Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2026:3592

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
25 juni 2026
Publicatiedatum
25 juni 2026
Zaaknummer
08.336404.24 (P)
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 47 SrArt. 282 SrArt. 312 SrArt. 36f SrArt. 14a Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen wederrechtelijke vrijheidsberoving en diefstal met geweld

Op 13 september 2024 heeft verdachte samen met anderen het slachtoffer wederrechtelijk van zijn vrijheid beroofd in een woning te Zwolle. Het slachtoffer werd gelokt, geslagen, onder meer met een vuurwapen, gedwongen zich uit te kleden en gefilmd. Vervolgens werd met geweld diverse goederen van het slachtoffer weggenomen.

De rechtbank heeft op basis van verklaringen, waaronder die van het slachtoffer, en bekentenissen van verdachte, vastgesteld dat verdachte medepleger is van deze feiten. De verdediging ontkende het gebruik van vuurwapens, maar dit werd door de rechtbank verworpen vanwege de betrouwbare en gedetailleerde verklaring van het slachtoffer.

De rechtbank heeft verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 30 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar, en een contactverbod met het slachtoffer opgelegd. Daarnaast is verdachte veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding van €6.147,- plus wettelijke rente, en is een telefoon verbeurd verklaard. De voorlopige hechtenis is geschorst gebleven.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 30 maanden gevangenisstraf, waarvan 10 maanden voorwaardelijk, met een schadevergoeding en contactverbod opgelegd.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Zwolle
Parketnummer: 08.336404.24 (P)
Datum vonnis: 25 juni 2026
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum 1] 2003 in [geboorteplaats 1] (Syrië),
wonende aan de [woonplaats].

1.Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 4 september 2025, 20 mei 2026 en 25 juni 2026.
De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officieren van justitie (hierna: de officier van justitie) en van wat door verdachte en zijn raadsman mr. F.A. van Katwijk, advocaat in Utrecht, naar voren is gebracht.
Ook heeft de rechtbank kennis genomen van wat namens de benadeelde partij [slachtoffer] door mr. K. Zech is aangevoerd.

2.De tenlastelegging

De verdenking komt er na wijziging van de tenlastelegging van 4 september 2025, kort en bondig, op neer dat verdachte op 13 september 2024 in Zwolle:
feit 1: samen met anderen opzettelijk [slachtoffer] van zijn vrijheid heeft beroofd;
feit 2: samen met anderen met (dreiging met) geweld meerdere goederen heeft weggenomen van [slachtoffer].
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
feit 1hij op of omstreeks 13 september 2024 te Zwolle,tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,opzettelijk[slachtoffer]wederrechtelijk van de vrijheid heeft/hebben beroofd en/of beroofdgehouden,door-die [slachtoffer] (telefonisch) te (laten) benaderen en/of naar een woninggelegen aan [adres 1] te laten komen/lokken en/of die [slachtoffer] diewoning naar binnen te trekken, althans binnen te laten en/of- een of meerdere malen te slaan met een (vuur)wapen op/tegen hethoofd, althans het lichaam, van die [slachtoffer] en/of-die [slachtoffer] zijn kleding uit te (laten) trekken en/of op te dragen naaktop de bank te liggen en/of die [slachtoffer] te filmen en/of- meermalen dreigend aan die [slachtoffer] te vragen 'wie heeft de auto in debrand gestoken’ en/of- te zeggen tegen die [slachtoffer]: ‘als jij dit ooit tegen iemand vertelt danzullen we de filmpjes laten zien’, ‘we komen naar je osso’ en/of 'wemaken je het leven zuur’ en/of ‘we maken je dood’ en/of ‘iedereen komtaan de beurt’, althans woorden van gelijke dreigende aard en/ofstrekking en/of- een vuurwapen op/tegen het (achter)hoofd van die [slachtoffer] te richtenen/of te houden en/of hem, [slachtoffer], met het vuurwapen te slaan en/of- een of meerdere malen die [slachtoffer] vast te houden en/of (krachtig) vastte grijpen, althans die [slachtoffer] (tegen zijn wil) vast te houden en/of eendreigende sfeer te creëren en/of voortdurend in de nabijheid van die[slachtoffer] te verblijven waardoor die [slachtoffer] werd belet/belemmerd dewoning gelegen aan de [adres 1] te verlaten;feit 2hij op of omstreeks 13 september 2024 te Zwolletezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,- een of meerdere sleutels,- een of meerdere telefoons,- een ID-kaart,- een of meerdere trainingspakken en/of- een grote hoeveelheid pakjes sigaretten,in elk geval enig goed, dat/ die geheel of ten dele aan [slachtoffer], in elkgeval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s)toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zichwederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan,vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen[slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor tebereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad,aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vluchtmogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door- een of meerdere malen te slaan met een vuurwapen op/tegen hethoofd, althans het lichaam, van die [slachtoffer] en/of- een vuurwapen op/tegen het (achter)hoofd van die [slachtoffer] te richtenen/of te houden en/of- een of meerdere malen die [slachtoffer] vast te houden en/of (krachtig) vastte grijpen en/of-van die [slachtoffer] zijn sleutels af te (laten) pakken/weg te nemen en/of- (vervolgens) met de sleutel de woning aan de [adres 2]wederrechtelijk binnen te treden en aldaar een of meerdere telefoons,ID-kaart, trainingspakken en/of pakjes sigaretten weg te nemen.

3.De bewijsmotivering

3.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie vindt de onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen.
3.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken van de onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde (gewelds)handelingen met een vuurwapen.
3.3
Het oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van het onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde
Verdachte heeft bekend dat hij de onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde feiten heeft gepleegd. Tijdens de zitting is – met uitzondering van de hierna te bespreken handelingen met het vuurwapen - door hem of zijn raadsman geen vrijspraak bepleit. De rechtbank komt daarom op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen [1] tot een bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten, waarbij de rechtbank overeenkomstig artikel 359, derde lid, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) zal volstaan met de volgende opsomming van de bewijsmiddelen:
de (bekennende) verklaring van verdachte, afgelegd tijdens het onderzoek ter terechtzitting van 20 mei 2026;
het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] van 18 september 2024 (pagina’s 2205 tot en met 2228).
De (gewelds)handelingen met een vuurwapen
Verdachte heeft ontkend dat door hem of zijn mededaders (een) vuurwapen(s) is/zijn gebruikt. De rechtbank overweegt het volgende.
[slachtoffer] heeft ten aanzien van het gebruik van (een) vuurwapen(s) verklaard dat hij in de woning aan de [adres 1] een klap tegen zijn hoofd kreeg, met de kolf van een vuurwapen en dat hij twee vuurwapens heeft gezien; een zilverkleurige Baretta en een ander vuurwapen. Na afloop van de wederrechtelijke vrijheidsberoving heeft [medeverdachte 1] beide wapens in een zwarte tas gedaan. [slachtoffer], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] zijn daarna van de woning aan de [adres 1] naar de Kortenaerstraat gelopen, waar een Peugeot 108 stond geparkeerd. [medeverdachte 1] heeft de tas met wapens onder de bestuurdersstoel van dat voertuig gelegd.
De verklaring van [slachtoffer] over het vuurwapenbezit en -gebruik vindt steun in andere bewijsmiddelen in het dossier. De rechtbank stelt vast dat [slachtoffer] van meet af aan bij zijn aangifte concreet en gedetailleerd heeft verklaard, ook over de handelingen met de vuurwapens en wat de verdachten na afloop van de wederrechtelijke vrijheidsberoving in de woning met de vuurwapens hebben gedaan. De rechtbank heeft geen enkele aanleiding om aan de juistheid en inhoud van dit onderdeel van de verklaring van [slachtoffer] te twijfelen en acht zijn verklaring ook op dat punt betrouwbaar. De rechtbank stelt op basis van de verklaring van [slachtoffer] vast dat hij met een vuurwapen is geslagen. Het onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde ‘slaan met een vuurwapen’ is daarmee naar het oordeel van de rechtbank wettig en overtuigend bewezen.
3.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de opgegeven bewijsmiddelen waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:
feit 1
hij op 13 september 2024 te Zwolle, tezamen en in vereniging met anderen,opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofdgehouden, door- [slachtoffer] telefonisch te (laten) benaderen en naar een woning gelegen aan [adres 1] te laten komen en [slachtoffer] die woning binnen te trekken,- te slaan tegen het hoofd van [slachtoffer],- [slachtoffer] zijn kleding uit te trekken, op te dragen naakt op de bank te liggen en [slachtoffer] te filmen,- meermalen dreigend aan [slachtoffer] te vragen 'wie heeft de auto in de brand gestoken’,- te zeggen tegen [slachtoffer]: ‘als jij dit ooit tegen iemand vertelt dan zullen we de filmpjes laten zien’, ‘we komen naar je osso’, 'we maken je het leven zuur’, ‘we maken je dood’ en ‘iedereen komt aan de beurt’,
- [slachtoffer] met het vuurwapen te slaan,- [slachtoffer] tegen zijn wil vast te houden, een dreigende sfeer te creëren en voortdurend in de nabijheid van [slachtoffer] te verblijven waardoor [slachtoffer] werd belet de woning gelegen aan de [adres 1] te verlaten;
feit 2
hij op 13 september 2024 te Zwolle tezamen en in vereniging met anderen,- sleutels,- telefoons,- een ID-kaart,- trainingspakken en- een grote hoeveelheid pakjes sigaretten, die aan [slachtoffer] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan van geweld tegen [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, door- [slachtoffer] te slaan met een vuurwapen- [slachtoffer] vast te houden- van [slachtoffer] zijn sleutels af te laten pakken en- vervolgens met de sleutel de woning aan de [adres 2] wederrechtelijk binnen te treden.
De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.
4.
De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 47, 282 en 312 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezen verklaarde levert op:
feit 1
het misdrijf:
medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven;
feit 2
het misdrijf:
diefstal, voorafgegaan van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

5.De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezen verklaarde feiten.

6.De op te leggen straf of maatregel

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zesendertig maanden, waarvan twaalf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren. De officier van justitie heeft gevorderd dat aan het voorwaardelijke strafdeel de door Reclassering Nederland (hierna: de reclassering) geadviseerde bijzondere voorwaarden worden gekoppeld, met uitzondering van een contactverbod met de medeverdachten.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat, gelet op de ondergeschikte rol van verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden, aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 540 dagen, waarvan 184 dagen voorwaardelijk moet worden opgelegd. Aan het voorwaardelijke strafdeel dienen de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden te worden gekoppeld, met uitzondering van een contactverbod met de medeverdachten.
6.3
De gronden voor een straf of maatregel
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte, zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen.
De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
De ernst van de feiten
Verdachte heeft zich samen met zijn medeverdachten schuldig gemaakt aan een wederrechtelijke vrijheidsberoving en een diefstal met geweld. [slachtoffer] is naar een woning aan de [adres 1] gelokt en hier van zijn vrijheid beroofd. Hij moest zich uitkleden en op video verklaren wie de auto van de vader van een medeverdachte in brand had gestoken. [slachtoffer] is daarbij meermaals geslagen, onder meer met een vuurwapen. Vervolgens is de huissleutel van [slachtoffer] afgepakt en zijn verdachte en een medeverdachte naar de woning van [slachtoffer] gegaan. Uit de woning hebben zij meerdere goederen weggenomen. Verdachte en zijn medeverdachten hebben met hun handelen een ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke vrijheid van [slachtoffer]. Dat de verdachten [slachtoffer] hebben gefilmd terwijl hij naakt was, moet voor hem extra vernederend zijn geweest. Ook de bedreigingen en het toegepaste geweld moeten voor [slachtoffer] bijzonder beangstigend zijn geweest. Dergelijke ernstige geweldsdelicten veroorzaken bovendien gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving.
De persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van verdachte van 3 december 2025, waaruit blijkt dat verdachte op 1 april 2021 door de kinderrechter is veroordeeld voor mishandeling en beschadiging. Dit neemt de rechtbank niet in strafverzwarende (betreft een jeugdzaak) of strafverminderende zin mee.
Ook heeft de rechtbank acht geslagen op de inhoud van het reclasseringsrapport van
13 mei 2026, waaruit volgt dat het verdachte in de periode voorafgaand aan zijn detentie ontbrak aan een vaste verblijfplaats, een stabiel inkomen en een gestructureerde dagbesteding. Daarnaast waren er schulden. In 2021 is door Accare gesteld dat bij verdachte van jongs af aan sprake is van een ODD (Oppositioneel-opstandige gedragsstoornis) beeld met ADHD kenmerken. Ook is bij verdachte sprake van een lichtverstandelijke beperking. Ten slotte zijn er zorgen over het sociale netwerk van verdachte. De voorlopige hechtenis van verdachte is in november 2025 geschorst. Tijdens de schorsing heeft verdachte zich meewerkend opgesteld naar de ambulante begeleiding. Ook heeft verdachte werk gevonden en is er sprake van een stabiele thuissituatie. De reclassering ziet mogelijkheden om verdachte in de toekomst te blijven begeleiden. De reclassering adviseert de bijzondere voorwaarden van een meldplicht, meewerken aan diagnostiek en ambulante behandeling, een contactverbod met [slachtoffer], medeverdachten, een locatieverbod voor de gemeente Zwolle met elektronische monitoring, het hebben van zinvolle dagbesteding, meewerken aan budgetbeheer of bewindvoering en meewerken aan ambulante begeleiding.
De strafoplegging
De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf rekening gehouden met straffen die in vergelijkbare gevallen door rechters zijn opgelegd. Vanwege de aard en ernst van de gepleegde feiten acht de rechtbank de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend. Om zoveel mogelijk te voorkomen dat verdachte in de toekomst weer strafbare feiten gaat plegen, zal de rechtbank de gevangenisstraf deels in voorwaardelijke vorm opleggen. Gelet op de ondergeschikte rol van verdachte, de aan de medeverdachten opgelegde straffen en de bekennende houding van verdachte, komt de rechtbank tot een lagere straf dan geëist door de officier van justitie.
De rechtbank acht het, alles afwegende, passend en geboden om aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van dertig maanden met aftrek van het voorarrest, waarvan tien maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren. De rechtbank koppelt aan het voorwaardelijk strafdeel de bijzondere voorwaarden, zoals in het dictum geformuleerd.
De rechtbank ziet geen aanleiding om aan verdachte een contactverbod op te leggen als vrijheidsbeperkende maatregel, zoals door [slachtoffer] is verzocht. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij geen contact zoekt en gaat zoeken met [slachtoffer]. De rechtbank ziet in het dossier geen aanleiding dat hiervoor het opleggen van een maatregel nodig is.
De voorlopige hechtenis
De voorlopige hechtenis van verdachte is met ingang van 10 november 2025 onder voorwaarden geschorst. De officier van justitie heeft gevorderd de schorsing van de voorlopige hechtenis op te heffen. De verdediging heeft verzocht de voorlopige hechtenis van verdachte bij einduitspraak op te heffen.
De rechtbank is, mede gelet op het arrest van de Hoge Raad van 24 juni 2025 [2] en het feit dat de voorlopige hechtenis is geschorst sinds 10 november 2025 en er geen nieuwe omstandigheden zijn die een opheffing van de schorsing noodzakelijk maken, van oordeel dat de schorsing van de voorlopige hechtenis moet voortduren. De rechtbank zal de vordering tot opheffing van de schorsing tot voorlopige hechtenis daarom afwijzen. De rechtbank wijst ook het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis af, aangezien de recidivegrond nog onverkort van toepassing is.

7.De in beslag genomen voorwerpen

7.1
De standpunten van partijen
De officier van justitie heeft het standpunt ingenomen dat de in beslag genomen telefoon moet worden verbeurd verklaard.
De raadsman heeft betoogd dat de telefoon moet worden teruggegeven aan verdachte.
7.2
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat de op de beslaglijst vermelde telefoon moet worden verbeurdverklaard, omdat deze is gebruikt om tot de bewezen verklaarde feiten te komen.

8.De schade van benadeelde

8.1
De vordering van de benadeelde partij
[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 28.347,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan.
De gevorderde materiële schadevergoeding bestaat uit de volgende posten:
  • weggenomen geldbedrag € 8.000,--;
  • weggenomen sigaretten € 210,--;
  • weggenomen trainingspak Lacoste 1 € 167,--;
  • weggenomen trainingspak Lacoste 2 € 167,--;
  • weggenomen trainingspak Moose Knuckles € 360,--;
  • kosten nieuwe ID-kaart € 243,--.
Ter vergoeding van immateriële schade wordt een bedrag van € 19.200,-- gevorderd, waarvan een deel van € 10.000,-- bestaat uit toekomstige schade. Ten aanzien van de toekomstige schade is namens [slachtoffer] gevraagd dit bedrag niet-ontvankelijk te verklaren, omdat het op dit moment nog niet voldoende kan worden onderbouwd.
8.2
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de schadepost ‘weggenomen geld’ niet kan worden toegewezen. De overige gevorderde materiele schade is toewijsbaar. De officier van justitie vindt de gevorderde immateriële schadevergoeding toewijsbaar tot een bedrag van € 5.000,--. De toekomstige schade moet niet-ontvankelijk worden verklaard.
8.3
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat de schadepost ‘weggenomen geld’ niet kan worden toegewezen. Ten aanzien van de immateriële schade heeft de raadsman gesteld dat toewijzing van een bedrag van € 3.000,-- passend is.
8.4
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt op basis van de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting vast dat voldoende verband bestaat tussen het bewezen verklaarde handelen van verdachten en de door de benadeelde partij gestelde schade om te kunnen aannemen dat de benadeelde partij door dit handelen rechtstreekse schade is toegebracht.
De materiële schade
De rechtbank is van oordeel dat de schadepost weggenomen geld onvoldoende is onderbouwd. Het in de gelegenheid stellen van de benadeelde partij om deze schadepost nader te onderbouwen, levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. De rechtbank zal de benadeelde partij die gelegenheid daarom niet bieden. De rechtbank zal de benadeelde partij voor deze schadepost (€ 8.000,--) in de vordering niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de benadeelde partij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
De rechtbank is van oordeel dat de overige materiële schadeposten voldoende met bewijsstukken zijn onderbouwd. De vordering zal daarom worden toegewezen tot een bedrag van € 1.147,-- te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan, te weten 13 september 2024.
De immateriële schade
Artikel 6:106 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) geeft in beperkte gevallen recht op vergoeding van andere schade dan vermogensschade. Een van die in de wet limitatief opgesomde gevallen is wanneer sprake is van van lichamelijk letsel. Daarvan is in dit geval sprake, nu bij [slachtoffer] meerdere letsels zijn geconstateerd. Om die reden kan de benadeelde partij op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b, BW aanspraak maken op smartengeld.
De rechtbank heeft bij het vaststellen van de omvang van de immateriële schade aansluiting gezocht bij de bedragen die in de Rotterdamse Schaal worden genoemd voor bedreigende situaties die gepaard gaan met diefstal. Naar haar oordeel passen de feiten in deze zaak bij de categorie ‘meest ernstig’, nu [slachtoffer] door meerdere personen in een woning is vastgehouden, zich moest uitkleden, met vuurwapens is bedreigd en jegens hem geweld is gebruikt. In de Rotterdamse schaal wordt bij deze categorie een bandbreedte van € 3.000,- tot € 8.000,- genoemd.
De rechtbank acht het, alles afwegend, billijk om de immateriële schade vast te stellen op en de vordering toe te wijzen tot een bedrag van € 5.000,--, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop het stafbare feit is gepleegd. De benadeelde partij zal in het overige van de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard. De benadeelde partij kan de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen
.
De schadepost ‘toekomstige schade’ in verband met eventuele toekomstige schade wordt niet-ontvankelijk verklaard. Deze post is niet onderbouwd.
Verdachte is voor de schade naar burgerlijk recht met zijn mededaders hoofdelijk aansprakelijk. Dit betekent dat verdachte tegenover de benadeelde partij voor het hele bedrag aansprakelijk is.
8.5
De schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partij heeft verzocht en de officier van justitie heeft gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
De rechtbank zal de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht (mede) aansprakelijk is voor de schade die door het feit is toegebracht.
Als door de verdachte niet volledig wordt betaald, kan deze verplichting worden aangevuld met 55 dagen gijzeling, waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft.

9.De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a en 57 Sr.

10.De beslissing

De rechtbank:
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat verdachte het onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
strafbaarheid feiten
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1
het misdrijf:
medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven;
feit 2
het misdrijf:
diefstal, voorafgegaan van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;
strafbaarheid verdachte
- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;
straf
- veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
30 (dertig) maanden;
- beveelt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;
- bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte van
10 (tien) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien de verdachte voor het einde van de
proeftijd van 3 (drie) jarende navolgende voorwaarden niet is nagekomen:
  • stelt als
  • stelt als
 meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. De reclassering zal contact met verdachte opnemen voor de eerste afspraak;
 diagnostisch laat onderzoeken en aansluitend laat behandelen door Trajectum of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling;
 op geen enkele wijze contact opneemt en/of onderhoudt met:
o [slachtoffer], geboren op [geboortedatum 2] 2000 in [geboorteplaats 2];
  • niet in de gemeente Zwolle bevindt, zolang de reclassering dit nodig acht;
  • inspant voor het vinden en behouden van (on)betaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delict gedrag;
  • meewerkt aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan budgetbeheer of bewindvoering. Verdachte geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden;
  • laat begeleiden door Humanitas DMH of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. Het begeleidingstraject duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de begeleiding.
het in beslag genomen voorwerp
- verklaart verbeurd de in beslag genomen telefoon.
schadevergoeding
  • wijstde vordering van
    de benadeelde partij [slachtoffer] toetot een bedrag van
    € 6.147,--te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 september 2024 (bestaande uit € 1.147,-- materiële schadevergoeding en € 5.000,-- immateriële schadevergoeding);
  • veroordeelt verdachte hoofdelijk tot betaling aan de benadeelde partij
  • veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nul, en ook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;
  • legt de
  • bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat der Nederlanden vervalt en omgekeerd;
  • bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige deel
Dit vonnis is gewezen door mr. J. de Ruiter, voorzitter, mr. G.H. Meijer en
mr. S.K. Huisman, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.G. Drent, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2026.
Buiten staat
mr. G.H. Meijer is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

Voetnoten

1.Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de politie eenheid Oost-Nederland, genaamd Maltezer, met nummer ON1R024062. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.
2.HR 24 juni 2025 ECLI:NL:HR:2025:987.