ECLI:NL:RBOVE:2026:3946

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
9 juli 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
84.101354.24 (P)
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 194 SrArt. 225 SrArt. 322 SrArt. 321 SrArt. 344a Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak verduistering, veroordeling valsheid in geschrift en faillissementsfraude bestuurder houtbedrijf

De rechtbank Overijssel heeft op 9 juli 2026 uitspraak gedaan in de strafzaak tegen verdachte, bestuurder van een houtbedrijf dat failliet werd verklaard. Verdachte werd beschuldigd van verduistering van 769 bundels hout, valsheid in geschrift door het aanleveren van valse voorraadlijsten aan ING Bank, het weigeren van inlichtingen aan de curator en het niet voldoen aan de administratieplicht tijdens het faillissement.

De rechtbank sprak verdachte vrij van verduistering omdat niet kon worden vastgesteld waar en wanneer de houtbundels fysiek waren geleverd en wie de beschikkingsmacht had. Wel werd bewezen verklaard dat verdachte als feitelijk leidinggever valse voorraadlijsten aan ING heeft verstrekt, waardoor ING mogelijk te veel krediet verstrekte. Daarnaast werd bewezen verklaard dat verdachte tijdens het faillissement de curator opzettelijk onvolledige en onjuiste informatie gaf en niet tijdig de administratie verstrekte, waardoor de afhandeling van het faillissement werd bemoeilijkt.

De rechtbank legde een gevangenisstraf van acht maanden op en ontzette verdachte voor vijf jaar uit het recht bestuurder te zijn. De vordering van ING tot schadevergoeding werd niet-ontvankelijk verklaard omdat het causaal verband niet was aangetoond. Verdachte was niet eerder voor soortgelijke feiten veroordeeld en de rechtbank hield rekening met de ernst van de feiten en de proceshouding van verdachte.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken van verduistering, maar veroordeeld tot 8 maanden gevangenisstraf en 5 jaar ontzetting voor valsheid in geschrift en faillissementsfraude.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Zwolle
Parketnummer: 84.101354.24 (P)
Datum vonnis: 9 juli 2026
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1976 in [geboorteplaats],
wonende aan de [woonplaats], Oostenrijk.

1.Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 25 juni 2026.
De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door de gemachtigde raadsman, mr. U. Ural, advocaat in Enschede, namens verdachte naar voren is gebracht.
Ook heeft de rechtbank kennis genomen van wat door gemachtigde [gemachtigde] namens de benadeelde partij ING Bank N.V. is aangevoerd.

2.De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:
feit 1:in de periode van 1 januari 2016 tot en met 31 december 2019 uit hoofde van zijn
persoonlijke dienstbetrekking (als bestuurder) 769 bundels hout heeft verduisterd;
feit 2:in de periode van 4 februari 2019 tot en met 31 oktober 2019 feitelijke leiding heeft
gegeven aan het door [bedrijf 1] B.V. medeplegen van het opzettelijk gebruik maken van valse geschriften door toezending van valse voorraadbestanden aan de ING Bank N.V.;
feit 3:in de periode van 11 november 2019 tot en met 5 december 2019 tezamen en in
vereniging als bestuurder van [bedrijf 1] B.V., welke 7 november 2019 in
staat van faillissement is verklaard, heeft geweigerd de vereiste inlichtingen te geven,
en/of opzettelijk onjuiste en/of onvolledige inlichtingen heeft gegeven;
feit 4:in de periode van 7 november 2019 tot en met heden als bestuurder van [bedrijf 1]
B.V., welke 7 november 2019 in staat van faillissement is verklaard, opzettelijk niet terstond de gevoerde administratie aan de curator heeft verstrekt en/of opzettelijk niet heeft voldaan aan de administratieplicht, ten gevolge waarvan de afhandeling werd bemoeilijkt.
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
1
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2016 tot en met
31 december 2019 te [plaats 1] en/of (elders) in Nederland, (telkens) opzettelijk
769 bundels hout (betreffende de voorraadlocatie ‘[locatie 1]’), althans een (grote)
hoeveelheid hout, die (telkens) geheel of ten dele toebehoorde(n) aan de besloten vennootschap [bedrijf 1] B.V., in elk geval aan een of meer ander(en) dan aan verdachte, en welk(e) bundels hout verdachte (telkens) uit hoofde van zijn persoonlijke
dienstbetrekking, te weten als middellijk bestuurder, althans als feitelijk bestuurder,
in elk geval anders dan door misdrijf, onder zich had, (telkens) wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;
2
de besloten vennootschap [bedrijf 1] B.V. op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 4 februari 2019 tot en met 31 oktober 2019 te [plaats 1] en/of (elders) in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer (rechts)personen, althans alleen,
meermalen opzettelijk gebruik heeft gemaakt van meerdere, althans een, vals(e) of vervalst(e) geschrift(en), zijnde (telkens) een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enigfeit te dienen, als ware het echt en onvervalst, te weten:
een of meerdere voorraadbestand(en) (vindplaatsen: DOC-043 en/of DOC-053
en/of DOC-183 en/of DOC-184 en/of DOC-021 en/of DOC-185 en/of DOC-186
en/of DOC-018 en/of DOC-187, zie ook p. 9 van het zaaksdossier)
bestaande die vervalsing en/of die valsheid hierin dat (telkens) in strijd met de
waarheid
- ( slechts) één voorraadlocatie is opgenomen, en/of;
- een (te hoge) weergave ‘wood-location [plaats 1]’, althans voorraadlocatie [plaats 1],
is opgenomen , en/of
- een (onjuiste) inslagdatum is opgenomen,
bestaande dat gebruikmaken (telkens) hierin dat zij, [bedrijf 1] B.V. en/of
haar mededader(s), de/het hiervoor genoemde voorraadbestand(en) aan ING
Commercial Finance in het kader van de tussen haar ([bedrijf 1] B.V.) én
ING Commercial Finance afgesloten bevoorschottings- en
dienstverleningsovereenkomst (vindplaats DOC-007) heeft verstrekt,
terwijl zij, [bedrijf 1] B.V. en/of haar mededader(s) (telkens) wist(en),
althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden, dat de eerdergenoemde
voorraadbestand(en) bestemd was/waren voor zodanig gebruik,
tot het plegen van welke bovenomschreven strafbare feiten hij, verdachte, (telkens)
opdracht heeft gegeven en/of aan welke bovenomschreven verboden gedragingen
verdachte (telkens) feitelijke leiding heeft gegeven;
3
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 11 november 2019 tot en
met 5 december 2019 te [plaats 1] en/of (elders) in Nederland
tezamen en in vereniging met een of meer (rechts)personen, althans alleen,
(telkens) als degene die in het faillissement van een ander wettelijk verplicht was tot
het geven van inlichtingen, te weten als (middellijk althans feitelijk) bestuurder van
de rechtspersoon de besloten vennootschap [bedrijf 1] B.V., terwijl die
rechtspersoon bij vonnis van de rechtbank Overijssel op 7 november 2019 in staat
van faillissement is verklaard (vindplaats: DOC-057),
heeft geweigerd de vereiste inlichtingen te geven, en/of opzettelijk onjuiste en/of
onvolledige inlichtingen heeft gegeven,
immers, heeft hij, verdachte, en/of hebben zijn mededaders,
- e-mailcorrespondentie niet overgelegd, en/of;
- onvolledige en/of (deels) onjuiste informatie verschaft over de
voorraadadministratie van de besloten vennootschap [bedrijf 1] B.V.
en/of over de voorraadlocaties/voorraadposten [verdachte] en/of ‘[locatie 1]’ en/of over
de aansluiting tussen de voorraadadministratie en de bij de besloten vennootschap
[bedrijf 1] B.V. aangetroffen voorraad;
4
Hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 7 november 2019 tot en
met heden te [plaats 1] en/of (elders) in Nederland
tezamen en in vereniging met een of meer (rechts)personen, althans alleen,
als bestuurder van een rechtspersoon, te weten: de besloten vennootschap [bedrijf 1]
B.V., die bij vonnis van de rechtbank Overijssel op 7 november 2019 in
staat van faillissement is verklaard (vindplaats: DOC-057),
(sub 1) tijdens het faillissement van voornoemde [bedrijf 1] B.V.,
desgevraagd opzettelijk niet terstond, overeenkomstig de op hem rustende
wettelijke verplichtingen ter zake, een ingevolge de wettelijke verplichtingen
gevoerde en/of bewaarde administratie en/of de daartoe behorende boeken,
bescheiden en/of andere gegevensdragers in ongeschonden vorm, zo nodig met de
hulpmiddelen om de inhoud binnen redelijke termijn leesbaar te maken, aan de
curator heeft verstrekt en/of doen verstrekken, en/of
(sub 2) voor en/of tijdens het faillissement van voornoemde [bedrijf 1]
B.V., opzettelijk niet heeft voldaan aan of heeft bewerkstelligd dat werd voldaan aan
de wettelijke verplichting tot het voeren van een administratie en/of het bewaren
van de daartoe behorende boeken en/of bescheiden en/of andere gegevensdragers,
ten gevolge waarvan de afhandeling werd bemoeilijkt,
immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededaders,
- geen (volledige) boekhouding en/of administratie van voornoemde [bedrijf 1]
B.V., gevoerd en/of bewaard, en/of
- ( desgevraagd) geen (volledige) administratie van voornoemde [bedrijf 1]
B.V. overgelegd en/of doen overleggen aan de curator in bovengenoemd
faillissement.
3. De bewijsmotivering [1]
3.1
Inleiding en aanleiding onderzoek
Verdachte (hierna ook [verdachte]) en medeverdachte [medeverdachte] (hierna [medeverdachte]) waren met elkaar gehuwd.
[bedrijf 1] B.V. (hierna [bedrijf 1]) is op 22 december 1975 opgericht. Vanaf 30 maart 2009 was [bedrijf 2] B.V. de bestuurder van [bedrijf 1]. [2] Verdachte is enig aandeelhouder en bestuurder van [bedrijf 2] B.V. [3]
[bedrijf 1] is op 7 november 2019 failliet verklaard. In het faillissement van [bedrijf 1] werd mr. A.C. Blankestijn als curator aangesteld. [4]
[bedrijf 3] B.V. (hierna [bedrijf 3]) is op 14 oktober 2015 opgericht met [bedrijf 4] B.V. als bestuurder. [5] [medeverdachte] is bestuurder van [bedrijf 4] B.V. [6]
[bedrijf 1] hield zich bezig met de in- en verkoop van (hard)hout aan bedrijven.
[bedrijf 3] houdt zich bezig met het online verhandelen van (hard)hout en bouwmaterialen aan particulieren.
De aanleiding voor het strafrechtelijk onderzoek is gelegen in de aangifte van faillissementsfraude op 19 februari 2020 door de curator in het faillissement van [bedrijf 1] en in de aangifte van de ING Bank N.V. (hierna ING) op 30 juli 2021 tegen [verdachte]. Onder de naam Addingham is door de FIOD een strafrechtelijk onderzoek uitgevoerd.
3.2
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft gepleegd, met uitzondering van het tenlastegelegde medeplegen (zoals is opgenomen onder de feiten 2, 3 en 4) en met uitzondering van de voorraadbestanden gespecifieerd als DOC-183, DOC-184, DOC-186, DOC-018 en DOC-187 onder feit 2).
3.3
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft bepleit dat verdachte van de ten laste gelegde feiten integraal moet worden vrijgesproken. Ten aanzien van feit 1 is geen sprake geweest van toe-eigening; niet is aangetoond dat de bundels hout daadwerkelijk aanwezig waren en zijn overgedragen aan [bedrijf 3]. Van opzet is ook geen sprake geweest.
Ten aanzien van feit 2 is geen sprake van valse geschriften. Er zijn voorraadlijsten aangeleverd conform de afgesproken administratieve werkwijze in het door ING gewenste format. Van opzet is ook geen sprake geweest.
Voor feiten 3 en 4 was geen sprake van opzet en weigering om inlichtingen te geven.
3.4
Het oordeel van de rechtbank
Feit 1
De aangifte van de curator benoemt dat de door de curator ingeschakelde forensisch accountant heeft geconstateerd dat op 1 oktober 2019 onder meer 769 bundels hout (die geregistreerd stonden op voorraadlocatie '[locatie 1]') verwijderd zijn uit de digitale voorraadadministratie van [bedrijf 1]. Uit nader onderzoek bleek dat deze bundels hout zijn ingekocht in de periode 2016 tot en met 2019. Deze voorraad hout is fysiek niet aangetroffen door de curator. Het vermoeden rees dat [bedrijf 3] dit hout heeft ontvangen van [bedrijf 1], zonder ervoor te betalen. [bedrijf 3] zou vermoedelijk dit hout via haar eigen webshop hebben verkocht, hetgeen als heling aan [bedrijf 3] is ten laste gelegd, en aan welk strafbaar feit [medeverdachte] feitelijke leiding zou hebben gegeven.
De rechtbank stelt op basis van het dossier en het verhandelde ter zitting vast dat in de periode van 2016 tot en met 2019 769 bundels hout zijn ingekocht door [bedrijf 1]. Ook kan worden vastgesteld dat deze bundels hout op 1 oktober 2019 (digitaal) zijn verwijderd uit de voorraadadministratie, dat die verwijdering is verricht vanaf het gebruikersaccount van verdachte en dat verdachte aan zijn extern systeembeheerder hiertoe opdracht had gegeven. Ten aanzien van de fysieke goederenstroom ontbreekt evenwel ieder spoor. De rechtbank kan daarmee niet vaststellen waar en wanneer deze 769 bundels hout feitelijk zijn geleverd binnen het ruime tenlastegelegde tijdsbestek van drie jaren en wie wanneer de beschikkingsmacht hierover had. Bij deze stand van zaken kan niet worden vastgesteld dat verdachte de ingekochte bundels daadwerkelijk ‘onder zich had’ in de zin van artikel 322 in Pro samenhang met artikel 321 Sr Pro. De rechtbank spreekt daarom verdachte van dit feit vrij.
Feit 2
[bedrijf 1] en ING zijn op 5 juni 2015 een bevoorschottings- en dienstverleningsovereenkomst overeengekomen. Deze overeenkomst benoemt specifiek dat onder financierbare voorraad wordt verstaan de betaalde voorraad jonger dan twaalf maanden na inslagdatum en opgeslagen onder beheer van client. Voorraad opgeslagen bij een externe bewerker in Enschede mag maximaal 20% van de financierbare voorraad beslaan. [7] Op een later moment is ook de zeilende voorraad toegevoegd aan de overeenkomst. [8]
[bedrijf 1] was verplicht om met enige regelmaat voorraadlijsten van de voorraadadministratie aan de ING aan te leveren. Op basis van de ingestuurde voorraadbestanden werd de financierbare voorraad bepaald. Vanuit de voorraadadministratie van [bedrijf 1] werden automatisch zogenaamde CSV-bestanden met de actuele voorraadstand van dat moment via de e-mail naar de verdachte en de systeembeheerder gestuurd. Deze CSV-bestanden bevatten
de voorraadlocaties zoals ze in het voorraadsysteem van [bedrijf 1] waren opgevoerd. De locaties die werden aangeduid met de volgende benamingen: boot, derden, [locatie 1], [plaats 1], [verdachte], [plaats 2], [plaats 3], [plaats 4], [plaats 5], [plaats 6] en productie. Daarnaast bevatten de CSV-bestanden inslagdata ouder en jonger dan 12 maanden. Verdachte stuurde deze originele, automatisch gegenereerde voorraadlijsten niet aan de ING, maar hij stuurde andere voorraadlijsten aan de ING. [9]
Aangifte ING
Volgens de ING heeft [bedrijf 1] zich schuldig gemaakt aan valsheid in geschrift door in strijd met voornoemde bevoorschottings- en dienstverleningsovereenkomst valse/vervalste voorraadlijsten aan de ING te zenden, als gevolg waarvan de ING is bewogen om over te gaan tot het verstrekken van (te veel) krediet. De valse/vervalste voorraadlijsten wekten de indruk dat het hout lag opgeslagen onder beheer van client, terwijl er sprake was van meerdere, deels onbekende, locaties. Ook wekten de valse voorraadlijsten de indruk dat het hout merendeels jonger was dan 12 maanden, terwijl dit niet zo bleek te zijn. De ING heeft op 8 november 2019 voornoemde overeenkomt daarom opgezegd
. [10]
Getuige [getuige], relatiemanager bij de ING, heeft in aanvulling op de aangifte expliciet verklaard dat ING met [bedrijf 1] is overeengekomen dat ING alleen de voorraad op de locatie [plaats 1], de zeilende voorraad en de [plaats 3] (tot maximaal 20%) zou financieren. [bedrijf 1] had geen recht had op kredietverstrekking met betrekking tot de voorraadlocaties [locatie 1] en [verdachte]. Deze locaties waren ook niet bekend bij de ING. De voorraad op locatie boot had gefinancierd kunnen worden als [bedrijf 1] de bill-of-lading had kunnen tonen. De locaties [plaats 2] en [plaats 5] waren ook bekend en voorraad op die locaties had ook gefinancierd kunnen worden als [bedrijf 1] had kunnen aantonen dat de voorraad al was betaald en het uitloop betrof van de zeilende voorraad. [11]
Standpunt officier van justitie
Volgens de officier van justitie zijn de voorraadbestanden DOC-043, DOC-053, DOC-021 en DOC-185 vals/vervalst omdat in de voorraadbestanden (slechts) één voorraadlocatie is opgenomen en/of een (te hoge) weergave ‘wood-location [plaats 1]’/ voorraadlocatie [plaats 1] is opgenomen en/of een (onjuiste) inslagdatum is opgenomen. Voor de overige tenlastegelegde voorraadlijsten heeft hij partiële vrijspraak gevorderd.
Standpunt verdediging
Volgens de verdediging is geen sprake van valse/vervalste voorraadlijsten. De voorraadlijsten die verdachte namens [bedrijf 1] aan de ING heeft verzonden voldoen aan de afgesproken werkwijze. De CSV bestanden zijn verwerkt in het excel-format zoals door de ING werd gehanteerd. Van valse/vervalste geschriften is dus geen sprake, aldus de verdediging.
Valsheid van de geschriften
De negen ten laste gelegde geschriften hebben betrekking op voorraadbestanden die in 2019 door [bedrijf 1] aan de ING zijn verstrekt. De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of deze documenten als vals/vervalst zijn aan te merken.
Bij het ‘valselijk opmaken’ gaat het om een geschrift dat in het geheel vals is opgemaakt. Bij het ‘vervalsen’ gaat het - kort gezegd - om het aanbrengen van wijzigingen, toevoegingen of verwijderingen op of aan een bestaand geschrift.
Uit de tenlastelegging en het dossier volgt dat het verwijt is dat de voorraadlijsten intellectueel vals zijn, dat wil zeggen: de inhoud van de voorraadlijsten zou niet overeen stemmen met de werkelijkheid.
Volgens vaste jurisprudentie kan het niet vermelden van bepaalde gegevens ook valsheid in geschrift opleveren. Beslissend is in dat geval of de werkelijkheid door het achterhouden van gegevens geweld is aangedaan. [12]
De rechtbank overweegt als volgt. De FIOD heeft de geschriften die de ING van verdachte heeft ontvangen, vergeleken met de (automatisch gegenereerde) CSV-bestanden zoals zijn aangeleverd door de extern systeembeheerder. De FIOD heeft geconstateerd dat locaties van hout zoals opgenomen in de aan ING aangeleverde voorraadbestanden niet overeenkomen met de locaties van hout zoals is opgenomen in de CSV-bestanden. Van de 9 tenlastegelegde voorraadlijsten die aan de ING zijn aangeleverd, hebben acht voorraadlijsten maar één opslaglocatie, namelijk [plaats 1], en één voorraadlijst heeft drie opslaglocaties ([plaats 1], [locatie 1] en [plaats 3]), terwijl alle CSV-bestanden telkens meerdere opslaglocaties bevatten. De opslaglocaties die voorkomen in de CSV-bestanden variëren in boot, derden, [locatie 1], [plaats 1], [verdachte], [plaats 2], [plaats 3], [plaats 4], [plaats 5], [plaats 6] en productie. Wanneer van de CSV-bestanden alleen de opslaglocatie [plaats 1] wordt geselecteerd valt de financierbare voorraad beduidend lager uit dan wanneer alle opslaglocaties aanpast worden naar de opslaglocatie [plaats 1].
De FIOD heeft verder geconstateerd dat de voorraadlijsten die door [bedrijf 1] aan ING zijn verstrekt een voorraad benoemen van jonger dan 12 maanden, terwijl de CSV-bestanden ook voorraden benoemen die ouder zijn dan 12 maanden. Wanneer van de CSV-bestanden alleen de data worden geselecteerd die voldoen aan de voorwaarde jonger dan 12 maanden, valt de financierbare voorraad beduidend lager uit dan wanneer alle data worden aangepast naar jonger dan 12 maanden. [13]
De rechtbank stelt vast op basis van het dossier en het verhandelde ter zitting vast dat [bedrijf 1] in de tenlastegelegde periode was gevestigd in [plaats 1]. De voorraadlocatie [plaats 1] werd beschouwd als locatie onder eigen beheer. Van de totale voorraad hout, dat extern werd opgeslagen, mocht maximaal 20% meegerekend worden voor de bepaling van de financiering. De door [bedrijf 1] in haar administratie benoemde voorraadlocaties (zoals boot, [plaats 2], [plaats 3], [plaats 4], [plaats 5], [plaats 6]) kwamen zodoende niet zonder meer voor financiering in aanmerking. De locatie [verdachte] kwam sowieso niet voor financiering in aanmerking.
Over de voorraadlocatie [verdachte] overweegt de rechtbank het volgende. De locatie [verdachte] betrof een fictieve post en is dus aan te merken als een valse post. Uit het onderzoek van de curator bleek dat in maart 2017 onder deze fictieve post een voorraad van 21 houtbundels was ingeboekt van 210 m3 met een inkoopwaarde van € 210.000,--. zonder koppeling aan klanten of ordernummers. Verdachte heeft deze voorraadpost kort voor faillissement (op 1 oktober 2019) uit het voorraadsysteem verwijderd. Tegenover de curator heeft verdachte kenbaar gemaakt dat het om een fictieve post ging. [14]
De rechtbank heeft de negen ten laste gelegde voorraadlijsten die door verdachte aan ING zijn verstrekt vergeleken met de CSV-bestanden. De rechtbank constateert dat de voorraadlijsten gespecifieerd als DOC-043, DOC-053, DOC-183, DOC-021, DOC-185 en DOC-184 alleen maar de voorraadlocatie [plaats 1] benoemen, terwijl de daaraan ten grondslag liggende CSV-bestanden (genummerd als DOC-082, DOC-084, DOC-080, DOC-088 en DOC-090 en DOC-086) in ieder geval ook telkens de fictieve post [verdachte] benoemt.
Gelet hierop komt de rechtbank tot het oordeel dat deze 6 (van de totaal 9) tenlastegelegde voorraadlijsten valse geschriften betreffen en dat [bedrijf 1] daarvan gebruik heeft gemaakt door toezending daarvan aan ING.
De rechtbank constateert dat de voorraadlijsten gespecifieerd als DOC-186 en DOC-018 alleen maar de voorraadlocatie [plaats 1] benoemt, terwijl de daaraan ten grondslag liggende CSV-bestanden (DOC-207 en DOC- 206) daarnaast [plaats 2] en [plaats 3] als externe locaties benoemt. Nu, mede in het licht van de hiervoor aangehaalde verklaring van de getuige [getuige], niet kan worden vastgesteld dat het hout op die locaties onder de bevoorschottings- en dienstverleningsovereenkomst voor financiering gefinancierd kan worden, komt de rechtbank tot het oordeel dat DOC-186 en DOC-018 ook valse geschriften betreffen en dat [bedrijf 1] daar gebruik van heeft gemaakt door toezending daarvan aan ING.
Ten aanzien van DOC-187 komt de rechtbank tot de conclusie dat het daaraan ten grondslag liggende CSV-bestand (DOC-208) geen andere voorraadlocatie behelst dan [plaats 1]. Ook benoemt dat CSV-bestand geen voorraad ouder dan 12 maanden. De rechtbank komt daarmee tot de conclusie dat DOC-187 niet kan worden aangemerkt als een vals geschrift en spreekt verdachte van dit onderdeel van de tenlastelegging vrij.
Daderschap van [bedrijf 1]
Nu de rechtbank hiervoor heeft vastgesteld dat acht van de negen ten laste gelegde geschriften vals zijn en dat daarvan gebruik is gemaakt, is het vervolgens de vraag of deze gedraging aan [bedrijf 1] kan worden toegerekend. De rechtbank overweegt hierover het volgende. Het aanleveren van de voorraadlijsten in het kader van de uitvoering van voornoemde overeenkomst met ING viel binnen de normale bedrijfsvoering van [bedrijf 1]. Deze gedraging is [bedrijf 1] ook dienstig geweest, omdat hierdoor krediet werd verkregen en daarmee de liquiditeit van de onderneming werd vergroot/versterkt. Gelet hierop concludeert de rechtbank dat de verboden gedraging plaatsvond in de sfeer van [bedrijf 1] en daarom redelijkerwijs aan haar kan worden toegerekend. Dit betekent dat [bedrijf 1] kan worden aangemerkt als dader van het onder 2 ten laste gelegde.
Opzet
Gelet op voornoemde feiten en omstandigheden in onderling verband en samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat bij [verdachte] sprake is geweest van vol opzet en dat dit handelen kan worden toegerekend aan [bedrijf 1]. Verdachte heeft willens en wetens data van de CSV-bestanden gebruikt en op eigen, aangepaste wijze verwerkt in een Excel bestanden om die bestanden vervolgens in het kader van de eerder genoemde overeenkomst aan ING te verstrekken. Daarmee heeft zij met betrekking tot de voor financiering in aanmerking komende voorraad aan ING een voorstelling van zaken gegeven die in strijd is met de werkelijkheid. De rechtbank acht daarmee ook het opzet van [bedrijf 1] wettig en overtuigend bewezen.
Opdracht of feitelijke leidinggeven
Niet ter discussie staat dat verdachte kan worden aangemerkt als feitelijke leidinggever.
Voor de gehele tenlastegelegde periode geldt dat verdachte als enige (middellijk) bestuurder aan [bedrijf 1] gelieerd was. In die hoedanigheid van bestuurder was hij verantwoordelijk voor de bedrijfsvoering, waaronder het voeren van de administratie en uitvoering geven aan de (administratieve) verplichtingen in het kader van de uitvoering van voornoemde overeenkomst met de ING. Verdachte was hiertoe de enige contactpersoon voor de ING en hij heeft de vervalste voorraadlijsten aangeleverd aan de ING. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan de door [bedrijf 1] begane strafbare feiten.
Medeplegen
De rechtbank is - net als de officier van justitie - van oordeel dat van medeplegen door [bedrijf 1] geen sprake is en spreekt verdachte daarvan vrij. Bij bewezenverklaring van medeplegen, die gericht is op het feitelijk leidinggeven door verdachte aan een strafbare feit gepleegd door de vennootschap, zou betekenen dat bewezen verklaard wordt het feitelijk leidinggeven aan het eigen (mede)plegen. Naar het oordeel van de rechtbank is het niet mogelijk, zodat verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.
Conclusie rechtbank
De rechtbank acht dit feit wettig en overtuigend bewezen met uitzondering van voornoemd geschrift DOC-187 en het medeplegen.
Feiten 3 en 4
Bevindingen curator
Zoals benoemd, is [bedrijf 1] op 7 november 2019 failliet verklaard. De curator heeft verklaard – voor zover relevant voor de feiten 3 en 4 – dat niet is voldaan aan de administratieplicht, het terstond overhandigen daarvan en dat niet is voldaan aan het geven van inlichtingen en dat onjuiste inlichtingen zijn gegeven. Uit de aangifte en de nadere verklaring van de curator blijken – kort samengevat – de volgende feiten en omstandigheden.
De curator is na het uitspreken van het faillissement van [bedrijf 1] ter plaatse gegaan voor een eerste inventarisatie, maar gelet op de grote omvang van de onderneming is de curator enkele dagen later opnieuw ter plaatse gegaan met een forensisch accountant. De curator heeft verdachte toen om de volledige administratie, boekhouding en correspondentie gevraagd. Verdachte gaf inloggegevens af waarna de forensische accountant ter plaatste gegevens heeft gedownload en veiliggesteld, waarna werd geconstateerd dat alle e-mails waren verdwenen en dat de omvang van de voorraad niet klopte. Verdachte gaf aan de curator te kennen dat de e-mails misschien thuis op zijn eigen laptop stonden, maar uit nader onderzoek bleek dit niet het geval te zijn. Verdachte is gevraagd om inlichtingen ten aanzien van het verschil in voorraad, maar hierop wilde verdachte toen niet antwoorden De curator heeft verdachte uitgenodigd om op kantoor te komen om vragen te beantwoorden over de administratie van [bedrijf 1], maar dat wilde hij niet. Op verzoek van de curator heeft verdachte enige tijd in faillissementsgijzeling doorgebracht, maar ook tijdens de gijzeling wilde hij geen antwoord geven op vragen of gaf hij ontwijkende antwoorden op vragen van de curator. De curator heef uiteindelijk via de extern systeembeheerder van [bedrijf 1] informatie ontvangen waaruit naar voren kwam dat voorraad is verwijderd en dat de voorraadstanden niet klopten met de aanwezige fysieke voorraad. [15]
Verdachte heeft in faillissementsgijzeling doorgebracht van 5 december 2019 tot en met 29 januari 2020. [16] Pas aan het einde van de gijzeling heeft verdachte tegenover de rechter-commissaris verklaard dat het verschil in de voorraadstanden misschien met een
andere voorraadpost te maken zou hebben. Na zijn vrijlating is verdachte met een advocaat twee keer op gesprek geweest bij de curator. [17]
Verdachte heeft tegenover de curator over voorraadlocatie “[locatie 1]” in de loop der tijd verschillende verklaringen gegeven: de post zou niet hebben bestaan, het zou gaan om afvalhout en/of het zou liggen aan het afschaven van hout. Volgens onderzoek van de curator bleek het niet te gaan om een fictieve post of afvalhout gelet de op de aanwezige (inkoop)facturen, orders en onderliggende boekhouding.
Verdachte heeft tegenover de curator over de voorraadlocatie “[verdachte]” verklaard dat deze post fictief was, en als voorraad opgevoerd is geweest in de jaarrekeningen 2017 en 2018 en ook onderdeel van de opgave aan de ING in het kader van de verkrijgen van krediet. Al met al heeft de curator uiteindelijk geconcludeerd dat op datum faillissement een fysieke voorraad is aangetroffen van 385 m3, terwijl uit de administratie bleek dat de voorraad minimaal 892 m3 tot maximaal 2155 m3 had moeten zijn. Dit verschil kon slechts gedeeltelijk worden verklaard door het verwijderen/ afboeken van de voorraadposten “[locatie 1]” en “[verdachte]”. Er bleef een onverklaarbaar verschil over. [18]
Administratieplicht
De rechtbank overweegt dat een bestuurder van een rechtspersoon op grond van artikel 2:10
van het Burgerlijk Wetboek (BW) verplicht is een administratie te voeren en de daartoe
behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers op zodanige wijze te bewaren, dat
te allen tijde de rechten en verplichtingen van de rechtspersoon kunnen worden gekend. Uit
jurisprudentie blijkt dat aan de administratieplicht is voldaan indien het mogelijk is om snel
inzicht te krijgen in de debiteuren- en crediteurenpositie. Daarnaast dienen deze posities en
de stand van de liquiditeiten een redelijk inzicht te geven in de vermogenspositie van de
rechtspersoon (vgl. Hoge Raad 13 juni 1993, ECLI:NL:HR:1993:713; Hoge Raad 10 oktober
Bestuurder
Niet in geschil is dat verdachte (middellijk en feitelijk) bestuurder was van [bedrijf 1]. Uit het dossier en het verhandelde ter zitting volgt dat hij zich als middellijk en feitelijk bestuurder bezig hield met de algehele bedrijfsvoering, de dagelijkse gang van zaken en dat hij beleidsbepalende beslissingen nam. Ook is niet geschil dat verdachte zodoende wettelijk verplicht was tot het geven van inlichtingen zoals bedoeld in artikel 194 lid 2 Sr Pro en op hem de verplichting rustte tot het voeren van de administratie en het terstond verstrekken daarvan aan de curator zoals bedoeld in artikel 344a lid 2 Sr.
Weigering en opzet
Door de verdediging is ter discussie gesteld dat sprake zou zijn van opzet en weigering tot het geven van inlichtingen. De verdediging heeft ter zitting aangevoerd dat het e-mailsysteem van de onderneming nou eenmaal zo was ingericht dat e-mails periodiek en automatisch werden gewist. Ook de digitale verwijdering van voorraad is een keuze geweest voorafgaande en losstaande van het nadien uitgesproken faillissement, maar hierin ligt geen opzet besloten. Na het uitspreken van het faillissement had verdachte geen toegang meer tot de (volledige) administratie van de onderneming, waardoor van hem niet kon worden gevergd vragen hierover te beantwoorden. Alle administratie waarover verdachte wel beschikte heeft hij wel overhandigd aan de curator en heeft aldus voldoende en actief zijn medewerking verleend.
De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging. De omstandigheid dat verdachte niet zelf beschikte over back-ups van de e-mails, zogeheten ‘hard copies’ daaronder begrepen, en administratie van [bedrijf 1] komt voor zijn rekening en risico. De automatische verwijdering van de emails is een instelling waarvoor verdachte verantwoordelijk is. Bovendien is dit strijdig met de wettelijke verplichting tot het voeren en bewaren van een deugdelijke boekhouding. Uit genoemde administratieplicht vloeit immers voort dat administratie te allen tijde volledig op orde en te raadplegen moet zijn. Verdachte heeft daarnaast nimmer een (plausibele) verklaring gegeven waarom hij op voorraden uit de digitale administratie heeft laten verwijderen. Als (middelijk en feitelijk) bestuurder van [bedrijf 1] droeg verdachte de verantwoordelijkheid voor deze gang van zaken. Uit de weigerachtige houding zoals hierdoor door de curator is omschreven en het feit dat verdachte hiervoor faillissementsgijzeling heeft ondergaan, leidt de rechtbank (vol) opzet af.
Ten gevolge waarvan de afhandeling van het faillissement is bemoeilijkt
Door een onvolledige administratie is het voor een curator, zoals ook volgt uit de aangifte, onmogelijk om correct vast te kunnen stellen welke (eventuele) baten er zijn en onder wie die moeten worden verdeeld. Ook het kunnen onderkennen van eventuele onregelmatigheden in het zicht van het faillissement om daarna via acties als de Pauliana of onrechtmatige daad de daardoor veroorzaakte schade (deels) vergoed te krijgen, wordt door dergelijk handelen ernstig bemoeilijkt dan wel gefrustreerd. Naar het oordeel van de rechtbank is door de gebrekkige administratie de afhandeling van het faillissement van [bedrijf 1] dan ook bemoeilijkt.
Conclusie
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank de feiten 3 en 4 wettig en overtuigend bewezen, met uitzondering van het medeplegen. Van een andere (mede)bestuurder is niet gebleken.
De rechtbank zal ten aanzien van de periode van feit 4 de einddatum vaststellen op 6 mei 2022, zijnde de datum waarop volgens de officier van justitie het faillissement van [bedrijf 1] is opgeheven.
3.5
De bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de opgegeven bewijsmiddelen waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:
2
de besloten vennootschap [bedrijf 1] B.V. op tijdstippen in de periode van 4 februari 2019 tot en met 31 oktober 2019 in Nederland, meermalen opzettelijk gebruik heeft gemaakt van meerdere valse geschriften, zijnde (telkens) een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, als ware het echt en onvervalst, te weten:
meerdere voorraadbestanden (vindplaatsen: DOC-043 en DOC-053
en DOC-183 en DOC-184 en DOC-021 en DOC-185 en DOC-186 en DOC-018)
bestaande die valsheid hierin dat telkens in strijd met de waarheid
- één voorraadlocatie is opgenomen en/of
- een (te hoge) weergave ‘wood-location [plaats 1]’ is opgenomen,
bestaande dat gebruikmaken telkens hierin dat zij, [bedrijf 1] B.V
de hiervoor genoemde voorraadbestanden aan ING Commercial Finance in het kader van de tussen haar ([bedrijf 1] B.V.) én ING Commercial Finance afgesloten bevoorschottings- en dienstverleningsovereenkomst heeft verstrekt,
terwijl zij, [bedrijf 1] B.V., telkens wist dat de eerdergenoemde
voorraadbestanden bestemd waren voor zodanig gebruik,
aan welke bovenomschreven verboden gedragingen verdachte telkens feitelijke leiding heeft gegeven;
3
hij op tijdstippen in de periode van 11 november 2019 tot en met 5 december 2019 in Nederland, (telkens) als degene die in het faillissement van een ander wettelijk verplicht was tot het geven van inlichtingen, te weten als (middellijk althans feitelijk) bestuurder van
de rechtspersoon de besloten vennootschap [bedrijf 1] B.V., terwijl die
rechtspersoon bij vonnis van de rechtbank Overijssel op 7 november 2019 in staat
van faillissement is verklaard,
heeft geweigerd de vereiste inlichtingen te geven en opzettelijk onjuiste en onvolledige inlichtingen heeft gegeven, immers, heeft hij, verdachte,
- e-mailcorrespondentie niet overgelegd, en;
- onvolledige en (deels) onjuiste informatie verschaft over de
voorraadadministratie van de besloten vennootschap [bedrijf 1] B.V.
4
hij op tijdstippen in de periode van 7 november 2019 tot en met 6 mei 2022
in Nederland, als bestuurder van een rechtspersoon, te weten: de besloten vennootschap [bedrijf 1] B.V., die bij vonnis van de rechtbank Overijssel op 7 november 2019 in
staat van faillissement is verklaard,
(sub 1) tijdens het faillissement van voornoemde [bedrijf 1] B.V.,
desgevraagd opzettelijk niet terstond, overeenkomstig de op hem rustende
wettelijke verplichtingen ter zake, een ingevolge de wettelijke verplichtingen
gevoerde en/of bewaarde administratie en/of de daartoe behorende boeken,
bescheiden en/of andere gegevensdragers in ongeschonden vorm, zo nodig met de
hulpmiddelen om de inhoud binnen redelijke termijn leesbaar te maken, aan de
curator heeft verstrekt en/of doen verstrekken, en/of
(sub 2) voor en/of tijdens het faillissement van voornoemde [bedrijf 1]
B.V., opzettelijk niet heeft voldaan aan of heeft bewerkstelligd dat werd voldaan aan
de wettelijke verplichting tot het voeren van een administratie en/of het bewaren
van de daartoe behorende boeken en/of bescheiden en/of andere gegevensdragers,
ten gevolge waarvan de afhandeling werd bemoeilijkt,
immers heeft/hebben hij, verdachte,
- geen (volledige) boekhouding en/of administratie van voornoemde [bedrijf 1]
B.V., gevoerd en/of bewaard, en
- (desgevraagd) geen (volledige) administratie van voornoemde [bedrijf 1]
[bedrijf 1] B.V. overgelegd en/of doen overleggen aan de curator in bovengenoemd
faillissement.
De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 194, 225 en 344a van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:
feit 2
het misdrijf:
opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, gepleegd door een rechtspersoon, terwijl verdachte daaraan feitelijke leiding heeft gegeven, meermalen gepleegd;
feit 3
het misdrijf:
als degene die in het faillissement van een ander wettelijk verplicht is tot het geven van inlichtingen weigeren de vereiste inlichtingen te geven en opzettelijk onjuiste en/of onvolledige informatie geven;
feit 4
het misdrijf
als bestuurder van een rechtspersoon, tijdens het faillissement van de rechtspersoon, desgevraagd opzettelijk niet terstond, overeenkomstig de op hem rustende wettelijke verplichtingen ter zake, een ingevolge de wettelijke verplichtingen gevoerde en bewaarde administratie en de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers in ongeschonden vorm, zo nodig met de hulpmiddelen om de inhoud binnen redelijke termijn leesbaar te maken, aan de curator verstrekkenenals bestuurder van een rechtspersoon, voor het faillissement van de rechtspersoon, terwijl dit is gevolgd, opzettelijk niet voldoen aan de wettelijke verplichtingen tot het voeren van een administratie en het bewaren van de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers, ten gevolge waarvan de afhandeling wordt bemoeilijkt.

5.De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

6.De op te leggen straf of maatregel

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geëist dat verdachte wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden. Hierbij is rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht om bij de strafbepaling, in het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, rekening te houden met de omstandigheid dat verdachte door de neergang van [bedrijf 1] financieel volledig is geruïneerd, zijn huwelijk gestrand is en dat hij reputatieschade heeft opgelopen door de negatieve berichtgeving in de media over deze zaak. In Oostenrijk probeert verdachte nu een nieuw bestaan op te bouwen. Van vergelijkbare bedrijfsactiviteiten is geen sprake meer. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf is niet passend gelet op de context van de situatie en het feit dat verdachte is aan te merken als first-offender. Volstaan dient te worden met geheel voorwaardelijke straf of geldboete.
6.3
De gronden voor een straf of maatregel
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
Verdachte heeft in 2019 zich als feitelijke leidinggever schuldig gemaakt aan valsheid in geschrift door aangepaste voorraadlijsten aan de ING te versturen. Door zo te handelen heeft verdachte het vertrouwen beschaamd dat in het handelsverkeer pleegt te worden gesteld in de juistheid van geschriften. Bovendien is ING door het handelen van de verdachte financieel benadeeld. [bedrijf 1] is vervolgens op 7 november 2019 failliet verklaard. Verdachte heeft in dat kader eveneens strafbare feiten gepleegd. Verdachte heeft zich namelijk niet gehouden aan de hem wettelijk opgedragen plicht een volledige en deugdelijke administratie te voeren en deze administratie terstond aan de curator te verstrekken. Verdachte heeft verder geen medewerking verleend aan de curator en heeft enige tijd in faillissementsgijzeling doorgebracht. Door het opzettelijk verwijderen van bepaalde delen van de voorraadadministratie en het niet (juist) informeren van de curator was het voor de curator onmogelijk om het faillissement op een juiste wijze af te wikkelen, terwijl het maatschappelijke en economische verkeer verlangt dat faillissementen voortvarend en efficiënt worden afgewikkeld. Het handelen van de verdachte heeft ook andere kwalijke gevolgen. De schuldeisers van [bedrijf 1] lijden financiële schade. Dit alles neemt de rechtbank verdachte zeer kwalijk, temeer nu van hem als bestuurder professioneel, zorgvuldig en adequaat handelen mocht worden verwacht.
De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie betreffende verdachte van 31 oktober 2025. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
Gezien de ernst van de gepleegde feiten (met name de listigheid van het handelen) en de proceshouding van verdachte (zowel in het kader van het faillissement van [bedrijf 1] als gedurende het strafrechtelijke onderzoek) kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De eis van de officier van justitie acht de rechtbank alleszins redelijk en de rechtbank zal daarom overeenkomstig beslissen. Verdachte heeft het werk van de curator destijds in aanzienlijke mate bemoeilijkt/gefrustreerd. Verdachte heeft in faillissementsgijzeling doorgebracht en heeft nadien in het strafrechtelijke onderzoek geen verklaring willen afleggen tegenover de FIOD. Verdachte is evenmin ter terechtzitting verschenen. Een dag voor de zitting is door de raadsman een schriftelijke verklaring van verdachte ingebracht, maar deze verklaring getuigt niet van enig inzicht in zijn verantwoordelijkheden. Daarnaast tast de rechtbank in het duister op welke wijze verdachte op dit moment zijn leven en werk heeft vormgegeven. De rechtbank acht gelet op deze feiten en omstandigheden het passend en geboden om naast een onvoorwaardelijke gevangenisstraf aan verdachte een verbod op te leggen tot het uitoefenen van beroep van bestuurder van een rechtspersoon of daarmee gelijk gestelde rechtsvorm als bedoeld in artikel 51 van Pro het Wetboek van Strafrecht. De bewezenverklaarde strafbare feiten zijn gepleegd in hoedanigheid van feitelijke leidinggever en bestuurder van een rechtspersoon. Ter bescherming van het handelsverkeer wil de rechtbank herhaling voorkomen.
Als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling van een zaak ter terechtzitting moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaren nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals de ingewikkeldheid van de zaak, de invloed van verdachte en zijn advocaat op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld (vgl. ECLI:NL:HR:2008:BD2578). De rechtbank is van oordeel dat van schending van de redelijke termijn geen sprake is, nu verdachte – anders dan medeverdachte [medeverdachte] – niet is aangehouden en in verzekering is gesteld. In dit geval kan dus worden uitgegaan van een ingangsdatum van de redelijke termijn van 9 maart 2026, zijnde de datum van de dagvaarding, hetgeen geen overschrijding van de redelijke termijn oplevert gelet op de datum van dit vonnis. Dit neemt niet weg dat de rechtbank rekening houdt met het tijdsverloop.
Alle omstandigheden in aanmerking genomen acht de rechtbank de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden passend en geboden met oplegging van voornoemd beroepsverbod voor de duur van vijf jaren.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van Pro de Penitentiaire beginselenwet.

7.De schade van benadeelde ING

De ING heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De ING heeft gevorderd verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van
€ 675.004,54 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan. De gevorderde materiële schade bestaat uit € 673.804,54 (en hangt samen met de beëindiging van voornoemde (krediet)overeenkomst) en € 1.200,-- aan onderzoekskosten.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering integraal kan worden toegewezen.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden afgewezen omdat het causaal verband ontbreekt.
De rechtbank overweegt als volgt. De vordering heeft betrekking op feit 2. De rechtbank is van oordeel dat door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting niet is komen vast te staan dat verdachte door het bewezen verklaarde feit 2 rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij. Dat verdachte voorraadlijsten heeft vervalst en daarmee zijn contractuele verplichtingen voortvloeiende uit de overeenkomst met ING heeft geschonden is de rechtbank duidelijk. Het is de rechtbank echter niet duidelijk hoeveel krediet verdachte hierdoor ten onrechte
meerheeft ontvangen in vergelijking met de situatie dat verdachte juiste voorraadlijsten aan de ING had verstrekt. De ING heeft in haar toelichting op haar vordering als benadeelde partij evenwel geen vergelijking gemaakt tussen de (theoretische) situatie waarin krediet zou zijn verstrekt op basis van de voorraden zoals opgenomen in de CSV-bestanden en de (feitelijke) situatie waarin krediet is verstrekt op basis van de valse voorraadlijsten. Dit verschil in krediet is niet inzichtelijk gemaakt.
Het in de gelegenheid stellen van de benadeelde partij haar vordering alsnog nader te onderbouwen levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. De rechtbank zal de benadeelde partij daarom in de vordering niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

8.De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 28, 31, 51, 57.

9.De beslissing

De rechtbank:
vrijspraak
- verklaart niet bewezen dat verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat verdachte het onder 2, 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
strafbaarheid feiten
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 2
het misdrijf:
opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, gepleegd door een rechtspersoon, terwijl verdachte daaraan feitelijke leiding heeft gegeven, meermalen gepleegd;
feit 3
het misdrijf:
als degene die in het faillissement van een ander wettelijk verplicht is tot het geven van inlichtingen weigeren de vereiste inlichtingen te geven en opzettelijk onjuiste en/of onvolledige informatie geven;
feit 4
het misdrijf
als bestuurder van een rechtspersoon, tijdens het faillissement van de rechtspersoon, desgevraagd opzettelijk niet terstond, overeenkomstig de op hem rustende wettelijke verplichtingen ter zake, een ingevolge de wettelijke verplichtingen gevoerde en bewaarde administratie en de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers in ongeschonden vorm, zo nodig met de hulpmiddelen om de inhoud binnen redelijke termijn leesbaar te maken, aan de curator verstrekkenenals bestuurder van een rechtspersoon, voor het faillissement van de rechtspersoon, terwijl dit is gevolgd, opzettelijk niet voldoen aan de wettelijke verplichtingen tot het voeren van een administratie en het bewaren van de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers, ten gevolge waarvan de afhandeling wordt bemoeilijkt;
strafbaarheid verdachte
- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;
straf
- veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
8 (acht) maanden;
-
ontzet de verdachte van het recht tot uitoefening van het beroepvan bestuurder van een rechtspersoon of een daaraan gelijk gestelde rechtsvorm als bedoeld in artikel 51 van Pro het Wetboek van Strafrecht voor de duur van
5 (vijf)jaren;
- gelast dat de ontzetting uit het beroep van bestuurder van een rechtspersoon
openbaar gemaaktwordt door registratie in het
handelsregister van de Kamer van Koophandelen begroot de kosten daarvan op nihil;
schadevergoeding
- bepaalt dat de benadeelde partij ING Bank N.V. in het geheel niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Dit vonnis is gewezen door mr. D. ten Boer, voorzitter, mr. H. Manuel en mr. F.M.A. ‘t Hart, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.M. Broeks, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 9 juli 2026.

Voetnoten

1.Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de FIOD / Belastingdienst met dossiernummer 6068201 (onderzoeksnaam Addingham).
2.Een geschrift, zijnde een uittreksel van de Kamer van Koophandel van [bedrijf 1]. van 8 oktober 2020, pagina 1313 (DOC-005).
3.Een geschrift, zijnde een uittreksel van de Kamer van Koophandel van [bedrijf 2] B.V.. van 8 oktober 2020, pagina’s 1691-1692 (DOC-056).
4.Een geschrift, zijnde het vonnis faillietverklaring van de rechtbank van Overijssel van 7 november 2019, pagina’s 1697-1698 (DOC-057).
5.Een geschrift, zijnde een uittreksel van de Kamer van Koophandel van [bedrijf 3] van 8 oktober 2020, pagina 1527 (DOC-042).
6.Een geschrift, zijnde een uittreksel van de Kamer van Koophandel van [bedrijf 4] B.V. van 31 mei 2022, pagina 1575 (DOC-052).
7.Een geschift zijnde een bevoorschottings- en dienstverleningsovereenkomst tussen [bedrijf 1] en ING Commercial Finance van 5 juni 2015, genummerd als DOC-007, pagina 1330 en 1331.
8.Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige], relatiemanager ING Commercial Finance, genummerd als G-009-01, pagina 319.
9.Het algemeen relaas van bevindingen, genummerd als AD-001, pagina 32.
10.Een geschrift zijnde, de aangifte namens ING van 30 juli 2021, genummerd als G-010, pagina’s. 332 en 333.
11.Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige], relatiemanager ING Commercial Finance, genummerd als G-009-01, pagina’s 321 en 328.
13.Het proces-verbaal van bevindingen valsheid in geschrift voorraadlijsten, genummerd als AMB-012, pagina’s 534 en 535
14.Een geschrift zijnde de aangifte faillissementsfraude d.d. 19 februari 2020 van curator mr. A.C. Blankestijn, genummerd als DOC-001, pagina 1294 en 1295.
15.Het proces-verbaal van verhoor van getuige mr. A.C. Blankestijn van 28 september 2022, genummerd als G-012, pagina 352.
16.Een geschrift zijnde de aangifte faillissementsfraude d.d. 19 februari 2020 van curator mr. A.C. Blankestijn, genummerd als DOC-001, pagina 1292.
17.Het proces-verbaal van verhoor van getuige mr. A.C. Blankestijn van 28 september 2022, genummerd als G-012, pagina 352.
18.Een geschrift zijnde de aangifte faillissementsfraude d.d. 19 februari 2020 van curator mr. A.C. Blankestijn, genummerd als DOC-001, pagina 1294 en 1295.