ECLI:NL:RBOVE:2026:3922

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
8 juli 2026
Publicatiedatum
8 juli 2026
Zaaknummer
ZWO 25/3554
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging WIA-uitkering na herbeoordeling wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid

Eiseres ontving een WIA-uitkering die het UWV per 3 maart 2025 heeft beëindigd na een herbeoordeling op verzoek van haar voormalige werkgever. Eiseres betwistte dit besluit en voerde aan dat haar beperkingen, met name door PTSS en carpaal tunnelsyndroom, onderschat waren door de verzekeringsartsen.

De rechtbank heeft het beroep behandeld en de medische en arbeidskundige rapporten beoordeeld. De verzekeringsartsen concludeerden dat eiseres minder dan 35% arbeidsongeschikt is, met lichte fysieke beperkingen en een verminderde psychische belastbaarheid, maar zonder noodzaak voor een verdere urenbeperking.

De rechtbank oordeelt dat het UWV op goede gronden heeft besloten en dat de medische rapporten voldoende gemotiveerd en navolgbaar zijn. De diagnose PTSS en CTS leiden niet automatisch tot zwaardere beperkingen zonder objectieve medische onderbouwing. Eiseres heeft geen arbeidskundige gronden aangevoerd die het standpunt van het UWV ondermijnen.

Daarom verklaart de rechtbank het beroep ongegrond en wijst zij het verzoek om terugbetaling van griffierecht en proceskosten af.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de beëindiging van de WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/3554

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres], uit [woonplaats], eiseres (hierna te noemen: [eiseres]),

gemachtigde: mr. K. Aslan,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen, het UWV,
gemachtigde: [gemachtigde].

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de beëindiging van de WIA [1] -uitkering die [eiseres] ontving. [eiseres] is het hier niet mee eens en zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank deze zaak
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV de WIA-uitkering die [eiseres] ontving, terecht heeft beëindigd. Zij krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. Vanaf 4 volgen de standpunten van het UWV en van [eiseres]. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 5. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. In het besluit van 2 januari 2025 heeft het UWV de WIA-uitkering die [eiseres] ontving, met ingang van 3 maart 2025 beëindigd.
2.1.
[eiseres] heeft tegen het besluit van 2 januari 2025 bezwaar gemaakt. Het UWV heeft het bezwaar van [eiseres] in het bestreden besluit van 2 oktober 2025 ongegrond verklaard.
2.2.
[eiseres] heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.3.
Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 19 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiseres], de gemachtigde van [eiseres] en de gemachtigde van het UWV.

Totstandkoming van het bestreden besluit

3. [eiseres] werkte als medewerker interieurverzorging voor gemiddeld 15,67 uur per week. Zij heeft zich op 3 augustus 2015 ziekgemeld. Per einde wachttijd heeft [eiseres] een WIA-uitkering aangevraagd. Na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek, heeft het UWV aan [eiseres] met ingang van 31 juli 2017 een loongerelateerde WGA [2] -uitkering op grond van de WIA toegekend. Het UWV heeft de mate van arbeidsongeschiktheid van [eiseres] vastgesteld op 100%. In het besluit van 19 juni 2018 is de uitkering met ingang van 15 september 2018 overgegaan in een WGA-loonaanvullingsuitkering.
3.1.
Op verzoek van de (ex-)werkgever van [eiseres] heeft een herbeoordeling plaatsgevonden. Na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek, heeft de besluitvorming plaatsgevonden zoals hiervoor onder ‘Procesverloop’ uiteen is gezet.

Standpunten van partijen

4. Aan het bestreden besluit ligt de motivering ten grondslag dat [eiseres] vanaf 3 maart 2025 geen recht heeft op een WIA-uitkering, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
4.1.
[eiseres] stelt zich op het standpunt – samengevat weergegeven – dat zij meer beperkt is dan de verzekeringsarts heeft aangenomen en opgenomen in de FML [3] . De verzekeringsartsen hebben haar klachten en beperkingen onderschat. Zo is ten onrechte aangenomen dat de trauma- of stressgerelateerde stoornis in remissie is. Uit de medische informatie die in het dossier zit, komt niet naar voren dat de mentale klachten verbeterd zijn of aan het verbeteren zijn. De omstandigheid dat [eiseres] ten tijde van het spreekuur bij de verzekeringsarts niet onder behandeling stond, betekent niet dat zij geen mentale klachten meer had of dat haar mentale situatie aan het verbeteren was. [eiseres] heeft er bij de verzekeringsarts bezwaar en beroep op gewezen dat zij nog steeds aan het herstellen is van de ernstige, traumatische ervaringen. Ook heeft zij te kennen gegeven dat zij op 8 september 2025 gesprekken heeft gehad met Dimence en dat zij zich in overleg met de GZ-psycholoog gaat aanmelden bij Traumacentrum Nederland. Dat de GZ-psycholoog [eiseres] doorverwijst naar het traumacentrum, is alleen al voldoende reden om aan te nemen dat [eiseres] nog steeds klachten ervaart die te relateren zijn aan de traumatische ervaringen. [eiseres] verwijst naar het verslag van het intakegesprek bij het traumacentrum. Daaruit volgt dat aangenomen wordt dat [eiseres] bekend is met een posttraumatische stressstoornis (PTSS) en dat zij last heeft van flashbacks, lichamelijke klachten, vermijdingsgedrag, negatieve overtuigingen, overdreven schrikreacties en slaapproblemen. Al deze klachten zijn voor het traumacentrum aanleiding geweest om [eiseres] te behandelen. Volgens [eiseres] is het duidelijk dat de beperkingen die het UWV heeft aangenomen, niet tegemoetkomen aan de klachten en beperkingen die [eiseres] als gevolg van haar traumatische ervaringen en PTSS in het dagelijks leven ervaart. Zo is er voldoende reden om [eiseres] beperkt te achten ten aanzien van afleiding door anderen (item 1.8.1) vanwege de concentratieproblemen die [eiseres] als gevolg van PTSS ervaart. Om diezelfde reden is er voldoende aanleiding om [eiseres] beperkt te achten ten aanzien van storingen en onderbrekingen in het werk (item 1.8.3).
[eiseres] stelt verder dat de verzekeringsartsen ten onrechte geen rekening hebben gehouden met haar handklachten. Zij heeft die klachten al jaren en al bij de eerste WIA-beoordeling in 2017 heeft zij aangegeven dat zij een doof/slapend gevoel in de hand heeft en dat zij dingen laat vallen. De klachten heeft zij ook naar voren gebracht tijdens de hoorzitting in september 2025. In dit verband verwijst [eiseres] naar een brief van neuroloog Verhaagen-Stokker van 15 januari 2026 waarin de diagnose carpaal tunnelsyndroom, beiderzijds, is vastgesteld.
[eiseres] stelt voorts dat de aangenomen urenbeperking niet toereikend is. [eiseres] kampt met slaapproblemen en daardoor ervaart zij vermoeidheidsklachten. Vanwege de vermoeidheid zijn overdag meerdere rustmomenten noodzakelijk. Een verdergaande urenbeperking is dan ook aangewezen, aldus [eiseres]. Nu het UWV de klachten en beperkingen van [eiseres] heeft onderschat, is zij tevens niet in staat om de geduide functies te verrichten, zo stelt zij.
4.2.
In reactie op wat [eiseres] in beroep heeft aangevoerd en de medische informatie die zij heeft overgelegd, heeft het UWV een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, gedateerd 9 februari 2026, ingediend en geconcludeerd dat geen aanleiding bestaat om het eerder ingenomen standpunt te wijzigen.
4.3.
[eiseres] heeft in beroep voorts medische informatie van Traumacentrum Nederland, gedateerd 22 april 2026, overgelegd. Hieruit volgt dat [eiseres] een intensieve behandeling heeft gehad voor de PTSS.

Beoordeling door de rechtbank

5. De rechtbank beoordeelt de beëindiging van de WIA-uitkering van [eiseres] met ingang van 3 maart 2025. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van [eiseres].
5.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het UWV op goede gronden beslist dat [eiseres] minder dan 35% arbeidsongeschikt is en haar WIA-uitkering beëindigd. De rechtbank is als volgt tot dat oordeel gekomen.
Medische beoordeling
5.2.
De belastbaarheid van [eiseres] op de datum in geding is naar het oordeel van de rechtbank op navolgbaar gemotiveerde wijze weergegeven in de rapporten van de verzekeringsarts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep.
5.3.
De verzekeringsarts heeft aangenomen dat [eiseres] bekend is met adipositas/obesitas, somatisering, een whiplashtrauma in remissie en een andere trauma- of stressgerelateerde stoornis, deels in remissie. Volgens de verzekeringsarts heeft [eiseres] lichte beperkingen ten aanzien van de fysieke belastbaarheid wegens diffuse pijnklachten. De verzekeringsarts heeft verder aangenomen dat bij [eiseres] sprake is van een normaal functioneren van het bewegingsapparaat. Daarom is er geen reden om zware beperkingen aan te nemen ten aanzien van de fysieke belastbaarheid. Verder is sprake van een verminderde psychische belastbaarheid als gevolg van stressgerelateerde klachten. Daardoor zijn de mentale flexibiliteit van [eiseres] en de emotionele belastbaarheid afgenomen. Gezien de voorgeschiedenis van [eiseres] en de psychische klachten in combinatie met ervaren lichamelijk klachten is zij volgens de verzekeringsarts niet in staat om in de nacht of op onregelmatige tijden te werken. Een urenbeperking op preventieve en energetische gronden is aangewezen. Zij kan niet meer dan 6 uur per dag en 30 uur per week arbeid verrichten, zodat er voldoende recuperatietijd zal zijn. De verzekeringsarts heeft in de FML beperkingen aangenomen voor de onderdelen ‘persoonlijk functioneren’, ‘sociaal functioneren’, ‘dynamische handelingen’, ‘statische houdingen’ en ‘werktijden’.
5.4.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de visie van de verzekeringsarts over de belastbaarheid van [eiseres] overgenomen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft daarbij onder meer acht geslagen op de brief van GZ-psycholoog Van Bemmel die [eiseres] in bezwaar heeft overgelegd. Zij wijst erop dat de moeilijke privésituatie van [eiseres] op zichzelf niet leidt tot het aannemen van verdergaande beperkingen. Er bestaat voorts geen medische noodzaak voor een verdergaande urenbeperking. De urenbeperking die is gegeven op energetische en preventieve gronden, acht de verzekeringsarts bezwaar en beroep toereikend. In dit verband heeft zij acht geslagen op het dagverhaal van [eiseres].
5.5.
In haar rapport van 9 februari 2026 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep acht geslagen op de diagnose PTSS die is gesteld. De informatie van Traumacentrum Nederland bevestigt dat [eiseres] functioneert in onder meer het huishouden en de zorg voor haar kinderen. Het feit dat negen maanden na de datum in geding de diagnose PTSS is gesteld, maakt de ervaren klachten en belemmeringen niet anders. Niet is gebleken van concentratie- of aandachtsproblemen die moeten leiden tot aanvullende beperkingen, aldus de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Zij wijst in dit verband ook op het spreekuur, waarin [eiseres] aangaf dat de klachten erger zijn dat op de datum in geding. Daarnaast is negen maanden na de datum in geding de diagnose CTS gesteld; rechts licht, links matig/ernstig. [eiseres] is rechtshandig. Tijdens het spreekuur heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen bijzonderheden aan haar handgebruik geobserveerd. Ook rondom de datum in geding werden geen afwijkingen gevonden, aldus de verzekeringsarts bezwaar en beroep.
5.6.
De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de medische beoordeling van de verzekeringsarts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Zij hebben afdoende gemotiveerd dat op de datum in geding niet meer en verdergaande beperkingen nodig zijn, in het bijzonder ten aanzien van de psychische problematiek van [eiseres]. Dat [eiseres] als gevolg van, kort gezegd, PTSS en CTS en de daaruit voortkomende pijn- en vermoeidheidsklachten zwaardere beperkingen ervaart, betekent niet zonder meer dat ook meer beperkingen moeten worden aangenomen. Van belang is namelijk niet alleen wat [eiseres] ervaart, maar wat objectief medisch als gevolg van ziekte of gebrek aan beperkingen is vast te stellen. Voorts is het vaste rechtspraak [4] van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) dat niet een diagnose, maar de medisch objectiveerbare beperkingen van belang zijn voor een juiste beoordeling van de belastbaarheid. Of en in welke mate een bepaalde diagnose voor iemand beperkingen met zich meebrengt, kan uit de enkele diagnose niet worden afgeleid maar vergt een op de persoon toegesneden individuele beoordeling. Uit de medische informatie die in het dossier zit, blijkt de rechtbank niet van aanwijzingen dat de verzekeringsartsen een onjuist beeld hadden van de medische situatie van [eiseres] of een verkeerde inschatting hebben gemaakt van haar belastbaarheid op de datum in geding. In beroep heeft [eiseres] een brief van 4 mei 2026 van GZ-psycholoog Voerman, verbonden aan Traumacentrum Nederland overgelegd. Dit verslag van het ontslaggesprek, met een evaluatie en weergave van het verloop van de behandeling, biedt geen steun voor het standpunt van [eiseres] dat de verzekeringsartsen haar psychische gesteldheid op de datum in geding hebben onderschat en dat zij verdergaand beperkt is dan de verzekeringsartsen hebben aangenomen. Dit alles betekent dat de rechtbank vindt dat het UWV mocht uitgaan van de juistheid van de medische rapporten en de daarbij behorende FML.
Arbeidskundige beoordeling
5.7.
[eiseres] heeft geen arbeidskundige gronden aangevoerd. Uitgaande van de juistheid van de FML zijn de geselecteerde functies in medisch opzicht geschikt voor [eiseres].

Conclusie en gevolgen

6. Het UWV heeft terecht en op goede gronden geweigerd aan [eiseres] met ingang van 3 maart 2025 een WIA-uitkering toe te kennen, omdat zij met ingang van die datum nog steeds minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
7. Het beroep is ongegrond. [eiseres] krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Koster, rechter, in aanwezigheid van A. van den Ham, griffier. Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen
2.werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten
3.Functionele mogelijkhedenlijst
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 10 januari 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:53