ECLI:NL:RBOVE:2026:3505

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
23 juni 2026
Zaaknummer
08-247646-23
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 141 SrArt. 6 EVRMArt. 63 SrArt. 6:106 BWArt. 36f Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor openlijke geweldpleging met steekverwondingen en taakstraf opgelegd

Op 20 november 2022 heeft verdachte samen met anderen openlijk geweld gepleegd tegen het slachtoffer in het centrum van Enschede, waarbij het slachtoffer twee steekverwondingen opliep. Verdachte heeft zelf het slachtoffer geduwd en geschopt terwijl deze op de grond lag, wat een voldoende significante bijdrage aan het geweld vormde. De rechtbank achtte bewezen dat verdachte mede verantwoordelijk is voor het steken door anderen, omdat hij zich op korte afstand bevond en dit niet kon ontgaan.

De rechtbank heeft het bewezen verklaarde strafbaar gesteld als openlijke geweldpleging in vereniging en veroordeelde verdachte tot een taakstraf van zestig uren, te vervangen door dertig dagen hechtenis, met aftrek van de tijd in verzekering. De straf is verminderd vanwege een overschrijding van de redelijke termijn van dertien maanden.

Daarnaast is verdachte hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor immateriële schade van € 2.000,00 aan het slachtoffer, met wettelijke rente vanaf 20 november 2022. De rechtbank legde ook een schadevergoedingsmaatregel op, waarbij bij niet-betaling gijzeling van twintig dagen kan worden toegepast.

De rechtbank hield rekening met de ernst van het feit, de eerdere veroordeling van verdachte voor straatroof, en positieve ontwikkelingen in zijn persoonlijke situatie. Verdachte heeft zijn aandeel bekend en spijt betuigd. De vordering van de benadeelde partij is deels toegewezen, de rest afgewezen.

Het vonnis is gewezen door de meervoudige kamer van de Rechtbank Overijssel te Almelo en uitgesproken op 23 juni 2026.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot een taakstraf van zestig uren met dertig dagen vervangende hechtenis en een schadevergoeding van € 2.000,- wegens openlijke geweldpleging in vereniging.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Almelo
Parketnummer: 08-247646-23 (P)
Datum vonnis: 23 juni 2026
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1999 in [geboorteplaats],
wonende aan de [woonplaats].

1.Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 9 juni 2026.
De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsman mr. G. Vermeulen, advocaat in Tilburg, naar voren is gebracht.
Ook heeft de rechtbank kennis genomen van wat namens de benadeelde partij [slachtoffer] door mr. J. Klomp, advocaat in Enschede, is aangevoerd.

2.De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte samen met anderen openlijk geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer].
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
hij op of omstreeks 20 november 2022 te Enschede openlijk, te weten in het centrum van Enschede ter hoogte van [bedrijf] op/aan de [adres] in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer] door:
- één of meermalen met een mes, althans een scherp voorwerp, in het (boven)been althans het lichaam van die [slachtoffer] te steken en/of
- één of meermalen op/tegen het lichaam van die [slachtoffer] te slaan en/of te stompen en/of
- één of meermalen op/tegen het lichaam van die [slachtoffer] te trappen en/of te schoppen en/of
- die [slachtoffer] ten val te brengen en/of
- één of meermalen duwende en/of een trappende bewegingen te maken in de richting van het lichaam van die [slachtoffer].

3.De bewijsmotivering

3.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.
3.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard, met uitzondering van het gedachtestreepje over het steken. Verdachte moet hiervan worden vrijgesproken omdat hij niet wist dat er door een ander zou worden gestoken en dit niet voorzienbaar was.
3.3
Het oordeel van de rechtbank
Op 20 november 2022 is aan de [adres] door meerdere personen geweld gepleegd tegen [slachtoffer] (hierna ook: [slachtoffer]) die daardoor twee steekverwondingen heeft opgelopen in zijn bovenbeen. Naast het steken bestond het geweld – dat op camerabeelden is vastgelegd – uit duwen, slaan en schoppen.
De rechtbank stelt voorop dat van het "in vereniging" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard behoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die "in vereniging" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en/of materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.
Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij zichzelf op de camerabeelden herkent als persoon NN4 en dat hij het slachtoffer een duw en een schop heeft gegeven. Dit laatste deed hij terwijl het slachtoffer op de grond lag. De rechtbank stelt vast dat verdachte niet enkel de groep getalsmatig heeft versterkt, maar dat hij door een duw en een schop tegen het op de grond liggende slachtoffer te geven een voldoende significante bijdrage heeft geleverd aan het geweld. Dit betekent dat verdachte – vanwege de aard van het delict openlijke geweldpleging dat in groepsverband wordt gepleegd – ook strafrechtelijk aansprakelijk is voor de in de tenlastelegging genoemde geweldshandelingen die niet door hem zijn uitgevoerd, waaronder het steken. Op het moment dat er door een ander dan verdachte werd gestoken (met een uit de aard van het letsel af te leiden scherp voorwerp) stond verdachte bovendien op dusdanig korte afstand van het slachtoffer en de steker, dat dit hem niet kan zijn ontgaan.
De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.
3.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 20 november 2022 te Enschede openlijk, te weten in het centrum van Enschede ter hoogte van [bedrijf] op/aan de [adres], te Enschede in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer] door:
- meermalen met een scherp voorwerp, in het bovenbeen van die [slachtoffer] te steken en
- meermalen op/tegen het lichaam van die [slachtoffer] te slaan en
- meermalen op/tegen het lichaam van die [slachtoffer] te trappen en/of te schoppen en
- die [slachtoffer] ten val te brengen en/of
- eenmaal een duwende beweging te maken in de richting van het lichaam van die [slachtoffer].
De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in artikel 141 van Pro het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:
het misdrijf: openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

5.De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.

6.De op te leggen straf of maatregel

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft, rekening houdend met de overschrijding van de redelijke termijn, gevorderd verdachte te veroordelen tot een taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen vervangende hechtenis.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht om te volstaan met oplegging van een gematigde taakstraf en bij het bepalen van de hoogte daarvan rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn.
6.3
De gronden voor een straf of maatregel
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
De ernst van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging tegen [slachtoffer] en heeft samen met zijn mededaders inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van [slachtoffer]. Onduidelijk is gebleven wat de aanleiding van de ontstane vechtpartij is geweest. Verdachte heeft voor zijn deelneming daaraan geen verklaring kunnen geven. Hij heeft het slachtoffer niet alleen een duw gegeven, maar hem ook geschopt terwijl dat slachtoffer op de grond lag. Hierna hebben verdachte en zijn kompanen [slachtoffer] bloedend achtergelaten, zonder zich ook maar een moment om hem te bekommeren. De rechtbank rekent dit verdachte aan. Door verbalisanten die snel ter plaatse kwamen is de nodige eerste medische zorg verleend. Openlijke geweldpleging veroorzaakt niet alleen gevoelens van onveiligheid bij directe slachtoffers en omstanders, maar ook bij de maatschappij als geheel.
De persoon van verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van verdachte van 7 mei 2026. Hieruit blijkt dat verdachte op 30 oktober 2024 door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden is veroordeeld tot een deels voorwaardelijke gevangenisstaf voor een straatroof in vereniging. De rechtbank zal gelet op het bepaalde in artikel 63 Sr Pro hiermee rekening houden bij de strafoplegging.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het inmiddels ruim twee jaar oude over verdachte door het Leger des Heils opgemaakte reclasseringsrapport van 1 februari 2024. De reclassering rapporteerde destijds het volgende. Verdachte lijkt zijn leven op orde te hebben. De relaties met zijn partner en ouders worden als steunend gezien en er zijn geen problemen op het gebied van huisvesting. Verdachte werkt sinds eind 2023 bij Twente Milieu op de vuilniswagen en bij bezorgdienst Flink. Er is sprake van een schuldenlast bij de belastingdienst, het CJIB en een verzekeringsinstantie waarvoor een betalingsregeling loopt. Het zeer beperkte sociale netwerk van verdachte – waarbij zijn enige vriend een medeverdachte van het onderhavige feit is – en een mogelijk probleem met impulsiviteit worden gezien als risicoverhogende factoren. Geadviseerd wordt aan verdachte een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden een meldplicht, ambulante behandeling en een gedragsinterventie cognitieve vaardigheden.
Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij sinds het gepleegde feit en de rapportage positieve ontwikkelingen heeft doorgemaakt. Verdachte heeft nog altijd een relatie met dezelfde partner en samen hebben zij in april 2026 een huis gekocht. Verder heeft hij zijn rijbewijs gehaald, is hij schuldenvrij en heeft hij binnen Twente Milieu een nieuwe functie gekregen met uitzicht op een vast dienstverband.
De straf
De rechtbank is van oordeel dat er omstandigheden zijn die in het voordeel van verdachte moeten worden meegewogen bij het bepalen van de hoogte van de straf. Verdachte heeft vanaf het politieverhoor zijn aandeel in het feit bekend en heeft ter terechtzitting spijt betuigd. Verdachte heeft zijn leven inmiddels een andere en betere wending gegeven. Na het onderhavige feit zijn door verdachte geen misdrijven meer gepleegd waarvoor hij is veroordeeld. De rechtbank merkt op dat verdachte de positieve factoren zoals die door de reclassering destijds zijn benoemd heeft vastgehouden of heeft geoptimaliseerd.
Verder houdt de rechtbank rekening met het volgende. Bij de berechting van een zaak, waarbij geen sprake is van bijzondere omstandigheden heeft als uitgangspunt te gelden dat de behandeling van de zaak op de terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar na aanvang van de redelijke termijn. De redelijke termijn vangt aan op het moment dat een verdachte in redelijkheid de verwachting kan hebben dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. De inverzekeringstelling van een verdachte kan als een zodanige handeling worden aangemerkt.
Verdachte is op 23 mei 2023 in verzekering gesteld. Op deze datum is de redelijke termijn daarom aangevangen. Tussen 23 mei 2023 en 23 juni 2026 ligt een periode van 37 maanden.
Er zijn geen bijzondere omstandigheden die het verstreken tijdsverloop kunnen rechtvaardigen. Er is daarom sprake van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) van dertien maanden. Nu deze overschrijding niet is toe te rekenen aan verdachte, zal de rechtbank dit compenseren door strafvermindering.
De rechtbank zou voor het bewezenverklaarde feit en zonder overschrijding van de redelijke termijn aan verdachte een taakstraf voor de duur van tachtig uren subsidiair veertig dagen hechtenis hebben opgelegd.
De rechtbank legt aan verdachte op een taakstraf voor de duur van zestig uren, te vervangen door dertig dagen hechtenis en met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering heeft doorgebracht.

7.De schade van benadeelde

7.1
De vordering van de benadeelde partij
[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. Ter vergoeding van immateriële schade wordt een bedrag van € 3.000,00 gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan.
7.2
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd de vordering te matigen tot een bedrag van
€ 1.500,00, dit bedrag hoofdelijk toe te wijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan.
7.3
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht om niet over te gaan tot hoofdelijke toewijzing van de vordering en de aan verdachte toe te rekenen schadevergoedingsverplichting aanzienlijk te matigen.
7.4
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het handelen van verdachte immateriële schade heeft geleden. Op grond van artikel 6:106, aanhef en sub b BW heeft de benadeelde recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding anders dan vermogensschade als de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, zoals in deze zaak het geval is. [slachtoffer] heeft twee steekverwondingen opgelopen. Gelet op de aard van het letsel en de bedragen die in vergelijkbare gevallen worden toegekend, stelt de rechtbank de immateriële schade naar billijkheid vast op € 2.000,00. De rechtbank zal het gevorderde daarom toewijzen tot dat bedrag, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf 20 november 2022 en wijst de vordering voor het overige af.
De verdachte is voor de schade naar burgerlijk recht met zijn mededader(s) hoofdelijk aansprakelijk. Dit betekent dat de verdachte tegenover de benadeelde partij voor het hele bedrag aansprakelijk is.
7.5
De schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partij heeft verzocht en de officier van justitie heeft gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
De rechtbank zal de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het feit is toegebracht.
Als door de verdachte niet volledig wordt betaald, kan deze verplichting worden aangevuld met twintig dagen gijzeling, waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft.

8.De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 9, 22c en 22d Sr.

9.De beslissing

De rechtbank:
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
het misdrijf: openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen;
strafbaarheid verdachte
- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;
straf
- veroordeelt de verdachte tot een
taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van
60 (zestig) uren;
- beveelt, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat
vervangende hechteniszal worden toegepast voor de duur van
30 (dertig) dagen;
- beveelt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de taakstraf in mindering wordt gebracht, waarbij als maatstaf geldt dat twee uren per dag aftrek plaatsvindt;
schadevergoeding
- wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toe tot een bedrag van € 2.000,00 bestaande uit immateriële schade;
- veroordeelt de verdachte
hoofdelijktot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van
€ 2.000,00 (te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 november 2022) met dien verstande dat als en voor zover al door een ander/anderen (gedeeltelijk) is betaald, verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd;
- veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;
- legt de
maatregelop dat de verdachte verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 2.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 november 2022 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat
gijzelingvoor de duur van
20 dagenkan worden toegepast, (een en ander voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan). Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;
- bepaalt dat als de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van de verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als de verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;
- wijst de vordering van de benadeelde partij voor het overige af.
Dit vonnis is gewezen door mr. E. Venekatte, voorzitter, mr. A.M.G. Ellenbroek en
mr. P.J. Beker, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.A.B. Kroeze, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2026.
Bijlage bewijsmiddelen
Leeswijzer
Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.
Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit de digitaal genummerde pagina’s uit het dossier van politie eenheid Oost-Nederland met nummer PL0600-2023228247. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar pagina’s van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.
1. Het proces-verbaal van de terechtzitting van 9 juni 2026, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van verdachte:
Ik ben persoon NN4 op de camerabeelden. Ik zag op de beelden dat ik een duw en een schop gaf. De persoon die ik een schop gaf lag toen op de grond.
2. Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] van 22 november 2022, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (p. 266):
Op 20 november 2022 ging ik naar [bedrijf], gevestigd aan de [adres]. Buiten voelde ik een klap op mijn achterhoofd. Ik ben door meerdere mensen mishandeld. Ik ben tijdens het gevecht op mijn voorhoofd geslagen. Ik ben in mijn linker bovenbeen gestoken.
3. Een geschrift, te weten een medische verklaring van V. Bernal López, arts-assistent namens R.J. de Wit, (trauma)chirurg, beiden verbonden aan het het Medisch Spectrum Twente van 22 november 2022, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (p. 276-277):
[slachtoffer] bezocht op 20-11-2022 de afdeling Spoedeisende hulp voor het specialisme chirurgie.
Reden van komst / Verwijzing
Steekverwonding bovenbeen - trauma team.
OE: 2 taal laceraties. meest mediaal van 4x3cm, meest lateraal 3cmx 2cm.
4. Het proces-verbaal van bevindingen van 24 mei 2023 met bijbehorende fotobladen, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (p. 341, 345-343, 350-352, 354)
Pleegdatum: 20 november 2022
Beelden: d251d6d11dec4f4aadce5bee57800ed0 (Flink)
De datum- en tijdsaanduiding is de werkelijke datum en tijd.
[Afbeelding}
NN2 stapt meermaals op het slachtoffer af. Vervolgens trapt NN4 op het slachtoffer.
Pleegdatum: 20 november 2022, 04.00 uur-04.10 uur
Beelden: bewerkte beelden Miami, NVR_ch2_main_20221120040744 steekpartij zoom
De datum- en tijdsaanduiding op de beelden zijn de werkelijke datum en tijd.
Op de beelden is duidelijk te zien dat het slachtoffer getrapt wordt door verschillende personen en er meerdere stekende bewegingen gemaakt worden naar het lichaam van het slachtoffer.
[Afbeelding}
Slachtoffer wendt zich van NN1 af waar hij eerst naast liep. Er ontstaat hierna een handgemeen waarbij het niet te zien is wie wat doet.
[Afbeelding}
NN2 komt uit de groep van het handgemeen en heeft een voorwerp in zijn rechterhand en maakt een voorwaartse beweging richting de groep. Het slachtoffer bevindt zich midden in die groep.
[Afbeelding}
NN2 maakt een stekende beweging met zijn rechterhand.
[Afbeelding}
NN2 hangt boven het slachtoffer en strekt zijn rechterarm richting het lichaam van het slachtoffer. Er is te zien op de beelden dat NN2 twee maal kort achter elkaar een stekende beweging maakt richting het lichaam van het slachtoffer.
[Afbeelding}
NN1 trapt op het lichaam van het slachtoffer.