ECLI:NL:RBOVE:2026:3910

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
14 juli 2026
Publicatiedatum
8 juli 2026
Zaaknummer
C/08/340914
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:392 BWArt. 1:395 BWArt. 1:401 BWArt. 1:404 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing kinderalimentatie en vaststelling hoofdverblijfplaats bij moeder

De rechtbank Overijssel behandelde een zaak waarin de moeder kinderalimentatie verzocht voor haar minderjarige kind. De vader staat onder beschermingsbewind en heeft geen financiële stukken overgelegd ter onderbouwing van zijn draagkracht. De rechtbank concludeert dat onvoldoende is gebleken dat de vader niet in staat is om kinderalimentatie te betalen en wijst het verzoek toe, met indexering per 1 januari 2026.

Daarnaast is de hoofdverblijfplaats van het kind vastgesteld bij de moeder, waarover de ouders overeenstemming hadden bereikt. De rechtbank legt een zorgregeling vast waarbij het kind wekelijks enkele dagen bij de vader en zijn ouders verblijft. De Raad voor de Kinderbescherming adviseerde eveneens de hoofdverblijfplaats bij de moeder te bepalen.

De rechtbank verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad en bepaalt dat iedere ouder zijn eigen proceskosten draagt. De vader heeft geen verweer gevoerd tegen de ingangsdatum van de alimentatie, die is vastgesteld op 11 november 2025. De rechtbank baseert de behoefteberekening op gegevens uit 2024 en houdt rekening met het feit dat er twee kinderen in het gezin waren.

De moeder heeft geen draagkracht, de vader ontvangt een Wajong-uitkering en betaalt kostgeld aan zijn ouders. Ondanks het bewind en het ontbreken van financiële stukken, acht de rechtbank onvoldoende bewijs dat de vader niet kan betalen. De beschikking is openbaar uitgesproken op 14 juli 2026.

Uitkomst: De rechtbank wijst de kinderalimentatie toe, stelt de hoofdverblijfplaats bij de moeder vast en legt een zorgregeling vast.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

locatie Almelo
team familie- en jeugdrecht
zaaknummer: C/08/340914 / FA RK 25-2885
beschikking van 14 juli 2026
in de zaak van
Stadsbank Oost Nederland,
gevestigd te Enschede,
verder: Stadsbank,
in de hoedanigheid van bewindvoerder van
[de moeder],
verder: de moeder,
wonende te [woonplaats 1],
advocaat: mr. R.M. Hendriksen,
en
[bewindvoerder], h.o.d.n. [bedrijf],
gevestigd te [vestigingsplaats],
verder: [bewindvoerder]
in de hoedanigheid van bewindvoerder van
[de vader],
verder: de vader,
wonende te [woonplaats 2].

1.De procedure

1.1.
De rechtbank heeft op 7 april 2026 een tussenbeschikking gegeven en de beslissing over de hoofdverblijfplaats van [minderjarige], de definitieve zorgregeling, de kinderalimentatie en de proceskosten aangehouden.
1.2.
De rechtbank heeft daarna de volgende stukken ontvangen:
  • de brief van mr. Hendriksen van 9 juni 2026, met bijlagen;
  • de schriftelijke update van de Raad voor de Kinderbescherming (verder: de raad) van 1 juli 2026.
1.3.
De mondelinge behandeling van de zaak is voortgezet met gesloten deuren op 6 juli 2026. Daarbij waren aanwezig:
  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
  • de vader, en
  • [naam 1], namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de raad).
1.4.
Stadsbank heeft zich afgemeld. De advocaat van de moeder heeft een email van Stadsbank ingediend, met als bijlage een begroting van de inkomsten en uitgaven en een schuldenlijst van de moeder.
1.5.
[bewindvoerder] is, hoewel persoonlijk door de griffier is opgeroepen, niet verschenen en heeft zich ook niet afgemeld voor de zitting.

2.De (verdere) beoordeling

Algemeen
2.1.
De rechtbank zal de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de moeder bepalen, een zorgregeling vastleggen en de door de moeder verzochte kinderalimentatie toewijzen.
2.2.
De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot deze beslissing is gekomen.
De hoofdverblijfplaats/zorgregeling
2.3.
In de schriftelijke update van de raad van 1 juli 2026 concludeert de raad dat de ouders weer een relatie hebben met elkaar. In de periode na de zitting van 31 maart 2026 is geen hulpverlening opgestart. Ouders staan niet open voor de inzet van Melcura. Zij zeggen wel open te staan voor Wijkracht, maar volgens de gemeente bezit Wijkracht niet de expertise die het gezin nodig heeft. De gemeente is van mening dat de ouders niet openstaan voor hulpverlening, terwijl ouders zeggen dat zij zich niet gehoord voelen door de gemeente. Ouders lijken wel open te staan voor persoonlijke hulpverlening en dit voldoende te vinden.
2.4.
Tijdens de mondelinge behandeling is namens de raad naar voren gebracht dat het beschermingsonderzoek van de raad in de afrondende fase zit. Gezien de zorgen die er zijn, verwacht de raad dat hier een verzoek tot ondertoezichtstelling uit voortkomt. De raad adviseert om de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de moeder te bepalen en de door de ouders in onderling overleg afgesproken zorgregeling in de beschikking op te nemen.
2.5.
De rechtbank stelt vast dat de ouders het eens zijn over de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de moeder. De rechtbank zal dit verzoek toewijzen.
2.6.
De rechtbank zal de onderling afgesproken zorgregeling vaststellen. Deze regeling verloopt volgens de moeder goed en de vader beaamt dat. Deze regeling houdt concreet in dat [minderjarige] wekelijks van woensdag tot donderdag bij de vader/grootouders vaderszijde (vz.) verblijft en daarnaast eens per twee weken van vrijdag tot en met zondag. Oma (vz.) haalt [minderjarige] op bij de moeder of de peuterspeelzaal. In principe brengt de vader [minderjarige] terug naar de moeder, tenzij dit niet haalbaar is, dan brengt oma (vz.) [minderjarige] terug naar de moeder.
De kinderalimentatie
De ingangsdatum
2.7.
De moeder heeft verzocht om de ingangsdatum van de kinderalimentatie te bepalen op de datum van indiening verzoekschrift, te weten 11 november 2025. De vader heeft hiertegen geen verweer gevoerd, zodat de rechtbank hiervan uit gaat.
(het eigen aandeel van de ouders in) De behoefte van [minderjarige]
2.8.
De rechtbank berekent de behoefte van [minderjarige] op basis van de gegevens van partijen uit 2024, nu partijen eind 2024 hun relatie hebben verbroken. De rechtbank volgt daarin de berekening van mr. Hendriksen, maar sluit bij de tabel-kosten-kinderen aan bij twee kinderen in plaats van één kind, omdat niet alleen [minderjarige] maar ook [naam 2] in 2024 in het gezin van de vader en de moeder woonde.
2.9.
Uit de bijgevoegde berekening volgt dan een behoefte van [minderjarige] van (0,5 x € 616,– =) € 308, – per maand. Geïndexeerd naar 2025 is dat € 328,– per maand.
De draagkracht van partijen
2.10.
Vaststaat dat de moeder geen draagkracht heeft, omdat uit de stukken is gebleken dat haar Wajong uitkering lager is dan de kosten die de moeder heeft voor haarzelf [minderjarige] en [naam 2].
2.11.
De vader heeft ter zitting van 31 maart 2026 naar voren gebracht dat hij onder bewind staat. Daarom is de vader alsnog de gelegenheid geboden om een advocaat te zoeken en een verweerschrift in te dienen, onderbouwd met financiële stukken. De griffier heeft [bewindvoerder] opgeroepen om te verschijnen tijdens de voortgezette mondelinge behandeling op 6 juli 2026, maar [bewindvoerder] is desondanks niet verschenen en er zijn geen financiële gegevens overgelegd. Ook heeft de vader geen advocaat in de arm genomen teneinde een verweerschrift te kunnen indienen, onderbouwd met financiële stukken.
2.12.
Mr. Hendriksen heeft betoogd dat de rechter niet zonder meer gehouden is om aan te nemen dat er geen draagkracht bestaat als sprake is van bewindvoering en verwezen naar de beschikking van Hoge Raad 8 maart 2024 (ECLI:NL:HR:2024:340). De vader heeft naar voren gebracht dat hij een Wajong uitkering ontvangt en € 300,– per maand aan kostgeld betaalt aan zijn ouders, bij wie hij inwoont. De rechtbank constateert dat de vader dus geen woonlasten als bedoeld in het woonbudget heeft. De vader stelt dat hij € 130,– aan weekgeld ontvangt, maar dat dit recent is verlaagd naar € 100,–, zodat hij kan sparen voor leuke dingen. De vader stelt verder dat hij met € 50,– per maand aflost op zijn schuldenlast, die volgens hem in totaal € 1.928,25 bedraagt.
2.13.
De rechtbank is van oordeel dat bij gebreke van verifieerbare gegevens niet is komen vast te staan dat de vader de draagkracht vanaf de verzochte ingangsdatum of een later tijdstip mist om de verzochte kinderalimentatie te betalen. De rechtbank zal daarom de verzochte kinderalimentatie toewijzen, waarbij de rechtbank de kinderalimentatie zal indexeren per 1 januari 2026 zodat deze aangepast blijft aan de ontwikkeling van het loon- en prijspeil.
De uitvoerbaarheid bij voorraad
2.14.
De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dit betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van de ouders hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de rechtbank geldt totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.
De kosten van deze procedure
2.15.
Omdat de moeder heeft verzocht de proceskosten te compenseren, zal de rechtbank dat verzoek volgen, alhoewel het voor de hand zou liggen de vader als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten te veroordelen, met name nu hij in de gelegenheid is gesteld een advocaat te zoeken en/of via zijn bewindvoerder financiële gegevens in te dienen.

3.De beslissing

De rechtbank:
3.1.
bepaalt dat [minderjarige] haar hoofdverblijfplaats heeft bij de moeder en op het adres van de moeder ingeschreven zal staan;
3.2.
stelt tussen de vader en [minderjarige] de volgende zorgregeling vast:
  • [minderjarige] verblijft wekelijks van woensdag tot donderdag bij de vader/grootouders vaderszijde (vz.) en daarnaast eens per twee weken van vrijdag tot en met zondag.
  • Oma (vz.) haalt [minderjarige] op bij de moeder of de peuterspeelzaal. In principe brengt de vader [minderjarige] terug naar de moeder, tenzij dit niet haalbaar is, dan brengt oma (vz.) [minderjarige] terug naar de moeder.
3.3.
bepaalt dat de vader aan de moeder als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] met ingang van 11 november 2025
€ 135,–per maand zal betalen, welk bedrag met ingang van 1 januari 2026 na indexering
€ 141,–per maand bedraagt;
3.4.
verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
3.5.
bepaalt dat de ouders ieder hun eigen proceskosten betalen;
3.6.
wijst de verzoeken voor het overige af.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.B. de Groot, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken op 14 juli 2026 in tegenwoordigheid van G.H. Mensink-Heuver, griffier.
De rechtbank stuurt een afschrift van deze beschikking naar de Raad voor de Kinderbescherming. De raad neemt de gegevens uit deze beschikking op in zijn registratie.
Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden:
door verzoeker en door degene(n) aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden: binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden: binnen drie maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.
Partij
De vader
Zaak
(340914)
Berekening
Behoefte berekening
Tarieven
2024-2
Datum uitdraai
07-07-2026
Box 1 Inkomen uit werk en woning
Loon (41-50)
43
Bruto uitkering andere sociale verzekeringswetten
19.2
44
Vakantietoeslag
1.536
Bruto inkomsten
20.736
Notitie: 43
Wajong uitkering van de vader van € 1.600,26 bruto pm excl. vakantietoeslag
Premies (51-59)
Pensioenpremie
54
Loon voor de premies werknemersverzekeringen
20.736
59
Inkomsten
20.736
Belastbaar loon (61-64)
64
Belastbaar loon
20.736
Heffing box 1 (94-95)
94
Belastbaar inkomen uit werk en woning
20.736
- Schijf 1a, 36,97% (19,07%) over € 0 t/m € 38.097 (€ 40.020)
7.666
95
Inkomensheffing box 1
7.666
Besteedbaar inkomen (113-120)
113
Inkomen voor aftrek inkomensheffing
20.736
114
Inkomensheffing box 1, inkomstenbelasting box 2 en 3
7.666
115/116
Heffingskorting en standaard heffingskorting
-
3.362
117
Verschuldigde inkomensheffing
-
4.304
Inkomen na aftrek inkomensheffing
16.432
Specificaties voor post: 115/116
Algemene Heffingskorting
3.362
jaar
Totale inkomsten
16.432
120
Besteedbaar inkomen
16.432
120a
Netto besteedbaar inkomen (per jaar)
16.432
120a
Netto besteedbaar inkomen (per maand)
1.369
Partij
De moeder
Zaak
(340914)
Berekening
Behoefte berekening
Tarieven
2024-2
Datum uitdraai
07-07-2026
Box 1 Inkomen uit werk en woning
Loon volgens jaaropgaaf
(60)
60
Loon volgens jaaropgaaf
19.66
Notitie: 60
Geregistreerde inkomen van de moeder bij de fiscus in 2024
Op het bruto loon ingehouden
59
Inkomsten (transport)
19.66
Belastbaar loon (61-64)
64
Belastbaar loon
19.66
Heffing box 1 (94-95)
94
Belastbaar inkomen uit werk en woning
19.66
- Schijf 1a, 36,97% (19,07%) over € 0 t/m € 38.097 (€ 40.020)
7.268
95
Inkomensheffing box 1
7.268
Besteedbaar inkomen (113-120)
113
Inkomen voor aftrek inkomensheffing
19.66
114
Inkomensheffing box 1, inkomstenbelasting box 2 en 3
7.268
115/116
Heffingskorting en standaard heffingskorting
-
3.362
117
Verschuldigde inkomensheffing
-
3.906
Inkomen na aftrek inkomensheffing
15.754
Specificaties voor post: 115/116
Algemene Heffingskorting
3.362
jaar
Totale inkomsten
15.754
120
Besteedbaar inkomen
15.754
120a
Netto besteedbaar inkomen (per jaar)
15.754
120a
Netto besteedbaar inkomen (per maand)
1.313
NBGI voor scheiding
Netto besteedbaar gezinsinkomen voor scheiding
NBI voor scheiding de man
1.369
NBI voor scheiding de vrouw
1.313
Bij: Kindgebonden budget voor scheiding
177
Netto besteedbaar gezinsinkomen voor scheiding
2.859
Eigen aandeel kosten kinderen
Eigen aandeel kosten kinderen
Ouders hebben in gezinsverband geleefd
ja
NBGI voor scheiding
2.859
Tabel aantal kinderen
2
Eigen aandeel ouders in de kosten kinderen volgens tabel
616
#
Indexeren
ja
Startjaar
2024
Eindjaar
2025
Eigen aandeel ouders geïndexeerd
656