Appellante was werkzaam als verkoopmanager en meldde zich ziek in 2010. Na diverse uitkeringen op grond van de Ziektewet en Wet arbeid en zorg, beëindigde het Uwv in 2012 de ZW-uitkering omdat zij geschikt werd geacht haar werk te hervatten. In 2016 verzocht appellante om herbeoordeling en toekenning van een WIA-uitkering, uitgaande van doorlopende arbeidsongeschiktheid vanaf 2012.
Het Uwv weigerde de WIA-uitkering omdat de vereiste wachttijd van 104 weken niet was vervuld. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel. De Raad overweegt dat bij een laattijdige aanvraag een retrospectieve beoordeling plaatsvindt en dat het risico van onvoldoende medische gegevens voor rekening van appellante komt.
Appellante stelde dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was en dat haar klachten in 2012 al veroorzaakt werden door MS, die in 2013 werd vastgesteld. De Raad oordeelt echter dat het medisch onderzoek zorgvuldig was, ook zonder recent spreekuurcontact, omdat de medische toestand sindsdien aanzienlijk is verslechterd en een latere beoordeling weinig toevoegt.
De Raad concludeert dat het Uwv terecht heeft geoordeeld dat appellante de wachttijd niet heeft doorlopen en dat de beschikbare medische gegevens geen aanleiding geven om het eerdere oordeel te herzien. Het verzoek tot benoeming van een onafhankelijke deskundige wordt afgewezen wegens gebrek aan twijfel aan de medische beoordeling.