Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2026:3506

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
23 juni 2026
Zaaknummer
08-247647-23
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 279 SvArt. 361 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak verdachte wegens onvoldoende bewijs openlijke geweldpleging in Enschede

Op 20 november 2022 vond in het centrum van Enschede een incident plaats waarbij het slachtoffer meerdere steekverwondingen opliep door geweld van meerdere personen. Verdachte werd ervan verdacht samen met anderen openlijk geweld te hebben gepleegd, waaronder steken met een mes.

Tijdens de terechtzitting op 9 juni 2026 heeft de officier van justitie gesteld dat het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden, terwijl de verdediging betoogde dat niet vaststaat dat verdachte aanwezig was of heeft deelgenomen aan het geweld. De rechtbank heeft het bewijs onderzocht, waaronder camerabeelden en verklaringen van verbalisanten, maar vond het bewijs onvoldoende eenduidig om met zekerheid vast te stellen dat verdachte de persoon was die de steekbewegingen maakte.

De rechtbank oordeelde dat verdachte niet kan worden aangewezen als de stekende persoon NN2 en dat er geen aanwijzingen zijn dat hij een van de andere geweldplegers was. Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van het ten laste gelegde. De vordering van de benadeelde partij tot vergoeding van immateriële schade werd niet-ontvankelijk verklaard omdat de strafrechtelijke grondslag ontbreekt.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs dat hij openlijk geweld heeft gepleegd.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Almelo
Parketnummer: 08-247647-23 (P)
Datum vonnis: 23 juni 2026
Vonnis op tegenspraak (279 Sv) in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1996 op [geboorteplaats], Nederlandse Antillen,
woon- of verblijfplaats onbekend.

1.Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van
9 juni 2026.
De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door de gemachtigde raadsvrouw van verdachte mr. F.T.J. Stoof, advocaat in Breda, naar voren is gebracht.
Ook heeft de rechtbank kennis genomen van wat namens de benadeelde partij [slachtoffer] door mr. J. Klomp, advocaat in Enschede, is aangevoerd.

2.De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte samen met anderen openlijk geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer].
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
hij op of omstreeks 20 november 2022 te Enschede openlijk, te weten in het centrum van Enschede ter hoogte van [bedrijf 1] op/aan de [adres] in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer] door:
- één of meermalen met een mes, althans een scherp voorwerp, in het (boven)been althans het lichaam van die [slachtoffer] te steken en/of
- één of meermalen op/tegen het lichaam van die [slachtoffer] te slaan en/of te stompen en/of
- één of meermalen op/tegen het lichaam van die [slachtoffer] te trappen en/of te schoppen en/of
- die [slachtoffer] ten val te brengen en/of
- één of meermalen duwende en/of een trappende bewegingen te maken in de richting van het lichaam van die [slachtoffer].

3.De bewijsmotivering

3.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen.
3.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde. Niet kan worden vastgesteld dat verdachte aanwezig was bij de openlijke geweldpleging, dan wel dat hij hieraan een bijdrage heeft geleverd.
3.3
Het oordeel van de rechtbank
Op 20 november 2022 is aan de Noorderhagen in Enschede door meerdere personen geweld gepleegd tegen [slachtoffer] (hierna ook: [slachtoffer]) die daardoor twee steekverwondingen heeft opgelopen in zijn bovenbeen. Naast het steken bestond het geweld – dat op camerabeelden is vastgelegd – uit duwen, slaan en schoppen. Het dossier bevat aanwijzingen dat verdachte persoon NN2 op de camerabeelden is. Op de beelden is te zien dat die persoon meerdere steekbewegingen maakt richting het lichaam van [slachtoffer]. De eerste vraag die beantwoord moet worden, is of met voldoende mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat NN2 [verdachte] is.
De rechtbank overweegt daartoe als volgt. Verdachte heeft geen verklaring willen afleggen. Het dossier bevat processen-verbaal van verbalisanten die ter plaatse zijn geweest dan wel de camerabeelden van het incident hebben bekeken. Het beeld dat uit de bevindingen ontstaat is niet eenduidig. Nadat verbalisant [verbalisant 1] in eerste instantie een ander dan verdachte als persoon NN2 herkent, maakt zij een half jaar na het incident een proces-verbaal op waarin het verdachte is die zij op aanvullende camerabeelden van coffeeshop [bedrijf 2] als persoon NN2 herkent. Het loopje van persoon NN2 wordt daarbij als kenmerkend voor verdachte benoemd. Verbalisant [verbalisant 1] heeft vervolgens bij de rechter-commissaris verklaard waarom zij in eerste instantie een ander als persoon NN2 had herkend. Tegelijkertijd is verbalisant Sonderen van oordeel dat diezelfde camerabeelden van coffeeshop [bedrijf 2] van onvoldoende kwaliteit zijn om herkenningen te kunnen opmaken. Verbalisant [verbalisant 2] maakt ook een herkenning op van persoon NN2 en refereert daarbij eveneens aan het typerende loopje van persoon NN2, maar koppelt dit juist aan een ander dan verdachte.
De rechtbank is van oordeel dat bij deze stand van zaken niet vastgesteld kan worden dat verdachte de stekende persoon NN2 is geweest. Het dossier bevat ook geen aanwijzingen die tot de conclusie kunnen leiden dat verdachte een van de andere geweldsplegers is, zodat verdachte van het ten laste gelegde zal worden vrijgesproken.

4.De schade van benadeelde

4.1
De vordering van de benadeelde partij
[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. Ter vergoeding van immateriële schade wordt een bedrag van € 3.000,00 gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan.
4.1
Het oordeel van de rechtbank
De vordering heeft betrekking op het ten laste gelegde. Omdat verdachte van dit feit wordt vrijgesproken, zal de rechtbank de benadeelde partij op de voet van artikel 361, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.

5.De beslissing

De rechtbank:
vrijspraak
- verklaart niet bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;
schadevergoeding
- bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer] in het geheel niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
- bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.
Dit vonnis is gewezen door mr. E. Venekatte, voorzitter, mr. A.M.G. Ellenbroek en
mr. P.J. Beker, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.A.B. Kroeze, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2026.