ECLI:NL:RBOVE:2026:3291
Rechtbank Overijssel
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Proceskostenveroordeling na intrekking faillissementsverzoek wegens tegenvordering en geringe slaagkans
Op 20 maart 2026 diende [verzoeker] een verzoekschrift in tot faillietverklaring van [bedrijf], gebaseerd op een onbetaalde vordering van € 3.251,58 die kracht van gewijsde had. [Bedrijf] diende een verweerschrift in met een tegenvordering die de vordering van [verzoeker] overstijgt. De mondelinge behandeling werd uitgesteld en uiteindelijk trok [verzoeker] het verzoekschrift op 8 juni 2026 in.
[Bedrijf] verzocht daarop om veroordeling van [verzoeker] in de proceskosten. De rechtbank oordeelde dat het faillissementsverzoek weinig kans van slagen had, mede door de tegenvordering en het ontbreken van aanwijzingen dat [bedrijf] was opgehouden met betalen. Het intrekken van het verzoek vlak voor de zitting zonder opgave van redenen leidde tot een proceskostenveroordeling.
De rechtbank veroordeelde [verzoeker] tot betaling van € 653 aan proceskosten aan de zijde van [bedrijf]. De zaak illustreert dat het starten van een faillissementsprocedure zonder voldoende onderbouwing en met kennis van een tegenvordering kan leiden tot kostenveroordeling, zeker bij intrekking vlak voor de zitting.
Uitkomst: Verzoeker wordt veroordeeld in de proceskosten na intrekking van het faillissementsverzoek wegens geringe kans van slagen door tegenvordering.