ECLI:NL:RBOVE:2026:3979

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
9 juli 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
AK_26_342
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6.2 Wsf 2000Art. 11.5 Wsf 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek kwijtschelding studieschuld op grond van hardheidsclausule

Eiser heeft op 20 oktober 2024 een verzoek ingediend bij de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap om kwijtschelding van zijn studieschuld. Dit verzoek werd op 7 februari 2025 afgewezen, waarna eiser bezwaar maakte. De minister handhaafde het besluit op 22 december 2025. Eiser stelde beroep in tegen deze beslissing.

De rechtbank heeft het beroep op 30 april 2026 behandeld. De minister baseerde haar afwijzing op het kwijtscheldingsbeleid dat alleen in specifieke medische situaties kwijtschelding toestaat, zoals terminale ziekte of langdurige coma. Eiser erkende dat zijn situatie niet vergelijkbaar is met deze criteria, maar stelde dat de minister de hardheidsclausule te strikt toepaste en onvoldoende rekening hield met zijn bijzondere omstandigheden, waaronder een onterechte fraudeaanklacht en studievertraging.

De rechtbank oordeelde dat het beleid van de minister niet onredelijk is en dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden voor kwijtschelding. Ook de financiële situatie van eiser is niet doorslaggevend binnen het kwijtscheldingsbeleid. De minister had bovendien al rekening gehouden met de draagkracht van eiser bij het vaststellen van het maandbedrag. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en eiser krijgt het griffierecht niet terug.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de afwijzing van het verzoek om kwijtschelding van de studieschuld.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Almelo
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 26/342

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], eiser (hierna te noemen: [eiser])

en
de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, (hierna te noemen: minister), gemachtigden: [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2]

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van het verzoek van [eiser] om kwijtschelding van zijn studieschuld. [eiser] is het niet eens met de afwijzing en hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank deze zaak.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister het verzoek om kwijtschelding van [eiser] terecht heeft afgewezen. [eiser] krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. [eiser] heeft op 20 oktober 2024 bij de minister een verzoek om kwijtschelding van de studieschuld ingediend.
2.1.
In het besluit van 7 februari 2025 heeft de minister de aanvraag van [eiser] afgewezen. [eiser] heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
2.2.
In het bestreden besluit van 22 december 2025 op het bezwaar van [eiser] is de minister bij dat besluit gebleven.
2.3.
[eiser] heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 30 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiser] en de gemachtigden van de minister.

Standpunten van partijen

3. De minister heeft het verzoek van [eiser] om kwijtschelding van zijn studieschuld afgewezen. Volgens de minister valt [eiser] niet onder één van de door DUO omschreven groepen waarin om medische redenen een studieschuld kan worden kwijtgescholden. Ook is de situatie van [eiser] in aard en gevolgen niet vergelijkbaar met één van deze groepen. De minister heeft zich hierbij gebaseerd op een rapport van 17 november 2025 van medisch adviseur De Vreugt (De Vreugt). Verder ziet de minister in de door [eiser] naar voren gebrachte omstandigheden geen aanleiding om de hardheidsclausule toe te passen.
3.1
[eiser] stelt zich op het standpunt dat – samengevat weergegeven – de minister zijn verzoek om kwijtschelding van de volledige studieschuld ten onrechte heeft afgewezen. [eiser] stelt dat de minister de hardheidsclausule te strikt uitlegt, zonder voldoende onderzoek te doen naar de bijzondere omstandigheden die [eiser] naar voren heeft gebracht. Hij is onterecht beschuldigd van fraude, wat heeft geresulteerde in langdurige juridische procedures, een aantoonbare studievertraging en blijvende gevolgen voor zijn levens- en arbeidsvermogen. Volgens [eiser] ontbreekt een concrete afweging van zijn belangen en het belang van de minister. [eiser] meent verder dat de beslistermijnen en de communicatie door de minister niet zijn nageleefd. Dat zijn omstandigheden die volgens [eiser] relevant zijn voor de beoordeling van de redelijkheid van het bestreden besluit. [eiser] beroept zich in dit verband onder verwijzing naar de toeslagenaffaire op de menselijke maat en het evenredigheidsbeginsel.

Beoordeling door de rechtbank

4. De rechtbank beoordeelt of de minister terecht heeft beslist dat de (resterende) studieschuld van [eiser] niet wordt kwijtgescholden. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van [eiser].
4.1.
De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4.2.
Op grond van artikel 6.2, eerste lid, van de Wsf 2000 [1] is degene die studiefinanciering heeft ontvangen verplicht tot terugbetaling van de lening. Op grond van de Wsf 2000 kan kwijtschelding alleen plaatsvinden bij het einde van de aflosfase en bij overlijden van de debiteur.
4.3.
De minister voert met toepassing van de in artikel 11.5 van de Wsf 2000 opgenomen hardheidsclausule een beleid waarin staat dat ook kwijtschelding wordt verleend indien:
a. de debiteur een terminale ziekte heeft waardoor hij naar verwachting binnen een jaar komt te overlijden;
b. de debiteur gedurende langere tijd in coma ligt;
c. de debiteur een psychiatrische patiënt is die is opgenomen in een inrichting en de situatie uitzichtloos is;
d. de debiteur ernstig (geestelijk) gehandicapt is.
4.4.
Volgens vaste rechtspraak [2] is het door de minister gevoerde kwijtscheldingsbeleid niet onredelijk en mag dat ook stringent worden uitgelegd.
4.5.
[eiser] heeft op de zitting erkend dat zijn situatie niet gelijk is te stellen of vergelijkbaar is met één van de vier in het kwijtscheldingsbeleid beschreven situaties. Dit is dus niet langer in geschil. Om die reden kan hetgeen [eiser] heeft aangevoerd over de zorgvuldigheid van het medisch onderzoek, ook onbesproken blijven. Het staat immers al vast dat [eiser] niet voldoet aan de criteria van het kwijtscheldingsbeleid.
4.6.
De rechtbank is van oordeel dat in wat [eiser] heeft aangevoerd geen reden is gelegen om te concluderen dat de wet- en regelgeving die de minister heeft toegepast in zijn geval onevenredig nadelig heeft uitgepakt. Daarbij merkt de rechtbank nog op dat financiële positie van [eiser] niet bepalend is bij de beoordeling of binnen de kaders van het kwijtscheldingsbeleid een studieschuld wordt kwijtgescholden [3] . Met de financiële situatie van [eiser] kan rekening worden gehouden, onder andere door een draagkrachtmeting. Dat laatste heeft de minister ook gedaan door het maandbedrag vast te stellen op basis van de draagkracht van [eiser]. Op de zitting heeft de minister nog naar voren gebracht dat in 2016 (een deel van) aanvullende beurs kwijtgescholden en dat in 2018 36 maanden van de prestatiebeurs is omgezet in een gift. Verder heeft de minister er terecht op gewezen dat hij geen partij is bij het conflict tussen [eiser] en Universiteit Twente. De door [eiser] ter zitting aangevoerde omstandigheid dat zijn studieschuld een rol speelt bij de hypotheekaanvraag, heeft de minister evenmin als een bijzondere omstandigheid hoeven zien, omdat [eiser] daarmee niet verschilt van andere (ex-)studenten met een studieschuld. De minister heeft dan ook geen aanleiding hoeven zien om in geval van [eiser] van zijn kwijtscheldingsbeleid af te wijken.
4.7.
Gelet op wat hiervoor is overwogen heeft de minister het verzoek om kwijtschelding van [eiser] terecht afgewezen.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat [eiser] geen gelijk krijgt. Hij krijgt daarom het griffierecht niet terug.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H.M. Hesseling, rechter, in aanwezigheid van
A. van den Ham, griffier. Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Wet studiefinanciering 2000
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 4 maart 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:546.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 20 april 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1421.