ECLI:NL:RBOVE:2026:3944

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
9 juli 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
AK_25_3301
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:73 Awb (oud)Art. 8:88 AwbArt. 8:89 AwbArt. 1:3 AwbArt. 4:17 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank verklaart zich onbevoegd in schadeverzoek tegen Dienst Toeslagen wegens niet tijdig besluit griffierechtvergoeding

In deze bestuursrechtelijke zaak verzoekt eiser schadevergoeding van de Dienst Toeslagen wegens het niet tijdig beslissen op zijn verzoeken om vergoeding van het betaalde griffierecht in ingetrokken beroepsprocedures. Eiser stelt dat hij schade heeft geleden bestaande uit het griffierecht, wettelijke rente en dwangsommen.

De rechtbank onderzoekt haar bevoegdheid en oordeelt dat op grond van het oude recht (artikel 8:73 Awb Pro (oud)) de bestuursrechter niet bevoegd is om over dit schadeverzoek te oordelen, omdat het verzoek niet tijdens een aanhangige bestuursrechtelijke procedure is gedaan en de schade is veroorzaakt door besluiten of handelingen van de Dienst Toeslagen in het kader van belastingtaken.

De rechtbank verwijst naar de Wet nadeelcompensatie bij onrechtmatige besluiten (Wns) en het feit dat titel 8.4 Awb niet van toepassing is op deze schade. De rechtbank bevestigt dat alleen de burgerlijke rechter bevoegd is voor de beoordeling van dit schadeverzoek.

Als gevolg hiervan verklaart de rechtbank zich onbevoegd, bepaalt dat het betaalde griffierecht aan eiser wordt terugbetaald en dat eiser zich tot de burgerlijke rechter moet wenden voor zijn vordering. De rechtbank wijst erop dat hoger beroep mogelijk is bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: De rechtbank verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van het schadeverzoek en bepaalt dat het griffierecht aan eiser wordt terugbetaald.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/3301

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats],

hierna: [eiser]
en

Dienst Toeslagen

(gemachtigde: mr. B.E.R. Darantinao).

Samenvatting

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het verzoek van [eiser] om schadevergoeding. [eiser] stelt dat hij schade zou hebben geleden omdat de Dienst Toeslagen niet tijdig heeft beslist op zijn verzoeken om vergoeding van griffierecht.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat zij onbevoegd is om van het verzoek om schadevergoeding kennis te nemen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Uit de gedingstukken volgt dat de rechtbank op 27 januari 2023 aan [eiser] schriftelijk heeft bevestigd dat zijn beroepen in de zaaknummers AWB 22/643, 22/1782 22/2329, 22/2330 zijn ingetrokken en dat de beroepsprocedures zijn beëindigd.
2.1.
Op 28 januari 2023 heeft [eiser] de Dienst Toeslagen verzocht om vergoeding van het in de voornoemde procedures betaalde griffierecht.
2.2.
Op 25 april 2023 heeft [eiser] de Dienst Toeslagen in gebreke gesteld voor het niet tijdig nemen van een besluit op zijn verzoeken om vergoeding van het griffierecht.
2.3.
Met de brief van 17 oktober 2025 heeft [eiser] de rechtbank verzocht om een schadevergoeding toe te kennen vanwege het niet tijdig nemen van een besluit op zijn verzoek om vergoeding van het door hem betaalde griffierecht.
2.4.
De Dienst Toeslagen heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift. [eiser] heeft op het verweerschrift gereageerd. De Dienst Toeslagen heeft een aanvullend verweerschrift ingediend.
2.5.
[eiser] heeft de rechtbank verzocht om zonder zitting uitspraak te doen. De rechtbank heeft aan [eiser] laten weten dat zij geen aanleiding ziet om de zaak zonder zitting af te doen.
2.6.
De rechtbank heeft het verzoek op 1 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van Dienst Toeslagen deelgenomen. [eiser] is niet op de zitting verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

Standpunten van partijen
3. [eiser] stelt dat hij schade heeft geleden doordat Dienst Toeslagen niet tijdig op zijn verzoek om vergoeding van het betaalde griffierecht heeft beslist. Volgens [eiser] bestaat de door hem geleden schade uit meerdere onderdelen. [eiser] verzoekt de rechtbank om de Dienst Toeslagen te veroordelen om aan hem het door hem betaalde griffierecht te vergoeden, verhoogd met de wettelijke rente. Volgens [eiser] bestaat zijn schade verder uit de maximale wettelijke dwangsom die Dienst Toeslagen per verzoek aan hem heeft verbeurd. [1] Ook stelt [eiser] dat hij per verzoek aanspraak maakt op de maximale rechterlijke dwangsom die de bestuursrechter aan zijn uitspraak verbindt als hij de beroepen op het niet tijdig beslissen gegrond had verklaard. [2]
3.1.
De Dienst Toeslagen stelt dat er geen recht op schadevergoeding bestaat. Volgens de Dienst Toeslagen moet het beroep van [eiser] niet-ontvankelijk worden verklaard omdat alleen de burgerlijke rechter bevoegd is om van het verzoek van [eiser] kennis te nemen. Het totaalbedrag waar [eiser] om verzoekt, overstijgt namelijk de grens van € 25.000,- uit artikel 8:89, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Verder stelt de Dienst Toeslagen dat artikel 8:88 van Pro de Awb – de grondslag waarop [eiser] zijn schadeverzoek heeft gebaseerd – niet van toepassing is op schade, veroorzaakt door besluiten of andere handelingen van de Dienst Toeslagen. Omdat het beroep van [eiser] niet gegrond is, kan er ook geen schadevergoeding worden toegekend op grond van artikel 8:73 Awb Pro (oud). De Dienst Toeslagen heeft zich verder op het standpunt gesteld dat niet is gebleken dat zij een onrechtmatig besluit heeft genomen, zodat er geen grondslag is om het schadeverzoek op te baseren.
Is de bestuursrechter bevoegd?
4. Voordat de rechtbank het beroep kan beoordelen, moet zij eerst vaststellen of zij bevoegd is om over het geschil als bestuursrechter te oordelen. Die vraag beantwoordt de rechtbank ontkennend, want alleen de burgerlijke rechter is daartoe bevoegd. Hierna legt de rechtbank uit waarom dit zo is.
4.1.
Op 1 juli 2013 is voor schadevergoeding door onrechtmatige besluiten de ‘Wet nadeelcompensatie bij onrechtmatige besluiten’ (Wns) in werking getreden, waardoor titel 8.4 over schadevergoeding in de Awb is opgenomen. Deze titel is echter niet van toepassing op schade veroorzaakt door besluiten of andere handelingen van de Dienst Toeslagen of van andere bestuursorganen voor zover genomen of verricht in het kader van aan de Belastingdienst opgedragen taken. [3] Voor die schades is het recht zoals dat gold voor 1 juli 2013 van toepassing.
4.2.
Dit laatste doet zich hier voor. [eiser] heeft verzocht om vergoeding van de schade die hij heeft geleden per ingetrokken beroepsprocedure, omdat de Dienst Toeslagen niet het door hem betaalde griffierecht aan hem heeft vergoed. Het schadebedrag per procedure bestaat volgens [eiser] uit (i) het betaalde griffierecht van € 50,- verhoogd met wettelijke rente, (ii) de maximale wettelijke dwangsom van € 1.442,- en (iii) een maximaal op te leggen rechterlijke dwangsom van € 15.000,-. [eiser] heeft de Dienst Toeslagen op 28 januari 2023 verzocht om vergoeding van het griffierecht. Dit betekent dat titel 8.4 van de Awb, en daarmee artikel 8:88 van Pro de Awb, niet van toepassing is op het verzoek van [eiser], maar het recht zoals dat voor 1 juli 2013 gold. Onder het toepasselijke oude recht (artikel 8:73 van Pro de Awb (oud)) is de bestuursrechter in een zaak als deze niet bevoegd om een oordeel te geven over het verzoek om schadevergoeding van [eiser]. Het verzoek om schadevergoeding is namelijk niet gedurende een bij de bestuursrechter aanhangige beroepsprocedure gedaan. [4]
4.3.
De rechtbank merkt ten overvloede op dat de bestuursrechter zich in een eerdere uitspraak onbevoegd heeft verklaard om kennis te nemen van de beroepen die [eiser] had ingesteld omdat de Dienst Toeslagen volgens hem geen besluit op zijn verzoeken van
28 januari 2023 had genomen. [5] De rechtbank overwoog (samengevat) dat de verzoeken van [eiser] om vergoeding van het griffierecht verzoeken om feitelijke handelingen betreffen. De verzoeken kunnen daarom niet als een aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb worden aangemerkt. Omdat geen sprake is van een aanvraag, is van het te laat nemen van besluiten door de Dienst Toeslagen geen sprake. Dit betekent dat tegen de verzoeken geen beroep openstaat bij de bestuursrechter. De bestuursrechter kan dan ook geen oordeel geven over de rechtmatigheid van beslissingen – en het uitblijven daarvan – van Dienst Toeslagen over vergoeding van schade, die veroorzaakt is door dit (uitblijven van) feitelijk handelen. Hiervoor is uitsluitend de burgerlijke rechter bevoegd.
4.4.
Uit het vorenstaande volgt dat uitsluitend de burgerlijke rechter bevoegd is om de vordering tot schadevergoeding van [eiser] ter zake van de door hem gestelde schadeoorzaak te beoordelen.

Conclusie en gevolgen

5. De rechter komt in deze zaak tot het oordeel dat hij als bestuursrechter niet bevoegd is om kennis te nemen van het verzoek van [eiser]. Dat betekent dat hij het verzoek niet – inhoudelijk – kan en mag behandelen. [eiser] krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten. Nu de bestuursrechter onbevoegd is, hoeft eiser geen griffierecht te betalen. [6] Omdat [eiser] wel griffierecht heeft betaald, zal dat aan hem worden terugbetaald.
5.1.
[eiser] kan zich met deze zaak uitsluitend tot de burgerlijke rechter wenden op de in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bepaalde wijze. [7]
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart zich onbevoegd om van het verzoek kennis te nemen;
- bepaalt dat de griffier van de rechtbank aan [eiser] het griffierecht terugbetaalt;
- bepaalt dat voor deze zaak uitsluitend een vordering bij de burgerlijke rechter kan worden ingesteld.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Koster, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.J. van Heijningen, griffier en uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 4:17 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Op grond van artikel 8:55d van de Awb.
3.Dit volgt uit artikel IV, in samenhang gelezen met artikel V, eerste en tweede lid, van de Wns.
4.De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 17 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2891, r.o. 15.
5.Rechtbank Overijssel van 9 april 2024, ECLI:NL:RBOVE:2024:1924.
6.Artikel 2.5, zevende lid, van het Procesreglement bestuursrecht rechtbanken juli 2025.
7.Dit volgt uit artikel 8:71 van Pro de Awb.