Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2026:3294

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
12 juni 2026
Publicatiedatum
12 juni 2026
Zaaknummer
AK_26_1429
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen woningsluiting wegens drugshandel

De zaak betreft een verzoek om een voorlopige voorziening tegen het besluit van de burgemeester om een woning te sluiten vanwege drugshandel. De woning werd bewoond door verzoekster, die bezwaar maakte tegen het besluit en reputatieschade vreesde door de publieke bekendmaking van de sluiting.

De burgemeester baseerde het besluit op een bestuurlijke rapportage waarin harddrugs, een vuurwapen en attributen voor drugshandel waren aangetroffen na politieonderzoek. Verzoekster had de huur opgezegd en de woning verlaten. De voorzieningenrechter oordeelde dat er geen spoedeisend belang was voor schorsing en voerde een belangenafweging uit.

De rechter stelde vast dat verzoekster als hoofdbewoner verantwoordelijkheid draagt voor wat in de woning is aangetroffen, ook al is zij strafrechtelijk niet vervolgd. De sluiting en de publieke bekendmaking daarvan zijn een evenredig middel om de overlast en drugshandel te bestrijden. Het belang van de burgemeester bij effectuering van het besluit weegt zwaarder dan het belang van verzoekster bij het voorkomen van reputatieschade en het behoud van woonruimte.

Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling en tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.

Uitkomst: Het verzoek om schorsing van de woningsluiting wordt afgewezen omdat het belang van de burgemeester zwaarder weegt dan het belang van de hoofdbewoner.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 26/1429

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoekster], uit [woonplaats], verzoekster

(gemachtigde: mr. P.A. Speijdel),
en

de burgemeester van Almelo

(gemachtigden: [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2]).
Als derdepartij heeft deelgenomen: woningcorporatie Sint Joseph Almelo

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over het besluit van de burgemeester om de door [verzoekster] gehuurde en bewoonde woning te sluiten voor een periode van drie maanden vanwege drugshandel.
1.2
[verzoekster] heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt. Volgens haar is het besluit tot sluiting van de woning niet zorgvuldig tot stand gekomen, niet noodzakelijk en niet evenwichtig. [verzoekster] wil in deze procedure dat een voorlopige voorziening wordt getroffen zodat stigmatisering en verdere reputatieschade wordt voorkomen.
1.3
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af omdat het belang van de burgemeester bij effectuering van het sluitingsbesluit in dit geval zwaarder weegt dan het belang van [verzoekster] bij schorsing van het sluitingsbesluit. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Inleiding: feiten en procesverloop

2.1
[verzoekster] huurde een woning van woningcorporatie Sint Joseph aan de [adres]. [verzoekster] partner [naam 1] woonde bij haar.
2.2
Op 31 maart 2026 heeft de burgemeester van de politie een bestuurlijke rapportage ontvangen.
In de bestuurlijke rapportage is vermeld dat naar aanleiding van een op 17 maart 2026 door de politie ontvangen anonieme melding de politie de woning die dag heeft doorzocht en een vuurwapen, diverse soorten harddrugs en attributen ten behoeve van de handel in drugs heeft aangetroffen. In totaal is in elk geval 1.213 gram harddrugs gevonden, zo blijkt uit indicatieve testen waarvan de resultaten zijn vastgelegd in de bestuurlijke rapportage van 16 april 2026.
Ook zijn vanaf 28 november 2025 vijf anonieme meldingen gedaan via Meld Misdaad Anoniem, waarvan drie meldingen gaan over de handel in drugs vanuit de woning en twee over de handel in drugs door [naam 1] en anderen.
2.3
Bij brief van 17 april 2026 is [verzoekster] op de hoogte gebracht van het voornemen van de burgemeester om de woning voor drie maanden te sluiten.
2.4
Na een gesprek met een medewerker van de woningcorporatie heeft [verzoekster] de huur van de woning per 1 mei 2026 opgezegd en heeft zij de woning opgeleverd en verlaten. [naam 1] is sinds medio maart 2026 preventief gedetineerd.
2.5
[verzoekster] heeft gebruik gemaakt van de mogelijkheid tot het indienen van een zienswijze.
2.6
Met het bestreden besluit van 12 mei 2026 heeft de burgemeester de woning van [verzoekster] met ingang van 14 mei 2026 om 10.00 uur gesloten voor de duur van drie maanden.
2.7
[verzoekster] heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.8
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 4 juni 2026 ter zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van [verzoekster] en namens de burgemeester zijn gemachtigden. Namens de woningstichting zijn verschenen mr. R.F.A. Rorink en
[naam 2].

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Griffierecht
3.1
[verzoekster] heeft een beroep gedaan op betalingsonmacht voor het griffierecht en dat onderbouwd. De voorzieningenrechter wijst dat beroep toe. Dat betekent dat haar verzoek nu inhoudelijk kan worden behandeld.
Spoedeisend belang
3.2
De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist.
3.3
[verzoekster] wenst met het door haar ingediende verzoek te bereiken dat het bestreden besluit wordt geschorst tot er op haar bezwaar is beslist. Volgens [verzoekster] is sprake van een spoedeisend belang, omdat zij reputatieschade ondervindt van het bestreden besluit, ook omdat op de woning een pamflet hangt met de tekst gesloten vanwege drugshandel. Daardoor, zo heeft zij reeds ondervonden, brengen potentiële werkgevers haar in verband met drugshandel en vuurwapenbezit en komt zij niet meer aan het werk.
Schorsing van het bestreden besluit beperkt verdere reputatieschade.
Verder wil [verzoekster] voorkomen dat de woning nodeloos wordt onttrokken aan een reeds overspannen woningmarkt. Besluiten tot woningsluiting maken het ook voor [verzoekster] moeilijker om een andere woning te vinden.
3.4
De voorzieningenrechter is er niet van overtuigd dat met het gestelde sprake is van een spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening.
3.5
De voorzieningenrechter ziet daarin aanleiding om bij de beoordeling van het verzoek te volstaan met een belangenafweging.
Belangenafweging
3.6
[verzoekster] is van mening dat zij door de sluiting van haar voormalige woning en de publiekelijke bekendmaking van die sluiting in haar belangen is geschaad en bij de voortduring van die sluiting in haar belangen wordt geschaad. In dit verband heeft zij erop gewezen dat zij in strafrechtelijk verband geen verdachte is en dat daaruit blijkt dat zij niet in enig verband staat tot de aangetroffen illegale zaken in de woning. Zij vindt daarom dat het bestreden besluit en de publiekelijke kennisgeving van dat besluit ten onrechte een relatie legt met haar, waardoor haar reputatie schade oploopt.
3.7
De burgemeester is van mening dat [verzoekster] als hoofdbewoonster verantwoordelijkheid draagt voor dat wat in haar woning gebeurt en is aangetroffen. In dat verband heeft de burgemeester erop gewezen dat een groot aantal verboden zaken, als harddrugs en mogelijk nog meer verdovende middelen door haar hele woning zijn aangetroffen, alsook een verboden wapen. Verder zijn er meerdere zaken aangetroffen die in verband kunnen worden gebracht met de handel in verdovende middelen. De burgemeester is van mening dat ook als [verzoekster] geen enkele kennis van verdovende middelen heeft, zij redelijkerwijs kennis moet hebben gehad van de aangetroffen spullen in haar woning en ten minste daarbij vragen had moeten stellen. Zij draagt daarmee verantwoordelijkheid voor de aanwezigheid van die goederen en daarmee voor de handel die vanuit haar woning heeft plaatsgevonden. Daarmee is er wel een relatie tussen de aangetroffen middelen in de woning en [verzoekster]. Ook als dat geen strafrechtelijke vervolging oplevert.
3.8
De voorzieningenrechter stelt vast dat [verzoekster] vanwege de vondst van de hiervoor genoemde zaken na gesprekken bij de woningcorporatie Sint Joseph heeft besloten om zelf te verzoeken het huurcontract tussen haar en de verhuurder te beëindigen. De voorzieningenrechter heeft begrepen dat de verhuurder [verzoekster] verantwoordelijk heeft gehouden voor de aanwezigheid van deze zaken en de daarmee samenhangende activiteiten vanuit de woning.
De voorzieningenrechter begrijpt daaruit dat [verzoekster] die verantwoordelijkheid in civielrechtelijk zin heeft erkend.
3.9
Vervolgens heeft de burgemeester na het vertrek van [verzoekster] uit de woning, die woning gesloten vanwege de vondst van de eerdergenoemde zaken en de daarmee samenhangende activiteiten. Die sluiting dient een bepaald doel en dat doel wordt volgens de burgemeester bereikt door niet alleen de sluiting van de woning maar ook de publiekelijke bekendmaking (ook aan het pand zelf) van die sluiting en de reden van die sluiting.
3.1
De voorzieningenrechter is vooralsnog van oordeel dat de sluiting een evenredig middel is om dat doel te bereiken. Dat daarmee de gestelde belangen van [verzoekster] worden geraakt vloeit naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter voort uit de omstandigheid dat [verzoekster] als hoofdbewoner van de woning haar verantwoordelijkheid niet of niet voldoende heeft genomen om te voorkomen dat deze goederen in grote hoeveelheden in haar woning zijn gebracht en daar zijn gehouden.
Bij de beoordeling van haar belangen heeft de voorzieningenrechter meegewogen dat [verzoekster] waarschijnlijk bij een potentiële werkgever buiten beeld is geraakt maar tevens dat [verzoekster] vooralsnog niet aannemelijk heeft gemaakt dat vanwege deze sluiting haar reputatie zodanig is aangetast dat het voor haar niet mogelijk is om elders werk te vinden.
De voorzieningenrechter wijst er verder op dat sinds de woningsluiting er artikelen in krant(en) en andere media zijn verschenen met foto’s van het pand waarmee de sluiting al ruimer bekend is geworden. De voorzieningenrechter is er vooralsnog niet van overtuigd geraakt dat een schorsing van de sluiting en daarmee de verwijdering van de publieke bekendmakingen aan het pand nu nog zodanig effect zal hebben ten aanzien van de beperking van de gestelde reputatieschade dat dat kan opwegen tegen het belang dat de burgemeester heeft met de handhaving van de sluiting en daarmee met de openbare bekendmaking van de sluiting aan het pand.
3.11
Het algemene belang van het niet onttrekken van een woning aan de reeds krappe woningmarkt waardoor ook voor [verzoekster] de kans op een woning niet kleiner wordt, acht de voorzieningenrechter een te ver verwijderd verband om te spreken van een belang bij het schorsen van het bestreden besluit. [verzoekster] behartigt in onderhavige procedures haar eigen, individuele belang nu zij op eigen naam procedeert en niet vanuit een stichting of vereniging die het algemeen, maatschappelijk belang dient. Dat [verzoekster] door woningsluitingen in den lande zelf ook minder makkelijk aan een nieuwe huurwoning komt, voor zover die stelling al aannemelijk kan worden gevonden, is niet een gevolg van het bestreden besluit.
3.12
De voorzieningenrechter komt dan ook tot het voorlopig oordeel dat tegenover de belangen van [verzoekster] de door de burgemeester gestelde belangen bij effectuering van het sluitingsbesluit staan, te weten beëindiging van de overtreding, herstel van het woon- en leefklimaat in de wijk na overlast gedurende bijna een jaar door drugshandel vanuit de woning, voorkoming van hergebruik door het drugscircuit en een zichtbaar signaal dat de overheid daartegen optreedt. De voorzieningenrechter is gelet op die verschillende belangen van partijen vooralsnog van oordeel dat de door de burgemeester met de sluiting te dienen belangen in dit geval zwaarder wegen dan het belang van [verzoekster] bij schorsing van het sluitingsbesluit.

Conclusie en gevolgen

4. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W.M. Bunt, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A. Landstra, griffier.
uitgesproken in het openbaar op
griffier
de voorzieningenrechter is buiten staat te tekenen
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.