Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2026:3472

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
20 juni 2026
Zaaknummer
12149815 \ EJ VERZ 26-89
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:669 lid 1 BWArt. 7:669 lid 3 BWArt. 7:670 BWArt. 7:671b lid 2 BWArt. 7:671b lid 6 sub a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding arbeidsovereenkomst wegens verstoorde arbeidsrelatie met toekenning billijke vergoeding

Bectro Installatietechniek B.V. verzoekt ontbinding van de arbeidsovereenkomst met [verweerder] wegens een verstoorde arbeidsrelatie. De kantonrechter wijst het verzoek toe en kent een billijke vergoeding toe aan [verweerder] omdat de ontbinding het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van Bectro.

De feiten betreffen een incident in januari 2026 waarbij wateroverlast en kortsluiting ontstonden in een hotel van klant The Social Hub (TSH). [Verweerder] en een collega verbleven op locatie en werden vrijgesteld van werk na het incident. Bectro verwijt [verweerder] onder meer het drinken van alcohol tijdens storingsdienst, onjuiste urenregistratie en nalaten van actie bij de lekkage. De kantonrechter oordeelt dat alleen het drinken van alcohol verwijtbaar is, maar niet ernstig genoeg voor ontbinding. De andere verwijten zijn onvoldoende bewezen of niet verwijtbaar.

Partijen erkennen een ernstige vertrouwensbreuk en verstoorde arbeidsverhouding. Herplaatsing is niet mogelijk omdat [verweerder] niet meer bij TSH mag werken. De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden per 1 augustus 2026 met inachtneming van de opzegtermijn. [Verweerder] krijgt recht op transitievergoeding en een billijke vergoeding van €12.500 wegens ernstig verwijtbaar handelen van Bectro, die onvoldoende heeft gehandeld om de situatie te voorkomen en onterecht [verweerder] verantwoordelijk hield voor de schade.

Uitkomst: De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden wegens verstoorde arbeidsrelatie met toekenning van transitievergoeding en billijke vergoeding aan de werknemer.

Uitspraak

RECHTBANKOVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer / rekestnummer: 12149815 \ EJ VERZ 26-89
Beschikking van 9 juni 2026
in de zaak van
BECTRO INSTALLATIETECHNIEK B.V.,
te Amersfoort,
verzoekende partij in het verzoek, verwerende partij in het voorwaardelijke tegenverzoek,
hierna te noemen: Bectro,
gemachtigde: mr. K.L.M. Kaldenbach,
tegen
[verweerder],
te [woonplaats] ,
verwerende partij,
hierna te noemen: [verweerder] ,
gemachtigde: mr. J.F.M. Verheij.

1.De zaak en het oordeel in het kort

1.1
In deze zaak verzoekt Bectro om ontbinding van de arbeidsovereenkomst met [verweerder] . De kantonrechter wijst het verzoek toe omdat sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding. Aan [verweerder] wordt een billijke vergoeding toegekend omdat de ontbinding het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van Bectro.

2.De procedure

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift;
- het verweerschrift met een voorwaardelijk tegenverzoek;
- de brief met aanvullende producties van Bectro;
- de mondelinge behandeling van 11 mei 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
2.2
De beschikking is bepaald op vandaag.

3.De feiten

3.1
[verweerder] , geboren [geboortedatum] 1974, is sinds 13 mei 2019 in dienst van Bectro. De functie van [verweerder] is Servicemonteur elektrotechniek met een loon van € 4.912,53 bruto per maand, exclusief vakantietoeslag, bij een arbeidsomvang van 40 uur per week.
3.2
[verweerder] werd door Bectro voornamelijk ingezet bij haar klant The Social Hub (hierna TSH), een hotelketen. Op 13 en 14 januari 2026 was [verweerder] met zijn collega [collega] (hierna [collega] ) werkzaam in het hotel van TSH in Maastricht. Omdat zij twee dagen op dezelfde locatie zouden werken en [verweerder] ook storingsdienst had van
13 januari 2026 17:00 uur tot de volgende ochtend 07:00 uur, bleven [verweerder] en [collega] beiden in een eigen kamer in het hotel overnachten.
3.3
In de nacht van 13 op 14 januari 2026 heeft de nachtportier na een melding van een gast, geconstateerd dat er water uit het plafond van de kamer onder die van [collega] kwam. De nachtportier heeft na meerdere keren gebeld en aangeklopt te hebben, de deur van de kamer geopend en [collega] verzocht te stoppen met douchen omdat hij wateroverlast veroorzaakte.
3.4
Op 14 januari 2026 hebben [verweerder] en [collega] in de ochtend nog werkzaamheden in het hotel uitgevoerd en zijn in de middag vertrokken. In de avond van 14 januari 2026 heeft TSH bij [zelfstandige] , die als zelfstandige werkzaam was voor Bectro, gemeld dat er kortsluiting was ontstaan en dat een aantal kamers geen stroom had.
3.5
[zelfstandige] is namens Bectro naar TSH gegaan en heeft geconstateerd dat de kortsluiting is ontstaan door ernstige wateroverlast. Op 17 januari 2026 heeft TSH per
e-mail aan de leidinggevende van [verweerder] en [collega] , [leidinggevende] (hierna [leidinggevende] ), onder andere het volgende medegedeeld:
“Kamer [nummer 1] maar ook kamer [nummer 2] stonden beide op naam van [verweerder] die samen met collega bezig was met werkzaamheden in Maastricht. Ik weet niet zeker welke collega waar geslapen heeft.
De 14e zijn ze uitgecheckt en bleek de muur van bed tot douche onder de spetters te zitten zie filmpje. Daarnaast hoor je op de achtergrond de bouwdroger draaien omdat de vloerbedekking nat is.
De lekkage heeft gezorgd voor electriciteits problemen in de omringende kamers op woensdag, donderdag vroeg in de ochtend verholpen door [zelfstandige] van Bectro.
Zoals aangegeven ben ik niet blij dat dit niet actief door jullie collega’s is gemeld en zit ik met klachten van gasten in omringende kamers en extra kosten voor reparatie en schoonmaak.”
3.6
Op 19 januari 2026 heeft TSH Bectro verzocht [verweerder] en [collega] niet langer op locaties van TSH in te zetten.
3.7
Op 20 januari 2026 heeft Bectro [verweerder] en [collega] vrijgesteld van het verrichten van werkzaamheden met behoud van salaris om het incident te kunnen onderzoeken. Op
28 januari 2026 is [verweerder] door [leidinggevende] en [HR adviseur] (HR adviseur) gehoord. Van dat gesprek is, met medeweten van [verweerder] , een geluidsopname gemaakt.
3.8
Op 3 februari 2026 heeft [verweerder] zich ziekgemeld.
3.9
Op 5 februari 2026 heeft een (digitaal) gesprek plaatsgevonden, waarin [verweerder] heeft aangegeven dat hij in de avond van 13 januari 2026 twee glazen bier heeft gedronken. Bectro heeft [verweerder] diezelfde dag per brief medegedeeld dat er ernstige schade als gevolg van de lekkage is ontstaan bij TSH en dat Bectro die schade moet vergoeden. Zij heeft verder onder andere het volgende geschreven:
“Wij nemen het u kwalijk dat u in de ochtend van 14 januari jl. niet direct contact heeft gezocht met uw leidinggevende [leidinggevende] teneinde te bespreken hoe te handelen in deze situatie. Voorts nemen wij het u kwalijk dat u niet hebt onderzocht welke schade er bij TSH was ontstaan. Dit mogen wij van u, als servicemonteur belast met het verrichten van service- en onderhoudswerkzaamheden op de locaties van TSH, bij uitstek verwachten. U had bijvoorbeeld kunnen vaststellen dat de lasdoos onder de kamer van [collega] vol vocht zat, waardoor u kortsluiting in de omringende kamers had kunnen voorkomen. (…)
Wij verwijten u dat u zich in deze kwestie passief heeft opgesteld, u verschuilt achter het feit dat u de schade niet zelf heeft veroorzaakt en naar uw collega verwijst. Voorts verwijten wij u dat u de locatie hebt verlaten terwijl u zich geen enkele rekenschap heeft gegeven van de omvang van de aangerichte schade en geen hulp heeft geboden om de schade te verhelpen en (verdere) schade te beperken. Deze handelswijze straalt op negatieve wijze op Bectro af. (…)
Voorts is nog gebleken dat uw tijdregistratie van de ochtend van 14 januari jl. niet juist is. U heeft uw tijdregistratie op 14 januari jl. om 6:29 uur aangezet en u heeft desgevraagd aangegeven dat u in de ochtend van 14 januari jl. verslagen zou hebben gemaakt voor het project Groningen en het project Hal 6. Uit de rapportage betreffende Hal 6 blijkt echter dat de laatste wijziging daarin op 7 januari jl. heeft plaatsgevonden. Dit betekent dat u die ochtend niet aan de rapportage van project Hal 6 werkzaam bent geweest. Wij vinden uw verklaring ten aanzien van uw werkzaamheden vanaf 6:29 uur in de ochtend dan ook onvoldoende. (…)
Ten slotte is tijdens het gesprek van vanochtend nog gebleken dat u van in de avond van 13 op 14 januari jl. wel degelijk alcohol heeft gedronken. U gaf aan dat het slechts om twee biertjes zou gaan en dat u dat niet kwalificeert als ‘drinken’. (…)
Ieder van de bovengenoemde handelwijzen, waarmee u op grove wijze de verplichting schendt die de arbeidsovereenkomst u oplegt, vormt op grond van de wet een separate dringende reden om u op staande voet te ontslaan. Daarnaast vormen deze handelwijzen ook in onderlinge samenhang een dringende reden om u op staande voet te ontslaan. (…)”
Bectro heeft [verweerder] vervolgens in diezelfde brief een minnelijk voorstel gedaan.
3.1
Op 10 februari 2026 heeft [verweerder] per e-mail aangegeven dat hij het niet eens is met de brief van Bectro en de daarin gemaakte verwijten. Ook heeft hij het minnelijke voorstel afgewezen en aangegeven dat hij, zodra hij beter is, zijn werkzaamheden wil hervatten.

4.Het verzoek en het verweer

in het verzoek
4.1
Bectro verzoekt de arbeidsovereenkomst met [verweerder] te ontbinden, primair vanwege een tekortkoming in de nakoming van de arbeidsovereenkomst, subsidiair vanwege (ernstig) verwijtbaar handelen (e-grond), meer subsidiair vanwege een verstoorde arbeidsverhouding (g-grond) dan wel vanwege de omstandigheid dat de arbeidsovereenkomst inhoudsloos is geworden (h-grond) en uiterst subsidiair vanwege de cumulatie van de eerder genoemde omstandigheden (i-grond).
4.2
Bectro heeft aan het verzoek ten grondslag gelegd – kort weergegeven – dat [verweerder] om drie redenen verwijtbaar heeft gehandeld. Te weten dat hij alcohol heeft genuttigd tijdens zijn storingsdienst, dat hij zijn werkuren in de ochtend van 14 januari 2026 op onjuiste manier heeft geregistreerd en dat hij, terwijl hij op de locatie aanwezig was, niets heeft gedaan om de door zijn collega veroorzaakte waterschade te inventariseren en/of te verhelpen en dat hij ook zijn leidinggevende daarover niet heeft geïnformeerd.
4.3
[verweerder] verweert zich tegen het verzoek en stelt dat de verzochte ontbinding moet worden afgewezen. [verweerder] voert aan – samengevat – dat hij twee glazen bier heeft gedronken en dat dit, hoewel hij weet dat dit niet toegestaan is, niet dusdanig ernstig is dat het de ontbinding van de arbeidsovereenkomst rechtvaardigt, dat hij zijn werkuren niet onjuist heeft geregistreerd en dat hij geen actie kon ondernemen op de schade in het hotel van TSH omdat hij niet (tijdig) op de hoogte was van de (ernst van de) schade.
in het voorwaardelijke tegenverzoek
4.4
In het geval de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden, verzoekt [verweerder] de wettelijke opzegtermijn in acht te nemen, Bectro te veroordelen om een transitievergoeding inclusief cumulatievergoeding van € 19.193,16 te betalen en om toekenning van een billijke vergoeding van € 64.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente. Hij legt daaraan ten grondslag dat hem geen verwijt gemaakt kan worden ten aanzien van de door zijn collega veroorzaakte schade en dat hij bovendien geen actie kon ondernemen omdat hij niet op de hoogte was van de (omvang van de) lekkage en de schade. [verweerder] voert aan dat het bij Bectro (vanaf in ieder geval 28 januari 2026) ook duidelijk was dat [verweerder] de lekkage niet had veroorzaakt. Ook heeft [verweerder] in het gesprek van 28 januari 2026 een toelichting gegeven op zijn tijdsbesteding in de ochtend van 14 januari 2026. Desondanks heeft Bectro hem vrijgesteld van werkzaamheden en hem onder dreiging van ontslag op staande voet een minnelijke regeling aangeboden. Dat Bectro geen deugdelijk onderzoek heeft gedaan en vanaf het begin heeft aangestuurd op het einde van de arbeidsovereenkomst, is ernstig verwijtbaar, aldus [verweerder] .
4.5
Bectro concludeert – samengevat – tot afwijzing van het voorwaardelijke tegenverzoek.

5.De beoordeling

In het verzoek en het voorwaardelijke tegenverzoek
5.1
Het gaat in deze zaak om de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden ontbonden.
Toetsingskader
5.2
Een arbeidsovereenkomst kan alleen worden ontbonden als daar een redelijke grond voor is. In artikel 7:669 lid 3 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna BW) is bepaald wat een redelijke grond is. Ook is voor ontbinding vereist dat herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt (artikel 7:669 lid 1 BW Pro). Verder mag geen sprake zijn van een opzegverbod (artikel 7:671b lid 2 jo. 7:670 BW) .
Geen tekortkoming in de nakoming of verwijtbaar handelen
5.3
Bectro legt primair aan haar ontbindingsverzoek ten grondslag dat [verweerder] tekort is geschoten in de nakoming van de verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst (artikel 7:686 BW Pro) en subsidiair dat hij (ernstig) verwijtbaar heeft gehandeld (de e-grond). Zij heeft voor beide grondslagen [verweerder] de volgende verwijten gemaakt: i) [verweerder] heeft tijdens de storingsdienst twee glazen bier gedronken en hij heeft daarover in een eerder gesprek gelogen, ii) [verweerder] heeft in de ochtend van 14 januari 2026 tussen 6:30 uur en 8:30 uur twee onjuiste werkuren geregistreerd terwijl hij daarvoor eerder een waarschuwing heeft gekregen en iii) [verweerder] heeft, ondanks dat hij op locatie was en wist van de door [collega] veroorzaakte lekkage, geen actie ondernomen door de schade te verhelpen of in kaart te brengen of zijn leidinggevende te informeren.
De kantonrechter zal deze verwijten in het navolgende bespreken en uitleggen waarom deze verwijten niet tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst kunnen leiden.
i)
Het drinken van alcohol
5.4
[verweerder] erkent dat hij twee glazen bier heeft gedronken in de avond van
13 januari 2026 terwijl hij storingsdienst had. Ook erkent hij dat hij wist dat dit (onder andere) op grond van het personeelshandboek niet toegestaan is. Hij betwist echter dat hij over het drinken heeft gelogen in het gesprek op 28 januari 2026, zoals Bectro hem wel verwijt. Volgens [verweerder] is in dat gesprek niet ter sprake gekomen of hij had gedronken. Volgens [verweerder] heeft Bectro daar voor het eerst in het (digitale) gesprek van 5 februari 2026 naar gevraagd, heeft hij eerlijk geantwoord en heeft hij ook meteen aangegeven dat hij dat niet had mogen doen.
5.5
De kantonrechter oordeelt dat [verweerder] , zoals ook tijdens de mondelinge behandeling is besproken, niet had mogen drinken tijdens zijn storingsdienst en dat hij in zoverre verwijtbaar heeft gehandeld. Niet is komen vast te staan dat [verweerder] in het gesprek van 28 januari 2026 eerst heeft verklaard dat hij geen alcohol had gedronken. [verweerder] betwist dat er vóór het gesprek van 5 februari 2026 over gesproken of naar gevraagd is en het blijkt bovendien ook niet uit de geluidsopname of de transcriptie van het gesprek van 28 januari 2026. Omdat het de eerste keer is dat Bectro heeft geconstateerd dat [verweerder] alcohol dronk tijdens zijn storingsdienst, hij erkend heeft dat hij dit niet had mogen doen en niet gebleken is dat hij hierover heeft gelogen, was in dit geval een waarschuwing van Bectro op zijn plaats geweest. Hoewel [verweerder] op dit punt verwijtbaar heeft gehandeld, is dat handelen niet dusdanig dat het een ontbinding van de arbeidsovereenkomst op de e-grond rechtvaardigt.
ii)
Onjuiste urenregistratie
5.6
Bectro verwijt [verweerder] verder dat hij ten onrechte in de ochtend van
14 januari 2026 tussen 6:30 uur en 8:30 uur twee werkuren heeft geregistreerd, omdat niet aannemelijk is dat hij in deze uren heeft gewerkt. Bectro voert daartoe aan dat [verweerder] volgens zijn urenregistratie heeft gewerkt aan de rapporten voor de projecten ‘Hal 6’ en ‘Groningen’, maar de laatste wijzigingsdatum van het document ‘Hal 6’ 7 januari 2026 is. Dat betekent dat [verweerder] daar in de ochtend van 14 januari 2026 niet aan gewerkt kan hebben. Bovendien is [verweerder] eerder gewaarschuwd ‘dat hij niet met uren mag rommelen’, aldus Bectro.
5.7
[verweerder] betwist dat. Hij verklaart over zijn werkzaamheden op 14 januari 2026 tussen 6:30 uur en 8:30 uur, dat hij van een collega het verzoek kreeg de rapportages van ‘Hal 6’ en ‘Groningen’ in te leveren en dat hij die rapporten, die hij op 7 januari 2026 heeft aangemaakt, die ochtend gecontroleerd heeft aan de hand van zijn eigen aantekeningen. Omdat hij constateerde dat hij niets hoefde aan te passen, heeft hij geen wijzigingen aangebracht in de rapporten en is de datum waarop het document voor het laatst is gewijzigd, dus ook niet veranderd. Vervolgens heeft hij de rapporten per e-mail aan zijn collega gestuurd. Bectro heeft tijdens de mondelinge behandeling erkend dat het niet in de systemen zichtbaar is wanneer [verweerder] de rapporten alleen heeft geopend en gecontroleerd en geen wijzigingen heeft aangebracht. Ook heeft zij erkend dat [verweerder] de rapporten die ochtend naar zijn collega heeft gestuurd. Volgens Bectro is het echter niet aannemelijk dat [verweerder] de rapporten daadwerkelijk heeft gecontroleerd op
14 januari 2026 omdat volgens de werkinstructie, rapporten altijd op dezelfde dag op de locatie moeten worden afgerond.
5.8
Naar het oordeel van de kantonrechter is onvoldoende vast komen te staan dat [verweerder] ten onrechte twee werkuren heeft geregistreerd in de ochtend van
14 januari 2026. [verweerder] heeft een verklaring gegeven voor zijn tijdsbesteding en Bectro heeft erkend dat het mogelijk is dat [verweerder] de rapporten heeft geopend en gecontroleerd zonder dat dit zichtbaar is voor Bectro. Of [verweerder] wist dat hij de rapporten alleen op dezelfde locatie op dezelfde dag mocht opmaken, hetgeen hij betwist, kan naar het oordeel van de kantonrechter in het midden blijven. Indien hij het wel wist leidt dat alleen tot de conclusie dat hij die ochtend werkzaamheden heeft verricht die hij volgens de werkinstructie eerder had moeten afronden. Daarmee is echter nog niet voldoende vast komen te staan dat [verweerder] geen werkzaamheden heeft verricht. Bectro stelt verder dat [verweerder] eerder is gewaarschuwd maar ook dat is onvoldoende komen vast te staan. Zoals [verweerder] onbetwist heeft aangevoerd heeft hij in die eerdere situatie een werkbon ‘door laten lopen’ omdat hij op dat moment onvoldoende opdrachten had ontvangen van Bectro om zijn werkdag te vullen, en heeft hij Bectro daarover ook geïnformeerd. Partijen hebben vervolgens afgesproken dat het aan Bectro is om voor voldoende opdrachten te zorgen en dat [verweerder] in zo’n situatie geen werkbonnen laat doorlopen omdat dit voor een onjuiste registratie zorgt. Gelet op het voorgaande heeft [verweerder] op dit onderdeel niet verwijtbaar gehandeld.
iii)
De wateroverlast en kortsluiting
5.9
Bectro verwijt [verweerder] dat hij niet adequaat heeft gehandeld toen hij op
14 januari 2026 door TSH op de hoogte werd gesteld van de lekkage die [collega] had veroorzaakt en dat hij geen contact met zijn leidinggevende heeft opgenomen om het incident te melden. Bectro stelt daartoe het volgende. In de nacht van 13 op 14 januari 2026 heeft [collega] door langdurig te douchen een ernstige lekkage veroorzaakt. Zoals uit de rapportage van de nachtportier volgt, kwam er water uit het plafond van de kamer onder die van [collega] . [verweerder] is, toen hij de volgende ochtend uitcheckte uit zijn hotelkamer, door ‘ [naam 1] ’ en ‘ [naam 2] ’ van TSH geïnformeerd over de lekkage in de kamer van [collega] van die nacht. Van [verweerder] had op dat moment verwacht mogen worden dat hij actie zou ondernemen omdat hij als servicemonteur namens Bectro op de locatie aanwezig was. [verweerder] heeft echter niets gedaan om de schade in kaart te brengen en te verhelpen of vervolgschade te voorkomen. Ook heeft hij geen contact met zijn leidinggevende opgenomen over hoe hij moest handelen. Door zo te handelen, althans niet te handelen, heeft [verweerder] de verplichtingen op basis van de arbeidsovereenkomst grovelijk geschonden, aldus Bectro. In de ernst van het verwijt weegt Bectro verder mee dat er in 2023 een soortgelijk incident heeft plaatsgevonden bij TSH in Maastricht en dat daarbij ook [collega] en [verweerder] betrokken waren en dat [verweerder] dus beter had moeten weten.
5.1
[verweerder] betwist dat hij op 14 januari 2026 al wist van de ernst van de wateroverlast en dat hij verwijtbaar heeft gehandeld door geen actie te ondernemen en geen contact op te nemen met zijn leidinggevende. Ook betwist hij dat er in 2023 een soortgelijk incident heeft plaatsgevonden en dat dit de ernst van zijn gedragingen in 2026 mede bepaalt. [verweerder] stelt daartoe dat hij, zoals hij ook in het (opgenomen) gesprek van
28 januari 2026 heeft verteld, op 14 januari 2026 in de ochtend eerst [collega] heeft gebeld om de werkzaamheden van die dag door te spreken. [collega] heeft in dat gesprek geen melding gemaakt van de lekkage en heeft alleen aangegeven dat hij ziek was. [verweerder] heeft daarop tegen [collega] gezegd dat hij de werkzaamheden alleen zou starten. Hij heeft vervolgens rond 10:30 uur uitgecheckt uit de hotelkamer door zijn pasje in te leveren bij de balie, waar op dat moment niemand aanwezig was. Hij heeft daarom op dat moment geen medewerkers van TSH gesproken. Na het uitchecken uit de hotelkamer heeft hij de hele ochtend werkzaamheden verricht in het hotel en heeft hij geen medewerkers van TSH gesproken. Rond 13:30 uur heeft hij zijn werkzaamheden afgerond en het rapport besproken met ‘ [naam 1] ’ van TSH. Op dat moment heeft hij voor het eerst vernomen dat er sprake was van een lekkage in de kamer van [collega] die nacht. Zij heeft hem verder medegedeeld dat de lekkage was opgehouden toen de douche werd uitgezet. [verweerder] heeft vervolgens aan [collega] gevraagd wat er was gebeurd. [collega] heeft hem toen verteld dat er ’s nachts iemand aan zijn deur kwam die hem vertelde dat hij moest stoppen met douchen. Omdat [verweerder] alleen is verteld over een lekkage die al uren daarvoor was geëindigd en er niet is gesproken over de ernst of de gevolgen daarvan, was hem niet duidelijk dat het een ernstige lekkage betrof en was het hem ook niet duidelijk dat later (mogelijk) kortsluiting zou ontstaan, aldus [verweerder] .
5.11
De kantonrechter is van oordeel dat [verweerder] ook op dit punt niet verwijtbaar heeft gehandeld. Hoewel partijen van mening verschillen over het moment waarop [verweerder] op de hoogte is geraakt van de lekkage in de kamer van [collega] (tijdens het uitchecken uit de hotelkamer rond 10:30 uur zoals Bectro stelt, of tijdens het verlaten van het hotel rond 13:30 uur zoals [verweerder] stelt), kan dat naar het oordeel van de kantonrechter in het midden blijven. Vast staat dat [verweerder] op 14 januari 2026 op enig moment, tijdens het bespreken van het rapport met medewerkers van TSH is geïnformeerd over de lekkage. Hij heeft in het gesprek van 28 januari 2026 (geluidsopname vanaf 09:00 minuten) daarover het volgende verklaard. Hij heeft [naam 1] en [naam 2] gesproken en zij hebben hem verteld over de lekkage op de kamer van [collega] . Daarop heeft [naam 1] aangegeven dat TSH kampt met problemen met de badkamers en dat er daardoor vaker lekkage is. [verweerder] heeft daarop gereageerd dat hij twee jaar geleden al met een onafhankelijke partij bij TSH is geweest en dat toen geconstateerd is dat de badkamers niet goed zijn. [naam 1] heeft tot slot gezegd dat er nu budget is om het probleem met de badkamers aan te pakken. Bectro heeft de inhoud van dit gesprek tussen [verweerder] en [naam 1] niet betwist.
5.12
Naar het oordeel van de kantonrechter kon [verweerder] uit de mededeling van [naam 1] , bezien in de context van het gesprek dat hij met haar heeft gevoerd, de ernst van de lekkage niet afleiden. Het was hem op dat moment alleen duidelijk dat er ’s nachts een lekkage was geweest in de kamer van [collega] die gestopt was op het moment dat de douche werd uitgezet. Het gesprek dat [verweerder] hierover op 14 januari 2026 met [collega] heeft gevoerd brengt hierin geen verandering. Ook uit de woorden van [collega] heeft [verweerder] niet kunnen en hoeven afleiden dat sprake was van een ernstige lekkage met gevolgen voor de elektriciteitsvoorziening. Uit de geluidsopname is verder gebleken dat [verweerder] op enig moment nadat hij van de lekkage hoorde tegen [collega] heeft gezegd “daar moet je wat mee”. Deze woorden van [verweerder] brengen de kantonrechter niet tot een ander oordeel. Allereerst is op basis van de overgelegde stukken en de opname van het gesprek onduidelijk of [verweerder] dit op 14 januari 2026 of pas later tegen [collega] heeft gezegd, maar zelfs als [verweerder] dit op 14 januari zou hebben gezegd, zorgt deze opmerking er niet voor dat [verweerder] (ernstig) verwijtbaar heeft gehandeld door zelf niets met de lekkage te doen. Ook uit deze woorden blijkt immers niet dat [verweerder] wist hoe ernstig de lekkage was.
Dat de ernst van de lekkage [verweerder] niet duidelijk is gemaakt, blijkt ook uit het feit dat hij de hele ochtend in het hotel heeft gewerkt zonder dat iemand van TSH hem iets heeft medegedeeld over de ernst van de lekkage of hem heeft gevraagd naar de gevolgen daarvan te kijken. Zoals [verweerder] aanvoert had dat bij een ernstige lekkage wel voor de hand gelegen omdat [verweerder] als servicemonteur bij TSH aan het werk was en storingsdienst had. Daar komt bij dat de kortsluiting pas is ontstaan en gemeld in de avond van 14 januari 2026, lang nadat [verweerder] het hotel had verlaten.
5.13
Gelet op het voorgaande kon [verweerder] toen hij het hotel rond 13:30 uur verliet, de ernst van de lekkage en de gevolgen daarvan niet kennen en kon hij daar dus ook niet naar handelen.
5.14
Bectro heeft nog gesteld dat na een grote lekkage vrijwel altijd een stroomstoring volgt en dat [verweerder] als ervaren servicemonteur actie had moeten ondernemen om die storingen op voorhand te voorkomen. [verweerder] betwist dat. De kantonrechter oordeelt dat [verweerder] weliswaar wist dat er een lekkage was geweest, maar dat hij, zoals hiervoor overwogen, niet wist van de ernst en de omvang daarvan. Dus ook indien aangenomen moet worden dat grote lekkages (vrijwel) altijd leiden tot stroomstoringen en [verweerder] als servicemonteur van die hoofdregel op de hoogte had moeten zijn, kan het [verweerder] niet verweten worden dat hij de stroomstoringen in de avond van 14 januari 2026 niet heeft voorzien en niet heeft gehandeld om die te voorkomen.
5.15
Ook heeft [verweerder] niet verwijtbaar gehandeld door zijn leidinggevende op
14 januari 2026 niet te bellen en de lekkage te melden. Bectro gaat er bij haar stellingen steeds vanuit dat [verweerder] in de gaten moet hebben gehad dat er een calamiteit had plaatsgevonden. Zoals hiervoor is geoordeeld is daarvan in deze procedure niet gebleken. De lekkage is niet op de kamer van [verweerder] ontstaan, [verweerder] is niet op de kamer van [collega] geweest en niemand (noch TSH, noch [collega] ) heeft [verweerder] verteld dat de lekkage zeer ernstig was. Er was voor [verweerder] in die omstandigheden geen aanleiding om zijn leidinggevende op de hoogte te stellen. Voor zover Bectro [verweerder] verwijt dat hij na 14 januari 2026 geen contact heeft opgenomen valt niet in te zien waarom dat verwijtbaar handelen zou opleveren. Op dat moment was de schade immers al opgetreden en was Bectro daarvan ook op de hoogte.
5.16
De kantonrechter volgt Bectro ook niet in de stelling dat de gedragingen van [verweerder] extra verwijtbaar zijn omdat het de tweede keer is dat er een incident met wateroverlast heeft plaatsgevonden in een hotel van TSH en dat [collega] en [verweerder] ook bij het eerste incident in 2023 betrokken waren. Zoals [verweerder] onbetwist heeft aangevoerd, werd zijn collega [collega] in 2023 door zijn medicatie onwel in de douche waardoor een lekkage ontstond en is [verweerder] hem te hulp geschoten. Bectro heeft tijdens de mondelinge behandeling erkend dat [collega] destijds onder de douche buiten bewustzijn is geraakt en heeft verder niet toegelicht waaruit volgt dat [verweerder] in die eerdere situatie verwijtbaar heeft gehandeld, of hoe die situatie in 2023 het handelen van [verweerder] op
14 januari 2026 had moeten beïnvloeden. Gelet op het voorgaande heeft [verweerder] dus ook op dit onderdeel niet verwijtbaar gehandeld.
5.17
Omdat [verweerder] ten aanzien van twee van de gemaakte verwijten niet verwijtbaar gehandeld heeft, en hij door het drinken van twee glazen alcohol niet dusdanig verwijtbaar gehandeld heeft dat het ontbinding van de arbeidsovereenkomst rechtvaardigt, zal de kantonrechter het primaire verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van het toerekenbaar te kortschieten van [verweerder] dan wel het verwijtbaar handelen van [verweerder] , afwijzen.
Verstoorde arbeidsrelatie
5.18
Vervolgens moet worden beoordeeld of de arbeidsovereenkomst moet worden ontbonden vanwege een verstoorde arbeidsverhouding. Bectro voert daartoe aan dat [verweerder] het ‘visitekaartje’ van Bectro is bij klanten en dat Bectro, omdat zij niet dagelijks toezicht kan houden op [verweerder] , op hem moet kunnen vertrouwen. [verweerder] heeft dat vertrouwen ernstig geschaad waardoor sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding, aldus Bectro. [verweerder] heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat hij ook van mening is dat sprake is van een ernstige vertrouwensbreuk en dat de arbeidsverhouding is verstoord. Hij voert aan dat hij zich gestraft voelt voor gedragingen van zijn collega en dat Bectro meteen na het incident heeft aangestuurd op beëindiging van de arbeidsovereenkomst met [verweerder] om de relatie met TSH te redden. Omdat beide partijen verklaren dat er sprake is van een ernstige en onoplosbare vertrouwensbreuk en dat de arbeidsverhouding daardoor is verstoord, volgt de kantonrechter hen daarin. Gelet op de stellingen van partijen is er naar het oordeel van de kantonrechter ook geen zicht meer op verbetering van de arbeidsverhouding. De kantonrechter zal de arbeidsovereenkomst daarom ontbinden op grond van een verstoorde arbeidsverhouding.
Herplaatsing
5.19
Herplaatsing van [verweerder] binnen een redelijke termijn is niet mogelijk en ligt niet in de rede omdat, zoals Bectro heeft gesteld en [verweerder] tijdens de mondelinge behandeling heeft erkend, 90% van het werk van Bectro wordt verricht bij TSH en [verweerder] daar niet meer mag worden ingezet. Dat betekent dat er binnen Bectro onvoldoende werk is dat [verweerder] zou kunnen verrichten.
Het opzegverbod
5.2
Er is sprake van een opzegverbod omdat [verweerder] ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte. Het opzegverbod staat in dit geval echter niet in de weg aan ontbinding van de arbeidsovereenkomst, omdat de ziekmelding van [verweerder] niet samenhangt met de reden voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst (artikel 7:671b lid 6 sub a BW). Bovendien is de kantonrechter van oordeel dat, nu ook [verweerder] aangeeft dat sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding, er eveneens sprake is van omstandigheden die van dien aard zijn dat de arbeidsovereenkomst in het belang van de werknemer dient te eindigen.
Ontbinding
5.21
De conclusie is dat de arbeidsovereenkomst zal worden ontbonden vanwege een verstoorde arbeidsrelatie. Het einde van de arbeidsovereenkomst zal worden bepaald op
1 augustus 2026. Dat is de datum waarop de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging zou zijn geëindigd. Dat betekent dat het verzoek van Bectro om geen rekening te houden met de opzegtermijn, zal worden afgewezen.
De transitievergoeding
5.22
Omdat de arbeidsovereenkomst op verzoek van Bectro wordt ontbonden en [verweerder] daarvan gelet op het voorgaande geen ernstig verwijt kan worden gemaakt, heeft [verweerder] recht op de transitievergoeding (artikel 7:673 lid 1 onder Pro a sub 2 BW). Het verzoek van Bectro om te bepalen dat [verweerder] geen recht heeft op de transitievergoeding zal dus worden afgewezen.
5.23
[verweerder] is op 13 mei 2019 in dienst getreden en is per 1 augustus 2026 uit dienst. Zijn bruto maandinkomen bedraagt € 5.305,53. De kantonrechter begroot de transitievergoeding daarom op € 12.771,23 bruto. De gevorderde wettelijke rente over de transitievergoeding wordt ook toegewezen, te rekenen vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, dus vanaf 1 september 2026.
Ernstig verwijtbaar handelen door Bectro en billijke vergoeding
5.24
[verweerder] voert aan dat Bectro ernstig verwijtbaar heeft gehandeld en vordert een billijke vergoeding van € 64.000,-, afgerond één jaarsalaris. Hij stelt daartoe
– samengevat – dat hij altijd goed gefunctioneerd heeft en dat Bectro hem disproportioneel gestraft heeft voor de gedragingen van zijn collega. Volgens [verweerder] heeft Bectro zijn verweer en zijn belangen niet meegewogen in haar besluitvorming en heeft zij van meet af aan aangestuurd op het einde van de arbeidsovereenkomst om haar relatie met TSH te redden. Ook heeft Bectro hem extra (onterechte) verwijten gemaakt om tot een beëindiging van de arbeidsovereenkomst te komen en heeft zij gedreigd met een ontslag op staande voet om [verweerder] te bewegen om in te stemmen met een (voor hem ongunstige) regeling, aldus [verweerder] . Bectro betwist dat zij verwijtbaar heeft gehandeld en dat [verweerder] een billijke vergoeding toekomt.
5.25
De kantonrechter overweegt vooropgesteld dat een billijke vergoeding kan worden toegekend als de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever (artikel 7:671b lid 9, onder c BW). Dat zal zich alleen voordoen in uitzonderlijke gevallen en als een werkgever de verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst in ernstige mate schendt. Bij de beoordeling of de ontbinding het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever, moeten alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking worden genomen. [1]
5.26
Voor het vaststellen van de hoogte van de toe te kennen billijke vergoeding zijn in de rechtspraak uitgangspunten geformuleerd. [2] De kantonrechter moet bij het bepalen van de billijke vergoeding rekening houden met alle omstandigheden van het geval en die vergoeding moet daarbij aansluiten. Het gaat er uiteindelijk om dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Ook met de gevolgen van de ontbinding kan rekening worden gehouden, voor zover die gevolgen zijn toe te rekenen aan het verwijt dat de werkgever kan worden gemaakt. De billijke vergoeding heeft geen bestraffend doel, maar met de billijke vergoeding kan ook worden tegengegaan dat werkgevers ervoor kiezen een arbeidsovereenkomst op ernstig verwijtbare wijze te laten eindigen.
5.27
De kantonrechter is van oordeel dat Bectro ernstig verwijtbaar heeft gehandeld en ziet aanleiding om een billijke vergoeding toe te kennen. Het belangrijkste verwijt dat Bectro [verweerder] maakt hangt samen met de lekkage. Bectro wist echter (in ieder geval na het gesprek van 28 januari 2026) dat [verweerder] de lekkage niet heeft veroorzaakt. Ook wist Bectro dat [verweerder] pas later wist van de ernst van de lekkage en helemaal niet van de stroomstoringen die zijn opgetreden. Bectro had vanaf dat moment moeten inzien dat [verweerder] geen verwijt kan worden gemaakt. Bectro heeft [verweerder] echter vanaf het begin verantwoordelijk gehouden en heeft vrijwel direct aangestuurd op een einde van de arbeidsovereenkomst. Ongetwijfeld heeft de lekkage gevolgen gehad voor de verhouding tussen Bectro en TSH, maar deze gevolgen kunnen [verweerder] niet worden aangerekend. Bectro doet dat wel. Bectro heeft ook te weinig actie ondernomen om te voorkomen dat [verweerder] niet langer bij TSH ingezet kon worden. Zij had TSH eerder kunnen en moeten informeren over het feit dat [verweerder] de lekkage niet heeft veroorzaakt en ook niet van de ernst daarvan op de hoogte was. Omdat TSH ook verwijst naar het incident in 2023 (hiervoor beschreven onder 5.15), had Bectro TSH bovendien duidelijk moeten informeren over de toedracht daarvan en de rol van [verweerder] daarbij. Indien Bectro dit had gedaan had zij wellicht kunnen voorkomen dat [verweerder] niet langer welkom is bij TSH. Het feit dat Bectro het eerdere incident vervolgens ook nog betrekt bij haar verzoek en stelt dat er in 2023 al arbeidsrechtelijke consequenties hadden kunnen volgen, acht de kantonrechter tot slot, gelet op de hiervoor beschreven toedracht, zeer onzorgvuldig en in strijd met goed werkgeverschap.
Bectro is een billijke vergoeding van € 12.500,- verschuldigd
5.28
Gelet op het voorgaande is de verstoring van de arbeidsverhouding in grote mate aan het handelen van Bectro te wijten en heeft zij ernstig verwijtbaar gehandeld. Daartegenover staat dat [verweerder] ook een verwijt kan worden gemaakt. Hij heeft in strijd met de bedrijfsregels twee glazen alcohol gedronken tijdens zijn storingsdienst. Dat aspect zal ook worden meegenomen in de hoogte van de billijke vergoeding.
5.29
Er is geen reden gesteld om aan te nemen dat de arbeidsovereenkomst zonder de verstoorde arbeidsrelatie binnen korte tijd zou zijn geëindigd. Dat betekent dat de arbeidsovereenkomst zonder het verwijtbare handelen van Bectro zou hebben voortgeduurd. De kantonrechter overweegt verder dat het waarschijnlijk is dat [verweerder] na het einde van de arbeidsovereenkomst op 1 augustus 2026, binnen afzienbare tijd een nieuwe arbeidsbetrekking zal kunnen vinden. Zoals Bectro onweersproken heeft gesteld is er veel vraag naar servicemonteurs en zou [verweerder] bovendien nog een opleiding kunnen volgen om zijn kansen op de arbeidsmarkt te vergroten. Ook heeft Bectro onweersproken gesteld dat [collega] , nadat de arbeidsovereenkomst met hem is geëindigd, binnen korte tijd weer een nieuwe arbeidsbetrekking heeft gevonden en dat hij over dezelfde opleidingen beschikt als [verweerder] .
5.3
Verder zal de kantonrechter in de berekening van de hoogte van de billijke vergoeding meewegen dat [verweerder] sinds 20 januari 2026 is vrijgesteld van werk maar wel salaris ontvangt en dat zijn arbeidsovereenkomst eindigt per 1 augustus 2026. Verder zal rekening worden gehouden met de toegekende transitievergoeding en met het recht op WW. De kantonrechter zal, gelet op alle voornoemde omstandigheden, Bectro veroordelen tot betaling van een billijke vergoeding van € 12.500,- bruto. De gevorderde wettelijke rente over deze vergoeding wordt toegewezen, te rekenen vanaf de veertiende dag na de datum van deze beschikking.
5.31
Omdat aan de ontbinding een billijke vergoeding wordt verbonden, krijgt Bectro de gelegenheid om het verzoek in te trekken, binnen een termijn van veertien dagen na de datum van deze beschikking (artikel 7:686a lid 6 BW).
Conclusie
5.32
Gelet op het voorgaande zal de kantonrechter de arbeidsovereenkomst tussen partijen ontbinden vanwege een verstoorde arbeidsverhouding (g-grond) en zal de kantonrechter Bectro veroordelen tot betaling van de transitievergoeding van € 12.771,23 bruto en tot betaling van een billijke vergoeding van € 12.500,-
De proceskosten in het verzoek en het tegenverzoek
5.33
Als Bectro het verzoek intrekt, zal zij de proceskosten van [verweerder] moeten betalen. De proceskosten aan de zijde van [verweerder] worden begroot op € 1.009,00 (€ 865,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.
5.34
Als Bectro het verzoek niet intrekt, zullen de proceskosten ten aanzien van het verzoek en het voorwaardelijke tegenverzoek tussen partijen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
5.35
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

6.De beslissing

De kantonrechter
6.1
stelt Bectro in de gelegenheid om het verzoek uiterlijk 23 juni 2026 in te trekken, door middel van een schriftelijke mededeling aan de griffier, met toezending van een kopie daarvan aan de (gemachtigde van de) wederpartij,
Voor het geval Bectro het verzoek niet binnen die termijn intrekt:
Op het verzoek en het tegenverzoek
6.2
ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 augustus 2026,
6.3
veroordeelt Bectro om aan [verweerder] een transitievergoeding te betalen van € 12.771,23 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 september 2026, tot aan de dag van de gehele betaling,
6.4
veroordeelt Bectro om aan [verweerder] een billijke vergoeding te betalen van € 12.500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf de veertiende dag na de datum van deze beschikking, tot aan de dag van de gehele betaling,
6.5
compenseert de proceskosten tussen partijen in die zin dat iedere partij de eigen proceskosten draagt,
6.6
verklaart de beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
6.7
wijst het meer of anders verzochte af,
Voor het geval Bectro het verzoek binnen die termijn intrekt:
6.8
veroordeelt Bectro in de proceskosten van [verweerder] van € 1.009,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als Bectro niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,
6.9
veroordeelt Bectro tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in
artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
6.1
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.W. Eshuis en in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2026.(mb)

Voetnoten

1.Hoge Raad 21 januari 2022, ECLI:NL:HR:2022:63.
2.Hoge Raad 8 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:878.