Uitspraak
1.Procesverloop
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
8 maart 2024.
Hoge Raad
De zaak betreft een geschil over kinderalimentatie tussen de man en de vrouw, ouders van twee kinderen. De man ontving gemeentelijke schuldhulpverlening en had diverse schulden, waaronder een schuld aan de Belastingdienst en aflossingen aan een gerechtsdeurwaarder. Het hof Amsterdam had de draagkracht van de man berekend aan de hand van een formule en hield slechts rekening met schulden waarop werd afgelost, waarbij het draagkrachtloos inkomen werd aangepast vanaf het moment dat aflossingen plaatsvonden.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof ten onrechte niet alle schulden heeft meegewogen, ook die waarop niet werd afgelost, terwijl vaste jurisprudentie vereist dat alle schulden in beginsel van invloed zijn op de draagkracht. Daarnaast miskende het hof dat bij gemeentelijke schuldhulpverlening niet automatisch van draagkrachtloosheid kan worden uitgegaan zoals bij wettelijke schuldsanering wel het geval is. Het hof had ook onterecht geoordeeld dat de man niet had onderbouwd dat hij vanaf april 2019 aflost, terwijl hij betalingsbewijzen en verklaringen had overgelegd.
De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest van het hof Amsterdam en verwijst de zaak naar het gerechtshof Den Haag voor een nieuwe beoordeling. De uitspraak benadrukt het belang van een volledige en gemotiveerde beoordeling van de draagkracht, rekening houdend met alle schulden en de aard van de schuldhulpverlening.
Uitkomst: Hoge Raad vernietigt hofuitspraak en verwijst zaak terug voor herbeoordeling van draagkracht bij kinderalimentatie.