Op 20 november 2022 vond in het centrum van Enschede een incident plaats waarbij het slachtoffer meerdere steekverwondingen opliep door geweld van meerdere personen. Verdachte werd ervan verdacht samen met anderen openlijk geweld te hebben gepleegd, waaronder steken met een mes.
Tijdens de terechtzitting op 9 juni 2026 heeft de officier van justitie gesteld dat het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden, terwijl de verdediging betoogde dat niet vaststaat dat verdachte aanwezig was of heeft deelgenomen aan het geweld. De rechtbank heeft het bewijs onderzocht, waaronder camerabeelden en verklaringen van verbalisanten, maar vond het bewijs onvoldoende eenduidig om met zekerheid vast te stellen dat verdachte de persoon was die de steekbewegingen maakte.
De rechtbank oordeelde dat verdachte niet kan worden aangewezen als de stekende persoon NN2 en dat er geen aanwijzingen zijn dat hij een van de andere geweldplegers was. Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van het ten laste gelegde. De vordering van de benadeelde partij tot vergoeding van immateriële schade werd niet-ontvankelijk verklaard omdat de strafrechtelijke grondslag ontbreekt.