt is contact te leggen met verdachte. Verdachte heeft niet gereageerd op de herhaalde verzoeken van de reclassering om contact op te nemen en mee te werken aan een reclasseringsadvies. De rechtbank acht het vanwege de ernst van de zaak en het verontrustende beeld dat daaruit blijkt, zorgelijk dat de rechtbank slechts beperkt inzicht heeft kunnen verkrijgen in de persoon van verdachte alsook de eventuele noodzaak tot behandeling.
De op te leggen straf
De rechtbank houdt bij bet bepalen van de strafmodaliteit en strafmaat rekening met straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd en de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Gelet daarop, en gezien de ernst van de gepleegde feiten, kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Bij het bepalen van de duur hiervan weegt de rechtbank ook de volgende omstandigheden mee.
De rechtbank weegt als strafverzwarend mee dat verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten en dat hij ten tijde van de gepleegde feiten ook in een proeftijd liep. Desondanks heeft verdachte zich wederom schuldig gemaakt aan het plegen van strafbare feiten.
De rechtbank weegt ook mee dat verdachte op geen enkele wijze verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn gedrag en de gevolgen daarvan. Verdachte heeft geen blijk van inzicht gegeven in de ernst en de gevolgen van het door hem aangedane leed. De rechtbank rekent verdachte ook aan dat hij na schorsing van de voorlopige hechtenis per 30 oktober 2025 klaarblijkelijk is vertrokken naar het buitenland en niet is verschenen ter terechtzitting. Ook anderszins is niet gebleken dat verdachte thans nog bereikbaar is voor justitie en/of de reclassering.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat passend en geboden is aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht.

7.De schade van benadeelde

7.1
Parketnummer 08-243971-25
7.1.1
De vordering van de benadeelde partij
[slachtoffer], bijgestaan door mr. D.J. von Rosenstiel, heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 42.063,70, bestaande uit een bedrag van € 2.063,70 aan materiële schade en een bedrag van € 40.000, -- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan.
De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:
- eigen risico Menzis € 385,--
- reiskosten ziekenhuis Groningen € 412,50;
- reiskosten ziekenhuis Enschede € 30,--;
- parkeerkosten € 60,--;
- medicijnen € 44,--;
- brillen € 952,20;
- reiskosten oogarts € 90,--;
- deskundigenrapport oogarts € 90,--.
Ter vergoeding van proceskosten wordt een bedrag van € 4.136,39 gevorderd. Daarnaast is ten aanzien van de proceskosten een pro-memorie post in de vordering opgenomen.
7.1.2
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering van de benadeelde partij moet worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente.
7.1.3
Het standpunt van de verdediging
De raadsman stelt zich op het standpunt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vordering omdat door de verdediging vrijspraak is bepleit. In het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring komt refereert de raadsman zich ten aanzien van de materiële schade aan het oordeel van de rechtbank. Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade verzoekt de raadsman de rechtbank dit bedrag te matigen en naar billijkheid vast te stellen.
7.1.4
Het oordeel van de rechtbank
Materiële schade
Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is vast komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het bewezenverklaarde feit. De opgevoerde schadeposten zijn ook voldoende onderbouwd en de omvang ervan is niet betwist. De rechtbank zal daarom de gevorderde vergoeding van materiële schade van in totaal € 2.063,70 toewijzen, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente over die bedragen vanaf de datum waarop het feit is gepleegd, te weten 15 september 2025.
Immateriële schade
Ten aanzien van de gevorderde vergoeding van immateriële schade (smartengeld) is de rechtbank van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het handelen van verdachte immateriële schade heeft geleden. Op grond van artikel 6:106, aanhef en sub b van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding anders dan vermogensschade nu de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen.
In de namens de benadeelde partij aangevoerde uitspraak in 2022, waarin € 40.000, -- was toegewezen, was bij het slachtoffer sprake van meervoudig en uitvoeriger letsel dan bij [slachtoffer]. De rechtbank zal die uitspraak daarom niet als uitgangspunt nemen bij de begroting van de immateriële schade. De rechtbank heeft bij het bepalen van een billijk schadebedrag aansluiting gezocht bij de smartengeldbedragen die worden geïndiceerd in de Rotterdamse Schaal in het geval van volledig verlies van het zicht in één oog, zijnde bedragen tussen € 34.000, -- en € 37.000, --. De in de Rotterdamse Schaal vermelde bedragen zijn gebaseerd op de in de Nederlandse rechtspraak toegewezen smartengeldbedragen en geïndexeerd tot 1 juni 2025. De rechtbank acht het bedrag van € 37.000, -- in dit geval passend. De rechtbank overweegt daartoe dat [slachtoffer] als slachtoffer van mishandeling ernstig letsel aan zijn rechteroog heeft opgelopen, waardoor hij – ondanks twee operaties – het volledige zicht in dat oog heeft verloren. Uit zijn verklaring ter terechtzitting volgt dat hij langere tijd pijn heeft gehad, nog altijd veel ongemak ervaart als gevolg van het verlies van het zicht in dat oog en dat hij in onzekerheid verkeert over de gevolgen op de lange termijn voor zijn gezonde andere oog. De rechtbank zal daarom de immateriële schade naar billijkheid vaststellen op een bedrag van € 37.000,-- en vergoeding van dit bedrag toewijzen, ter vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan, te weten 15 september 2025. Voor het overige wordt de vordering afgewezen.
Proceskosten
Bij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. Omdat de vordering tot schadevergoeding grotendeels wordt toegewezen, moet de verdachte de kosten vergoeden die de benadeelde partij heeft gemaakt.
De rechtbank werkt met een puntensysteem om de proceskosten te berekenen, het zogenoemde liquidatietarief in civiele zaken. De rechtbank ziet geen redenen om van het liquidatietarief af te wijken en kent twee punten à € 1.290, -- toe, te weten een punt voor het opstellen en indienen van de vordering en een punt voor de behandeling van de vordering ter zitting. Aldus worden de kosten van rechtsbijstand vastgesteld op € 2.580, --, te vermeerderen met de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken. De rechtbank wijst het overige deel van de gevraagde proceskostenvergoeding af.
7.1.5
De schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partij heeft verzocht en de officier van justitie heeft gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f Sr aan verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor hem doet. De rechtbank bepaalt daarom dat de verdachte een bedrag van € 39.063,70 aan de Staat moet betalen.
Als de verdachte de schadevergoeding niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast voor de duur van 188 dagen. De gijzeling komt niet in de plaats van de verplichting om te betalen. Ook als gijzeling wordt toegepast, blijft de verdachte dus verplicht om de schadevergoeding te betalen.

8.De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 36f en 57 Sr.

9.De beslissing

De rechtbank:
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde feit onder parketnummer 08-243971-25 en het tenlastegelegde feit onder parketnummer 08-297613-25 heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
strafbaarheid feiten
- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
parketnummer 08-243971-25
subsidiair
het misdrijf: mishandeling, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft;
parketnummer 08-297613-25
het misdrijf: bedreiging met zware mishandeling;
strafbaarheid verdachte
- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;
straf
- veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
4 (vier) maanden;
- bepaalt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;
schadevergoeding in de zaak met parketnummer 08-243971-25
- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij
[slachtoffer]van een bedrag van
€ 39.063,70, bestaande uit € 2.063,70 materiële schade en € 37.000, -- immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 september 2025;
- veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op
€ 2.580, --, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;
- legt de
maatregelop dat de verdachte verplicht is ter zake van het bewezenverklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van
€ 39.063,70(zegge: negenendertigduizend drieënzestig euro en zeventig cent), (bestaande uit € 2.063,70 materiële schade en € 37.000,-- immateriële schade), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 september 2025 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van
188 dagenkan worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;
- bepaalt dat als de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van de verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als de verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;
- wijst de vordering voor het overige af;
opheffing bevel voorlopige hechtenis
-
hefthet tegen verdachte verleende geschorste
bevel tot voorlopige hechtenis opmet ingang van heden.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.F. Germs-de Goede, voorzitter, mr. R.A. Heblij en mr. M. ter Riet, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.C. van Leeuwen, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2026.
Buiten staat
Mr. A.F. Germs-de Goede is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage bewijsmiddelen
Leeswijzer
Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.
Parketnummer 08-243971-25
Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Oost-Nederland met nummer PL0600-2025446663. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar pagina’s van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.
1.
Het proces-verbaal van verhoor verdachte, van 15 september 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, op pagina 76 en 77:
In de winkel
(de rechtbank begrijpt: op 15 september 2025 in Enschede)heb ik een klap uitgedeeld aan een medewerker. Zijn oog ziet er ook slecht uit. Het was één stoot. Ik doe sinds vijf jaar aan vechtsport, ik kickboks elke dag.
2.
Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] van 15 september 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, op pagina 6 en 7:
Ik ben medewerker van een telecomwinkel in Enschede. Op maandag 15 september 2025 stond ik achter de balie in de winkel. Een man kwam binnen. Ik hoorde de man vragen “Kan ik mijn fiets hier binnen neerzetten”. Ik was met stomheid geslagen. Hierdoor lachte ik het vooral en beetje weg en beantwoordde zijn vraag met ‘nee’. De man kwam toch binnen en had direct een dreigende houding. De man kwam naar de balie gelopen en schreeuwde van alles. De man bleef schreeuwen en zijn agressie minderde niet. Er ontstond een worsteling waarop mijn broer en ik zijn geslagen door hem. Wij probeerden hem in deze worsteling onder controle te krijgen. Ik dacht dat de worsteling klaar was en heb de man losgelaten. Hierop wist hij mij opnieuw te slaan. Ik weet nog dat ik daardoor bijna ‘knock-out’ ging. Uiteindelijk hebben wij hem de winkel uitgekregen. Door de man heb ik ernstig letsel opgelopen aan mijn oog.
3.
Het proces-verbaal van verhoor getuige [naam 1] van 17 september 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, op pagina 25 en 26:
Op 15 september 2025 was ik aan het werk in de zaak in Enschede. Ik stond achter mijn werkbalie en zag een man met een fiets in de hand de deur openen. Hij vroeg of hij de fiets binnen mocht zetten. Ik zei “Nee tuurlijk mag je de fiets niet binnen neer zetten”. Kort daarop kwam de man weer naar binnen zonder fiets. De man begon direct agressief te doen. De man bleef maar schreeuwen en begon mij te bedreigen. De man kwam naar mij toe lopen en maakte slaande bewegingen in mijn richting. Hierop heb ik hem vastgepakt en probeerde hem weg te duwen de winkel uit. De man was echt heel boos en agressief tegen mij. Op een gegeven moment heb ik hem gezegd dat het nu echt klaar was en dat hij de winkel moest verlaten. Ik zag dat mijn broer de man losliet en wegliep. Ik zag dat de man zich omdraaide en vervolgens van achteren een vuistslag bij mijn broer in het gezicht gaf. Mijn broer werd geraakt aan zijn rechteroog. Dit was met kracht en ik zag dat mijn broer door deze klap op de grond viel en het uitschreeuwde.
4.
Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, onder 5, Sv, te weten het verzoek tot schadevergoeding van [slachtoffer], van 19 mei 2026, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, op pagina 6:
Universitair Medisch Centrum Groningen
Mw. Drs. G. Postma, oogarts
Aan: Löring & von Rosenstiel Nederlands-Duits Advocatenkantoor
Hierbij stuur ik u de gegevens van [slachtoffer], geboren [geboortedatum 2]-1974.
Dhr. werd op 15-9-2025 geopereerd vanwege een perforatie van zijn rechteroog. In de controles daarna werd er bloed in het oog gezien en middels een echo ook een netvliesloslating. Op 29-9-2025 vond er een exploratie onder narcose plaats. Er bleek sprake te zijn van een zeer ernstige netvliesloslating, waarbij enig herstel onmogelijk was. Concluderend dat er een infauste prognose is.
Parketnummer 08-297613-25
Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Oost-Nederland met nummer PL0600-2025519649. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar pagina’s van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.
1.
Het proces-verbaal van aangifte van Medewerknummer [nummer] van 26 oktober 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, op pagina 8 en 9:
Op 26 oktober 2025 was ik werkzaam bij de Penitentiaire Inrichting te Zwolle. Ik zat in de recreatieruimte. In deze ruimte zitten ook gedetineerden. Ik zat aan tafel met andere collega’s toen we [verdachte] zagen zitten aan een van de tafels. Ik zag dat [verdachte] er onrustig was. Ik waarschuwde dat hij rustig moest doen anders moest hij terug naar zijn cel. Hier reageerde hij niet op waarna ik zijn arm vastpakte om hem naar zijn cel te begeleiden. [verdachte] begon zich enorm te verzetten. Ik hoorde hem zeggen: “ik sla je tanden uit je bek” en “ik sla het licht uit je ogen net als mijn slachtoffer”. [verdachte] zei dit allemaal in mijn richting. Ik voel mij op dit moment zo bedreigd dat ik eigenlijk wil dat hij overgeplaatst wordt naar een andere Penitentiaire Inrichting.
2.
Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] van 26 oktober 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, op pagina 11 en 12:
Op 26 oktober 2025 was ik getuige van een bedreiging van mijn collega. Ik werk bij de P.I. te Zwolle. Ik zag dat collega’s [verdachte] vastpakte bij zijn arm, hem lieten opstaan en met hem de gang opliepen richting cel. Ik zag dat een fysieke worsteling ontstond tussen collega’s en [verdachte]. Ik hoorde tijdens de worsteling dat [verdachte] gefocust was op een collega. Ik hoorde dat hij zei: “Ik ga je het licht uit je ogen slaan. Ik sla je net als mijn slachtoffer harstikke blind”.
3.
Het proces-verbaal van verhoor getuige Medewerknummer [naam 3] van 26 oktober 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, op pagina 16:
Op 26 oktober 2026 was ik werkzaam bij de Penitentiaire Inrichting te Zwolle. Ik zag een groep collega’s een gedetineerde vasthouden die hard in verzet ging. Ik liep er naartoe om de collega’s te ondersteunen. De verdachte was constant gefocust op mijn collega die aangifte heeft gedaan. Ik hoorde de gedetineerde het volgende zeggen over mijn collega: “Ik doe met hem hetzelfde als mijn slachtoffer, alleen dit keer wel bewust” en “Ik sla hem blind”.

Voetnoten

1.HR 29 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:718